Op donderdag 20 november 2025 vond in The Grand weer het jaarlijkse minisymposium plaats van de Praktizijns-Sociëteit, met aansluitend een diner. Wederom was het een regenachtige dag, maar het symposium werd gehouden in een mooie ambiance en dat had er mede voor gezorgd dat de zaal toch weer bijna vol zat.
Tekst: Diederik Palstra
Het symposium had dit jaar als onderwerp: ‘Over de toegang tot het recht in Nederland – een afbrokkelend ideaal?‘. Aalt Colenbrander, van het organiserend comité, lichtte dit onderwerp toe door uit te leggen dat het aantal sociaal advocaten in de afgelopen vijf jaar met tien procent is afgenomen, terwijl het totale aantal advocaten in die periode juist toenam. Het verontrustende is ook dat het vooral jonge sociaal advocaten zijn die het vak verlaten.
Vervolgens werden de leden van het panel voorgesteld. Zoals ieder jaar zijn er vier panelleden die ieder een stelling naar voren brengen en deze toelichten, waarna de zaal daarover gaat stemmen door een groen A4-tje (eens) of een rood A4-tje (oneens) omhoog te houden. Daarna gaat het panel met elkaar en de zaal over de stelling in debat. Het panel bestond dit jaar uit:
- Liesbeth Hulst, bijzonder hoogleraar ‘Toegang tot het Recht en Gesubsidieerde Rechtsbijstand’ aan de Universiteit van Amsterdam. Zij is ook zo’n tien jaar advocaat geweest en daarnaast afgestudeerd in de onderzoekspsychologie;
- Teun Struycken, voormalig staatssecretaris voor Rechtsbescherming, hoogleraar en advocaat bij Nauta Dutilh;
- Anita Vegter, senior-rechter bij de rechtbank Amsterdam en buurtrechter in Venserpolder. Zij is ook meer dan tien jaar advocaat geweest en deken van de Orde van Advocaten in Arnhem. Ook was zij directeur-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving bij het ministerie van Veiligheid en Justitie en was zij lid van de raad van bestuur van de Autoriteit Consument & Markt (ACM); en
- Reinier Feiner, advocaat bij FeinerIwema in Rotterdam en gespecialiseerd in strafrecht en jeugdrecht, voorzitter van de Vereniging Sociale Advocatuur Nederland en bestuurslid van de Vereniging Jeugdrecht Advocaten Rotterdam.
De eerste stelling – Liesbeth Hulst
Hulst opent het symposium met de eerste stelling:
“Onbekend maakt onbemind – in het universitaire curriculum moet sociale advocatuur een verplicht onderdeel zijn.”
In de zaal is bijna alles groen. Er is een enkel rood A4-tje omdat ‘men niet van verplichtingen houdt’.
Hulst licht vervolgens de stelling toe. De sociale advocatuur is erg onbekend onder de rechtenstudenten. Uit een enquête bleek onlangs dat 75% van de rechtenstudenten niet in aanraking komt met de sociale advocatuur. Ook is het onbemind. Jonge rechtenstudenten kiezen niet voor het recht van individuen zoals familierecht, sociaal zekerheidsrecht en vreemdelingenrecht. Belangrijk is voor hen wat de groep vindt en de beroepsgroep denkt steeds economischer. De rechtenstudenten kennen daardoor alleen de commerciële advocatuur. Terwijl maar 15% van de advocaten bij de grote kantoren werkt, de rest komt voornamelijk individuen tegen. Er zijn eigenlijk maar heel weinig advocaten die niet met individuen te maken hebben.
Zij houdt ook niet van ‘verplicht’, want de academische vrijheid is een groot goed. Universiteiten moeten zelf het onderwijs en onderzoek kunnen inrichten. Maar het ideologische denken is aan de universiteit vervangen door marktdenken. De universiteiten zijn er vooral op gericht om de studenten een zo goed mogelijke baan te bezorgen. Universiteiten zijn echter gefinancierd met publieke middelen en het onderwijs moet daarom wel aansluiten bij de belangen in de samenleving. Anders groeit het ressentiment in de samenleving tegen universiteiten. Waarom zou de samenleving daarvoor betalen als het hun belangen niet dient? Je ziet dit ressentiment tegen de overheid in de samenleving al toenemen. Het draagvlak in de samenleving voor de overheid neemt af. Daarom moet er meer aandacht komen voor de sociale advocatuur vakken.
Struycken reageert dat hij tegen de stelling heeft gestemd, maar dat zij het meer met elkaar eens zijn dan het daardoor lijkt. De sociale advocatuur is naar zijn mening geen apart vak. Universiteiten moeten gewoon meer ruimte geven aan bijvoorbeeld personen -en familierecht. Deze basiskennis is voor iedereen belangrijk. Hij pleit daarnaast voor het invoeren van een vak waarin je leert omgaan met individuen, want cliënten zijn individuen en daar hebben we allemaal mee te maken, ook de commerciële advocaten.
De tweede stelling – Teun Struycken
Struycken vervolgt met de tweede stelling:
“Toegang tot het recht is een collectieve rechtsstatelijke verantwoordelijkheid van alle advocaten en notarissen.”
