Categorie archief: De stelling

De Stelling – Hoe onaantastbaar is het fiscaal verschoningsrecht?

‘Aanpassing van het verschoningsrecht is niet nodig’, zo luidt de stelling in deze aflevering van het ABB. Achtergrond is het protest tegen het voornemen van staatssecretaris van Financiën Wiebes om het fiscaal verschoningsrecht aan te passen. Diana de Wolff (bijzonder hoogleraar Advocatuur aan de UvA) en Ludwijn Jaeger (fiscaal advocaat te Amsterdam) reageren.

Tekst: Nick van den Hoek en Mayk Koria

Staatssecretaris Wiebes heeft op 17 januari 2017 aangekondigd het fiscaal verschoningsrecht aan te willen passen. De reikwijdte van het fiscale verschoningsrecht zou te ‘breed en ongericht’ zijn. Op die aankondiging is door de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) fel gereageerd. De staatssecretaris zou het basisprincipe van het verschoningsrecht miskennen en zijn bezwaren jegens het verschoningsrecht in de huidige vorm niet goed motiveren. Op 6 juni 2017 heeft de staatssecretaris zijn voornemen tot het aanpassen van het fiscaal verschoningsrecht herhaald. Het gestampvoet van de NOvA heeft kennelijk nog niet het beoogde resultaat bereikt.

Hoe zit het nu eigenlijk met de reikwijdte van het ‘fiscale verschoningsrecht’? Artikel 53a lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) luidt: ‘Voor een weigering te voldoen aan de verplichtingen ten behoeve van de belastingheffing van derden kunnen […] advocaten […] zich beroepen op de omstandigheid, dat zij uit hoofde van hun […] beroep tot geheimhouding verplicht zijn’.

Om de discussie over het fiscale verschoningsrecht nader te duiden, bespreken Diana de Wolff (bijzonder hoogleraar Advocatuur aan de UvA) en Ludwijn Jaeger (fiscaal advocaat te Amsterdam) in deze rubriek de stelling ‘Aanpassing van het verschoningsrecht is niet nodig’.

Diana de Wolff

Geheimhouding verplicht
Diana de Wolff: ‘Advocaten zijn tot geheimhouding verplicht van informatie die zij – al dan niet rechtstreeks van hun cliënt – verkrijgen in het kader van hun beroepsuitoefening. Het belang daarvan is groot: iedereen, particulier of rechtspersoon, moet zich tot een advocaat kunnen wenden om zich te laten informeren over zijn of haar rechtspositie zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene. Zeker als het gaat om een rechtsgebied als het belastingrecht, met een veelheid aan gedetailleerde en vaak wijzigende regels en een overheidsorgaan met sterke sanctionerende bevoegdheden, is dat belang evident.
Beroepsuitoefening is niet beperkt tot het voeren van een procedure of de advisering daarover, maar omvat ook de louter adviserende rol. Daarmee is het verschoningsrecht ruim, maar niet absoluut. Ten eerste verspeelt een advocaat die bewust meewerkt aan fraude in zoverre het verschoningsrecht. Het medeplegen van een misdrijf kunnen we immers niet rekenen tot de beroepsuitoefening van een advocaat. Ten tweede geldt het recht op verschoning alleen als de advocaat ook daadwerkelijk in zijn hoedanigheid van advocaat optreedt, dus juridische diensten verleent. Stel dat een advocaat in cc e-mailcorrespondentie ontvangt van een belastingplichtige en (niet-verschoningsgerechtigde) derde. De inhoud van die e-mails kan niet reeds daarom worden aangemerkt als wetenschap die aan de advocaat “in het kader van diens juridische dienstverlening” is toevertrouwd (vgl. ECLI:NL:HR:2016:110). Als een belastingplichtige een advocaat vraagt om bij een bespreking aanwezig te zijn, louter om ervoor te zorgen dat het verslag van de bespreking onder het verschoningsrecht valt, geldt mijns inziens een analoge benadering.

