Engel Dirks is een naam die de meesten niet veel zal zeggen. Toch markeert deze vrouw op trieste wijze het begin van een duistere periode in de Amsterdamse rechtspraak. Op 10 januari 1542 was zij de eerste persoon die in de stad wegens hekserij op de brandstapel werd terechtgesteld. Ook de Nederlanden ontkwamen in de 16e eeuw niet aan de golf van angst voor ‘tovenarij’ die door Europa trok, hoewel het aantal veroordelingen in onze contreien relatief beperkt bleef. Hoe zat het eigenlijk met de verdediging van de ongelukkige beschuldigden? 

Tekst: Martin van Duijn

Er zijn in Amsterdam tussen 1541 en 1566 diverse heksenprocessen gevoerd. Het mag in onze rationele ogen absurd lijken, maar hekserij, ofwel ‘tovenarij’ zoals dat toen werd genoemd, was in de ogen van velen eeuwenlang een vaststaand feit. Vooral alleenstaande vrouwen werden daarop aangekeken, maar ook mannen konden het slachtoffer van de verdenking zijn, hoewel dat niet vaak voorkwam. Tovenarij werd vooral als gevaarlijk gezien, niet omdat een beschuldigde lukraak met betoverende spreuken rondstrooide, maar vooral omdat zij zich zou hebben overgegeven aan de Boze. Seks met Satan was dan ook vaak de beschuldiging. Die conclusie werd vaak getrokken als een bepaald persoon de pech had om steeds in de buurt van personen of dieren te zijn geweest, die daarna door vreemde ziekten werden getroffen of zelfs overleden. Als je uiterlijk dan ook nog beantwoordde aan het stereotype beeld van een toverkol, kon je het populair gezegd wel schudden. Voor de schepenrechtbank moest de verdenking wel worden bewezen, en dat gebeurde dan meestal door een bekentenis die onder folteringen of zelfs alleen maar onder dreiging van ‘tortuur’ werd afgedwongen, waarbij de beschuldigden vaak toegaven ’s nachts bezoek van een duister persoon te hebben gehad.

Heksenveroordeling.

Dood tot pulver
Verbanning uit de stad was een van de mogelijke sancties die op tovenarij stond. Maar het meest tot de verbeelding spreekt het vonnis ‘dood tot pulver’ op de brandstapel. Engel Dirks was het eerste slachtoffer dat in Amsterdam dit oordeel over haar hoorde uitspreken. Nadat zij wegens vermeende tovenarij was opgepakt, hadden schout en schepenen geen idee hoe zij het proces moesten aanpakken, omdat het in de stad ontbrak aan een ervaren ‘heksenmeester’. Er moest nu eenmaal rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de ondervragers zelf zouden worden betoverd. Een excorcismeritueel had ook al niet het gewenste resultaat, maar nadat de hulp werd ingeroepen van Mr. Dirk van Zuylen, de befaamde Utrechtse secretaris van justitie, en met adviezen van Het Hof van Holland in ‘s-Gravenhage, lukte het om Engel Dirks een bekentenis af te dwingen. Het aantal veroordelingen bleef in Amsterdam overigens beperkt. Dertien jaar na de terechtstelling van Engel Dirks, was het ene Meyns Cornelis die in 1555 de twijfelachtige eer had om als laatste heks naar de brandstapel te worden geleid.

Verdediging
In de noordelijke Nederlanden werd er relatief nuchter omgesprongen met beschuldigingen van hekserij. De bekende Heksenwaag in Oudewater heeft bijvoorbeeld altijd iedereen die daar werd gewogen van hekserij vrijgepleit. Zelfs vanuit andere landen reisden potentiële beschuldigden naar Oudewater om daar aan het begeerde bewijs te komen geen heks te zijn. Maar wat als je niet in staat was om zo’n certificaat van echtheid te bemachtigen? In civiele zaken kom men zich tot een procureur wenden die als een mediator tussen de partijen fungeerde en advocaten traden alleen op in zaken van groot belang. Als je van tovenarij werd beschuldigd, had je daar dus niets aan. Wel kon voorspraak van andere burgers gewicht in de schaal leggen, en hoe meer aanzien die hadden, des te groter de kans op vrijspraak. Maar de meeste vermeende heksen zullen zulke contacten niet hebben gehad, en evenmin over voldoende geld hebben beschikt om in beroep te gaan bij het Hof van Holland – want ook die mogelijkheid bestond. Verder kon je jezelf ‘ter purge stellen’ – daarbij kon iedereen klachten tegen je indienen gedurende een bepaalde periode, die dan natuurlijk wel aannemelijk gemaakt moesten worden.

Verhoor en brandstapel.

Vredelegging
Alle bijgeloof ten spijt, hadden beschuldigingen van tovenarij vaak minder te maken met de angst voor het bovennatuurlijke, dan met de hoop om af te rekenen met iemand waarmee je in onmin leefde. Zo moesten in Haarlem de drie dochters van de bekende Kenau Simonsdochter Hasselaer zich tussen 1594 en 1613 maar liefst zeven keer via vredelegging verdedigen tegen beschuldigen van tovenarij. Bij vredelegging werd een kwestie voor de burgemeester bijgelegd of een beschuldiging ingetrokken. Amsterdam maakte echter in 1556 een einde aan de mogelijkheid van vredelegging, omdat de partijen in de praktijk vaak daarna alsnog hun gelijk probeerden te halen bij de schepenrechtbank. De gereformeerde kerk heeft twee decennia later de mogelijkheid van vredelegging overigens overgenomen, maar alleen voor leden van de kerk.

Dolle wezen
In 1566, een politiek en religieus onrustig jaar, kwam een einde aan de heksenprocessen in Amsterdam. Aanleiding was een curieuze situatie. De wezen van het Burgerweeshuys trokken plotseling razend en tierend door de stad, klommen op gebouwen, belaagden de woning van schout en ketterjager Pieter Fransz en vielen volgens ooggetuigen schuimbekkend en glasbrakend op de grond terwijl ze visioenen zagen. Een duidelijk gevolg van betovering, aldus velen. Fye Lievenheers, die zich als volwassen meeloper met de ongeregeldheden bemoeide, werd als eerste beschuldigd. Maar zelfs na twee dagen van foltering bekende ze niets en werd zij uiteindelijk vrijgelaten. Het was vooral de tweede verdachte Jacoba Bammen, die de pech had vlakbij het weeshuis te wonen, waardoor de kijk op de beschuldigingen van hekserij bij de magistraten veranderde. Bammen was een katholieke dame uit een aanzienlijke familie met connecties in het stadsbestuur. Ook Bammen ontkende en stelde zichzelf veertien dagen ‘ter purge’. In die periode werd er geen enkele beschuldiging tegen haar ingebracht, en het viel op dat de eerdere verdachtmakingen afkomstig waren uit gereformeerde hoek. Voor het stadsbestuur was het duidelijk dat er andere belangen speelden dan de angst voor de invloed van de duivel. Hoewel er nog een enkele keer bij een verdachtmaking onderzoek werd ingesteld, is het daarna nooit meer tot nieuwe heksenprocessen gekomen in Amsterdam.

Maar de dolgedraaide weeskinderen dan? Later onderzoek in de archieven van het Burgerweeshuys wees uit dat de kinderen om kosten te besparen maandenlang moesten leven op een rantsoen van hennepkoeken. Spacecake dus.