Ook hier kleurt de zaal bijna geheel groen.
Dit is een moreel appèl, zo licht Struycken de stelling toe. Vraag niet wat de rechtsstaat voor jou kan doen, maar wat jij kunt doen voor de rechtsstaat. Er staat nergens dat een advocaat moet bijdragen aan de sociale advocatuur. Het is een opdracht aan de overheid en er is geen horizontale werking zodat advocaten zouden moeten waarborgen dat er voor iedereen toegang tot het recht is. Zijn kruistocht als staatssecretaris was echter desondanks toch om het beeld te veranderen dat de sociale advocatuur een aparte beroepsgroep is en ervoor te zorgen dat dit ook een taak en verantwoordelijkheid van de andere advocaten en van de NOvA is. De commerciële advocatuur moet onderzoeken hoe zij de gesubsidieerde rechtsbijstand kunnen ondersteunen door bijvoorbeeld een samenwerking met de kantoren van sociaal advocaten. Daar wordt momenteel aan gewerkt, zij het inmiddels buiten zijn gezichtsveld omdat hij de politiek heeft verlaten. Tenslotte wijst Struycken de aanwezigen erop dat er al het aanzienlijke bedrag van 650 miljoen euro naar de sociale advocatuur gaat, naast de gemeentelijke budgetten. Hierop klinkt wat gemor uit de zaal of dit bedrag inderdaad wel helemaal naar de sociale advocatuur gaat.
Er volgt een reactie van een jonge sociaal advocaat uit de zaal. Waarom mag het nooit met geld te maken hebben? Hij vindt het mooi werk, maar hij gaat toch de sociale advocatuur uit want het is te lastig er een boterham te verdienen. Wat heeft u hieraan gedaan toen u staatssecretaris was en wat had u nog meer willen doen?
Struycken legt uit dat er een rapport is van de commissie Van der Meer II, dat als uitgangspunt stelde dat een sociaal advocaat het inkomen moet kunnen hebben van een ambtenaar in schaal 12, trede 10 (Red.: dat is € 6.907,69 bruto per maand), en hij heeft 30 miljoen euro extra vrijgemaakt die hier naartoe ging.
Feiner voegt hieraan toe dat het ene rechtsgebied nu eenmaal beter verdient dan het andere rechtsgebied. Hij onderschrijft de stelling van Struycken volledig dat we het samen moeten doen. Je moet als sociaal advocaat weliswaar een goede ondernemer zijn, maar hij zou tegen een Zuidaskantoor willen zeggen: ondersteun de sociale advocatuur, ook financieel. Je leert waarden aan de universiteit, ook maatschappelijke waarden en ondersteun die. Ook leer je kritisch denken aan de universiteit. Het gaat minder om kennis vergroten. Pas op om er een beroepsopleiding van te maken aan de universiteit.
Hulst stelt vervolgens dat het niet alleen gaat om voorlichting over de sociale advocatuur, maar ook om herwaardering van deze vakken. Waarom wordt er zoveel nadruk gelegd op de commerciële vakken aan de universiteit? Er is een nieuw verhaal nodig voor de studenten. Zo is er een documentaire verschenen over de sociale advocatuur. Dit kan helpen in de beeldvorming. Er is sprake van een afbrokkelend ideaal: we hebben allemaal geprofiteerd van het welvaartssysteem, maar met name de hogere klasse is minder bereid iets te doen voor anderen. Men vindt dat men voor zichzelf moet zorgen. In andere lagen van de samenleving vindt men dat veel minder.
Struycken voegt hieraan toe dat veel jonge advocaten bij de grote kantoren graag een sociale bijdrage willen leveren. Daar moet ruimte voor gecreëerd worden. De grootste slag is volgens hem niet eens te maken in de sociale advocatuur, maar in de eerstelijnshulp. De meeste rechtzoekenden willen helemaal geen advocaat. Die drempel is daarvoor te hoog. Zij willen eerstelijnshulp. Eén loket, en eventueel doorverwezen worden. Daar zit de grootste uitdaging. De ‘één loket gedachte’ voor de burger in de knel, en daar wordt aan gewerkt.
De derde stelling – Anita Vegter
De stelling van Vegter luidt als volgt:
“Een advocaat die niet handelt naar de onderliggende problematiek van de cliënt belemmert de toegang tot het recht meer dan dat deze wordt bevorderd.”
Een zee van groene A4-tjes.