Geen dekmantel
Artikel 53a lid 1 AWR is wat mij betreft niet te ongericht of ruim. De staatsecretaris heeft overigens geen enkel concreet voorbeeld van een situatie genoemd die onder het verschoningsrecht valt, maar daar naar zijn mening niet thuishoort of waardoor het bestrijden van belastingontduiking wordt gefrustreerd. Wel is van belang de betekenis van de woorden “uit hoofde van hun beroep” steeds goed voor ogen te houden. Het verschoningsrecht van de advocaat kan geen dekmantel zijn voor samenspanning en mag niet worden misbruikt voor een ander doel dan waarvoor het in het leven is geroepen’.

Gebrekkige onderbouwing
Ludwijn Jaeger: ‘Staatssecretaris Wiebes heeft aangekondigd het fiscale verschoningsrecht te willen inperken. Die aankondiging heeft al veel afwijzende reacties vanuit advocatuurlijke hoek ontvangen: de aangedragen redenen voor inperking (en toegegeven, ze worden eigenlijk niet aangedragen en voor zover ze al ergens te ontwaren zijn, zijn ze veelal ondeugdelijk) zijn onvoldoende grondslag om iets te wijzigen. Tegen die stroom in, meen ik dat er wel degelijk reden is om wat aan het verschoningsrecht te doen. Hoe gebrekkig de gegeven onderbouwing voor die door de staatssecretaris gewenste aanpassing ook moge zijn.

Ludwijn Jaeger

Laat ik beginnen met op te merken dat het ontbreken van deugdelijke voorbeelden van misbruik allerminst wil zeggen dat iets om die reden moet blijven bij hoe het is. Naar de huidige letter van de wet kan een advocaat immers terecht een beroep doen op zijn verschoningsrecht, domweg omdat hij advocaat is, niet omdat “het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden” (vlg. ECLI:NL:HR:2002:AE6324).

Wiebes schrijft dat hij overweegt om bij de beoogde aanpassing aan te sluiten bij de procesvrijstelling in de Wwft. Oftewel werkzaamheden voor een cliënt “betreffende de bepaling van diens rechtspositie, diens vertegenwoordiging en verdediging in rechte, het geven van advies voor, tijdens en na een rechtsgeding of het geven van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding” zullen ook na aanpassing verschoningsgerechtigd blijven (artikel 1, lid 2, Wwft). Met een aanpassing langs deze lijn voldoet Wiebes aan de aanbeveling in een rapport van de OESO uit 2013 waarnaar hij verwijst, waarin het volgende is opgemerkt: “It is recommended that the Netherlands’ authorities make it clear that the privilege which can be claimed by lawyers under Article 53(a) of the GSTA only relates to confidential communication produced for the purpose of seeking or providing legal advice or produced for the purpose of use in existing or contemplated legal proceedings”.

Het te beschermen maatschappelijk belang blijft volledig intact. Informatie die is verkregen bij dienstverlening die betrekking heeft op fiscale procedures, maar ook informatie ten behoeve van advieswerkzaamheden, blijft geheim en openbaarmaking is niet te vrezen. Deze materiële benadering van het verschoningsrecht is derhalve nauwelijks reden om van mening te zijn dat er vooral niets moet veranderen.

Verandering toe te juichen
Voorgaande is ook geen reden om wel wat te veranderen. Er zijn echter drie redenen om de verandering toch toe te juichen. De eerste is dat uitvoerende werkzaamheden, daar waar het verschoningsrecht nimmer voor is bedoeld, nu binnen het verschoningsrecht vallen, straks niet meer. De tweede is dat ook andere dienstverleners op grond van het soort activiteiten dat ze uitoefenen, onder het verschoningsrecht gebracht kunnen worden, waarbij ik dan primair denk aan de procederende belastingadviseur. De derde reden, weliswaar een slechte, is dat na aanpassing het om de zo veel jaar terugkerende gezeur over het verschoningsrecht de komende decennia hopelijk achterwege kan blijven. De terugkerende discussie is schadelijk voor de (onjuiste) beeldvorming over onze beroepsgroep’.