Vegter licht haar stelling toe. De buurtrechter is wijkrechtspraak in Amsterdam-Zuidoost. De buurtrechter behandelt zaken over de leerplicht, kleine strafzaken en schuldproblematiek. Er zijn bij de buurtrechter ook andere hulpverleners betrokken. Toegang tot de rechter is een grondrecht; het staat in het EVRM dat iedere burger recht heeft op effectieve rechtsbescherming en toegang tot de rechter. Iedereen is daar verantwoordelijk voor. De buurtrechter is geïnspireerd door de community courts in de VS, de community justice centers. Inmiddels hebben we deze wijkrechtspraak ook in veel andere wijken in Nederland, namelijk daar waar uit verkenningen door de gemeenten blijkt dat er bovengemiddeld veel sociaal-economische problemen zijn. In die wijken is het vertrouwen in instituties en de overheid buitengewoon laag. Men zoekt daar geen hulp. Men gaat daar niet naar de gewone rechtbank. Zij komen hun wijk eigenlijk nooit uit. Leidt dit dan niet tot rechtsongelijkheid omdat men in de ene wijk wel toegang heeft tot de laagdrempelige wijkrechter en in andere wijken niet? Nee, dit maakt het juist gelijker, stelt Vegter.
Elke wijk kent zijn eigen problematiek. Er is ook een wijkrechter begonnen in Amsterdam Nieuw-West. Daar zijn bijvoorbeeld veel meer taalproblemen en vrouwenproblemen. De buurtrechters richten zich op de onderliggende problematiek, samen met hulpverleners. Er zijn ook spreekuren van sociaal advocaten in het gebouw van de buurtrechter. Maatschappelijk werk, reclassering en schuldhulpverlening zitten eveneens bij de buurtrechter in de zaal. We nemen wel de juridische beslissingen die we moeten nemen, zo stelt Vegter, maar we kunnen ook hulpverleners inschakelen. We zijn geen maatschappelijk werkers, maar kunnen deze inzetten. Het draagvlak onder de bevolking en de toegang tot het recht nemen daardoor enorm toe. De drempel voor de burger is daardoor veel lager. Men durft wel naar het buurtcentrum te komen, maar niet naar de Parnassusweg. Het is ook gelukt om de advocaten voor hun werk bij de buurtrechter een additionele vergoeding toe te kennen.
Feiner stelt dat hij nu inderdaad drie punten extra krijgt voor hetzelfde werk als elders en dat hij een groot voorstander is van collectieve verantwoordelijkheid en een groot voorstander is van wijkrechtspraak. Er hangt alleen een prijskaartje aan dat de overheid niet wil betalen.
Struycken antwoordt dat die achterliggende problematiek ook veel kosten met zich meebrengt. Dus de investeringen in de sociale advocatuur en in de wijkrechtspraak brengen ook een kostenverlaging met zich mee voor de maatschappij.
De vierde stelling – Reinier Feiner
Feiner brengt de vierde en laatste stelling naar voren:
“Het recht op rechtsbijstand is onbegrensd.”
De zaal kleurt grotendeels rood.
Feiner vindt zelf het recht op rechtsbijstand ook niet onbegrensd. Hij probeert in zijn praktijk laagdrempelig te zijn voor cliënten, maar ook voor rechters en de politie. Samen moet je namelijk zorgen voor de toegang tot het recht, met respect voor ieders rollen.
Het recht is beschaving. Daarom is toegang tot het recht zo belangrijk. Na de Tweede Wereldoorlog wilde de VS In Neurenberg een proces voor misdaden tegen de menselijkheid. Rusland wilde ze allemaal zonder proces laten executeren. Er werden in Neurenberg ook drie verdachten vrijgesproken.
Hij stelt een zesde kernwaarde voor: het bevorderen van rechtsgelijkheid. Kun je als klein sociaal kantoor wel voldoende tegenwicht bieden tegen het OM, ook qua deskundigheid? Er is een pilot met de SDU waarin grote kantoren kunnen participeren. Als zij een legal tech abonnement nemen, kunnen ze er ook één doneren aan een sociaal kantoor. ‘Put your money where your mouth is’, zo stelt Feiner.
Struycken vervolgt dat Michiel van Nispen van de SP veel goed werk heeft gedaan, zoals het Huis van het Recht. Heel veel draait in Den Haag echter, meer dan je denkt, om financiële dekking. Een grote zorg in dat verband is de demografie; de actieve beroepsbevolking wordt steeds kleiner. Kunnen we over tien jaar nog doen wat we nu doen? Hij heeft er geen antwoord op.
Een vraag uit de zaal: het is een kwalijke term, sociale advocatuur. Deze term moet afgeschaft worden want die tweedeling bestaat helemaal niet. De meeste advocaten zitten daar tussenin, de praktijk van de spreker bestaat ook voor een derde gedeelte uit toevoegingen.
Feiner antwoordt dat hij het als een geuzennaam ziet, maar ook wel als een negatief beladen term, en hij is het ermee eens dat de zwart/witte tweedeling een onjuiste voorstelling geeft.
Struycken is het ook eens met de kritiek op de term. Beter is naar zijn mening ‘gesubsidieerde rechtsbijstand’. Het gaat om een collectief engagement. Hij heeft de 15 grootste kantoren uitgenodigd voor een gesprek en zij zeggen dat hun jonge advocaten graag sociaal willen bijdragen.
Feiner informeert de zaal tenslotte dat hij eens heeft berekend dat als je twee procent boven op de uurtarieven doet, dat het systeem zichzelf dan kan bedruipen.
Met deze omineuze rekensom eindigde het mini-symposium en ging men over tot de borrel en aansluitend het diner in The Grand.