De Stelling – Gewelddadige agent niet langer strafbaar?

Met een wijziging in artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht stelt minister Van der Steur voor de strafbaarheid van gewelddadige agenten, mits rechtmatig, wettelijk uit te sluiten. Is dat een goed idee? In de terugkeer van onze rubriek De Stelling buigen  advocaten  Geert-Jan Knoops, Thomas Felix en Alexander de Swart zich over nut en noodzaak van het voorstel.

Tekst: Benjamin Bijl en Tomasz Kodrzycki

Steeds meer komt het optreden van de politie ter discussie te staan. Met name wanneer de politie gebruik maakt van haar geweldsmonopolie is er sprake van toenemende  kritiek. Het meest bekende en recente voorbeeld is de kwestie van Mitch Henriquez, die bij zijn aanhouding om het leven kwam door geweld van agenten. Maar ook kan worden gedacht aan de 17-jarige Rishi, die in 2013 door een agent op station Den Haag Hollands Spoor werd doodgeschoten.
De agent die Rishi doodde, werd van doodslag vrijgesproken. Of het geweld jegens Henriquez ook disproportioneel was, moet door de rechter nog worden bepaald: twee agenten zijn voor primair doodslag gedagvaard.

Geweldsmonopolie
Maar moet een politieagent die al dan niet fataal geweld heeft toegepast bij het uitoefenen van zijn functie wel op dezelfde manier tot strafrechtelijke verantwoording worden geroepen als gewone burgers? De politie heeft tenslotte het geweldsmonopolie en komt vaak in bedreigende en lastige situaties terecht waarbij ze soms in een fractie van een seconde moet beslissen over leven en dood. Een zware last die een milde blik verdient? Of heeft de politie niet juist een grotere verantwoordelijkheid bij de proportionele uitoefening van het alleen háár toekomende recht geweld aan te wenden? With great power comes great responsibility?

stelling_politie(foto: Shutterstock).

Minister Van der Steur heeft het idee geopperd de strafbaarheid van gewelddadige agenten, mits rechtmatig, wettelijk uit te sluiten: ‘Niet strafbaar is de ambtenaar die in de rechtmatige uitoefening van zijn taak en in overeenstemming met zijn geweldsinstructie geweld gebruikt’, zo luidt de tekst van het nieuw voorgestelde tweede lid van artikel 42 WvSr.

Bij twijfel aan de rechtmatigheid van politiegeweld kan de officier van justitie  – ook dat is nieuw in het voorstel –  een feitenonderzoek instellen.
Mocht het openbaar ministerie het gevoel bekomen dat er onrechtmatig geweld is toegepast, kan worden vervolgd voor het eveneens nieuwe artikel 372 WvSr dat schending van de geweldsinstructie bedreigt met gevangenisstraffen van maximaal één jaar tot drie jaren, afhankelijk van de ernst van het letsel of indien de dood intreedt. Het staat de officier van justitie overigens vrij te vervolgen voor commune geweldsfeiten. Is het wetsvoorstel wel een goed idee? We laten drie advocaten reageren op de volgende stelling.

Stelling

Het wetsvoorstel van Van der Steur is gebaseerd op een onwenselijke premisse. Politieambtenaren zijn professionals die zijn getraind om te gaan met hun geweldsmonopolie. Hen in beginsel strafrechtelijk onschendbaar maken voor dit deel van hun werk past dan ook niet. Het strafrecht voorziet nu al in voldoende mogelijkheden om waar nodig gepast te kunnen reageren.

 


stelling_felixThomas Felix (Advocaat De Roos & Pen te Amsterdam)

‘Nieuw strafbepalingen maken politieambtenaar niet onschendbaar’

‘Wij verwachten van politieambtenaren dat zij ons beschermen. Waar burgers hard van het gevaar wegrennen, wordt de politie geacht ernaar toe te rennen. En om, binnen de grenzen van de wet, gebruik te maken van hun geweldsmonopolie. De beslissing om gebruik te maken van die bevoegdheid moet in een split second gebeuren.
Het zijn vaak moeilijke beslissingen en de omstandigheden dwingen hen een beslissing te nemen: ze kunnen natuurlijk niet wegrennen. Politieambtenaren zijn weliswaar getraind, maar het is een illusie om te denken dat je ze op alle situaties kunt voorbereiden zodat zij nooit spanning ervaren en altijd de juiste beslissing nemen. Als dat een verkeerde beslissing blijkt te zijn, is dat vaak een beslissing die naar eer en geweten wordt genomen.
Als wij een beroepsfout maken verantwoorden wij ons bij de tuchtrechter. Voor de eventuele schade zijn wij verzekerd. Strafrechters die verdachten ten onrechte veroordelen betalen, bij een eventuele vrijspraak in hoger beroep, de eventuele schadevergoeding (ex. art. 89 Sv) niet zelf. En zij worden al helemaal niet persoonlijk vervolgd voor wederrechtelijke vrijheidsbeneming. Dat vinden wij logisch.
Maar als politieambtenaren bij geweldsaanwending een beroepsfout maken, worden zij verdachte van en vallen zij onder delictsomschrijvingen met vaak hoge straffen. Juridisch verschilt hun status dan niet van “normale” verdachten. Als je dergelijke zaken al in het strafrecht wilt beslechten, is het wel goed dat daar aangepaste strafbepalingen voor worden gemaakt. Deze nieuwe strafbepalingen maken de politieambtenaren niet onschendbaar. Er worden slechts aangepaste strafbepalingen en een aangepaste strafuitsluitingsgrond geïntroduceerd. Politieambtenaren moeten zich nog steeds aan de regels houden en kunnen nog steeds worden bestraft indien zij hun bevoegdheden overschrijden.’

 


stelling_knoopsGeert-Jan Knoops (Knoops Advocaten te Amsterdam)

‘Agenten zijn geen gewone verdachten’

‘Ik ben niet eens met deze stelling. Juist het feit dat politieagenten net als militairen professionals zijn, zou ons moeten inscherpen hen niet als gewone verdachten te beschouwen. Veel van onze cliënten die wij op dit gebied bijstaan,  politieagenten en militairen verdacht in kader van schending geweldsinstructies, ervaren een vervolging als zeer belastend en stigmatiserend. Zij voelen zich als “criminelen” neergezet. Dit gaat ten koste van de motivatie van deze personen die voor de samenleving soms hun leven moeten riskeren. Sommige van onze cliënten op dit gebied – als zij mentaal al een vervolging overleven – hebben geen incentive meer om voor de overheid en samenleving te werken en stappen uit het politieambt.
Meerdere van onze cliënten begrijpen niet waarom een verdenking van schending van geweldsinstructies in hun situatie wordt vertaald naar bijvoorbeeld “poging tot doodslag”. Dit verlies aan incentive en vertrouwen in hun werkgever is een onwenselijke ontwikkeling. Het strafrecht in huidige vorm kan dit effect niet wegnemen.
Het voorstel van de minister kan wel bijdragen tot meer realistische juridische benadering van deze problematiek. Bovendien, de positie van een politieagent is niet gelijk aan een gewone verdachte. Daarnaast, ook voor militairen is er een speciaal regime in het leven geroepen op dit gebied. En tenslotte, het gaat niet om onschendbaar maken van een politieagent.’

 


 

stelling_de_swartAlexander de Swart (Advocaat Houthoff Buruma te Amsterdam)

‘Wetsvoorstel bevat oude wijn in nieuwe zakken’

‘In de toelichting op het wetsvoorstel wordt opgemerkt dat het bestaande wettelijk stelsel van strafuitsluitingsgronden reeds voldoende bescherming biedt aan de opsporingsambtenaar die conform de ambtsinstructie heeft gehandeld. De vraag komt dan ook op waarom er een specifieke strafuitsluitingsgrond nodig zou zijn. Aan het wetsvoorstel ligt de emotionele gedachte ten grondslag dat het bezwaarlijk is dat de opsporingsambtenaar een beroep moet doen op de voor één ieder geldende uitsluitingsgronden uit het wetboek van strafrecht. In de praktijk vond in het kader van de wettelijke rechtvaardigingsgrond van het handelen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift (art. 42 Sr.) reeds een toets aan de hand van de politiewet en de ambtsinstructie plaats. De door een strafrechter te verrichten toets verandert de facto dan ook niet indien politiegeweld in rechte moet worden beoordeeld. Het wetsvoorstel leidt bij rechtmatig politieoptreden slechts tot een formele wijziging; in plaats van een ontslag van alle rechtsvervolging op basis van bijvoorbeeld handelen conform wettelijk voorschrift zal in de toekomst een ontslag van alle rechtsvervolging dienen te volgen op basis van de uitsluitingsgrond dat conform de ambtsinstructie is gehandeld. Het wetsvoorstel bevat oude wijn in nieuwe zakken.
Eenzelfde emotie ligt ten grondslag aan de voorgestelde nieuwe strafbaarstelling van de culpoze overtreding van de ambtsinstructie. Het is paradoxaal dat een wetsvoorstel dat dient ter bescherming van de specifieke rechtspositie van opsporingsambtenaren de facto een nieuwe, extra strafbaarstelling introduceert. De gedachte is, zo vermeldt de toelichting, dat het Openbaar Ministerie in voorkomende gevallen voor de nieuwe bepaling kan vervolgen, in plaats van een vervolging voor reguliere commune delicten als mishandeling en doodslag. Op geen enkele wijze is echter uitgesloten dat wordt vervolgd voor dergelijke reguliere misdrijven, sterker nog: de toelichting op het wetsvoorstel laat uitdrukkelijk weten dat er geen afbreuk wordt gedaan aan het opportuniteitsbeginsel op basis waarvan het Openbaar Ministerie kan besluiten te vervolgen voor de voor één ieder geldende commune delicten.
In de praktijk komt het nu reeds voor dat nabestaanden zich op de voet van art. 12 Sv. bij het gerechtshof beklagen over een vervolging voor “slechts” doodslag, aangezien in hun optiek vervolging voor moord diende plaats te vinden. Dergelijke klachten zullen vaker voorkomen, indien het Openbaar Ministerie enkel vervolgt voor overtreding van de ambtsinstructie, temeer nu de maximumstraffen voor de voorgestelde bepaling fors lager liggen dan de straffen gesteld op de reguliere bepalingen uit het wetboek van strafrecht die in tegenstelling tot de voorgestelde bepaling veelal ook het ernstige vergrijp van opzettelijk handelen strafbaar stellen. In voorkomende gevallen legt het Openbaar Ministerie bij dergelijke klachten dan ook maar de zwaardere delicten ten laste, opdat de strafrechter zich ook daarover uit kan laten. Dat, levert als het wetsvoorstel wet wordt, juridisch interessante discussies over samenloop op.
De lagere straffen die op de nieuwe strafbepaling zijn gesteld, lijken wellicht winst voor de politieambtenaar, maar niet moet worden vergeten dat strafrechters zelden in de buurt van de maximale straf komen en vermoedelijk in het geval van een veroordeling voor de voorgestelde bepaling niet tot een wezenlijk andere straf komen ten opzichte van de huidige situatie.
Tenslotte is vermeldenswaardig dat de ambtsinstructie niet voorziet in een strafuitsluitingsgrond in het geval van geweldaanwending geboden ter noodzakelijke verdediging om het eigen vege lijf van de politieambtenaar te redden. Ook in deze gevallen zal derhalve nog altijd een beroep moeten worden gedaan op de reguliere strafuitsluitingsgrond van noodweer(exces).
Grotendeels lijkt het wetsvoorstel een mooi staaltje symboolwetgeving, waarmee wellicht tegemoet wordt gekomen aan de emotie die leeft in de politiewereld. In de praktijk zal de politieambtenaar die meent rechtmatig te hebben gehandeld zich vermoedelijk niet veel beter voelen wanneer hij nog altijd in de rechtszaal moet staan, maar nu met een tenlastelegging die enkel de nieuwe strafbepaling bevat. Het verwijt is daarmee juist specifieker gericht op het handelen van de politieambtenaar aan wie immers wordt verweten in strijd met de ambtsinstructie te hebben gehandeld.’

De Stelling: Vluchtenlingencrisis verzwaard door verdragen?

De vluchtelingenproblematiek beheerst al tijden het nieuws en de politiek.  Zeker de inwoners van plaatsen die te maken krijgen met de komst van een asielzoekerscentrum laten hun stem steeds harder horen. Discussies over de opvang van vluchtelingen worden heftiger. Europese en internationale verplichtingen schuren soms met de door de politiek gewenste koers en leiden tot spanningen in de samenleving. Tijd om de internationale verdragen te herzien?

Tekst: Tomasz Kodrzycki en Benjamin Bijl


De stelling van deze editie luidt:

‘Internationale verplichtingen staan een effectieve aanpak van de vluchtelingencrisis in de weg. Nederland moet onderhandelen om deze aan te passen, of anders de verdragen en verordeningen waar deze verplichtingen uit voortvloeien respectievelijk opzeggen of naast zich neerleggen’.


Zo bepaalt de Dublin Verordening dat de Staat waar de vluchteling zich meldt de verantwoording heeft voor een humane opvang. Daarnaast bepaalt de Schengencode dat er open binnengrenzen zijn: binnen is binnen, zou je kunnen stellen. En het is in beginsel ook dat land van binnenkomst dat zich over een eventueel asielverzoek moet ontfermen. Een vluchteling voor wie in het land van herkomst gegronde vrees voor vervolging bestaat, mag niet worden teruggestuurd, aldus het Vluchtelingenverdrag en ook het EVRM. Met name dat laatste beginsel, dat de lidstaat van binnenkomst eindverantwoording draagt, staat nu onder druk in het licht van de grote stromen asielzoekers richting met name Noordelijk Europa. Moeten asielzoekers eerlijker worden verdeeld over Europa? En op welk moment, bij binnenkomst in de EU of pas als zij ook daadwerkelijk asiel krijgen?
Hongarije – maar ook andere EU-lidstaten – heeft in recente tijden een hek om zijn grenzen gebouwd, in een poging de instroom te verminderen. Alle asielzoekers daar zijn toch maar op ‘doorreis’ noordwaarts, lijkt de overweging. Wat moet Nederland doen? De meeste vluchtelingen komen niet als eerste aan in Nederland, maar gelet op de (perceptie van) noodzaak van solidariteit tussen de lidstaten wordt er wel een eerlijke(re) verdeling van de vluchtelingen nagestreefd. Of vinden we het juist wel prima dat de bottleneck zich in Griekenland, Italië en de Balkan bevindt?
Reflecteert het juridisch kader nog wel de werkelijkheid? Hadden de opstellers van de verdragen en EU-wetgeving wel voorzien in migratiestromen van dergelijke omvang? Kortom, wordt het niet tijd om de internationale en Europese afspraken te herdenken en herzien? Of misschien zelfs wel deels naast ons neer te leggen? Moet Nederland niet misschien ook gewoon een hek bouwen?


Wil_Eikelboom

Wil Eikelboom (Advocaat immigratierecht, Prakken d’Oliveira Advocaten te Amsterdam)

‘Dublinverordening leidt tot overbelasting’

‘De vraag, wat een “effectieve aanpak van de vluchtelingencrisis” is, is vooral een politieke. Sommigen zullen vinden dat dit betekent: “zoveel mogelijk vluchtelingen buiten ons land houden”, anderen juist “zoveel mogelijk mensen veiligheid bieden”.
Maar wat ook je uiteindelijke doelstelling is: feit is dat we gebonden zijn aan internationale afspraken die we hebben gemaakt, in Europees, bilateraal of multilateraal verband. Sommige daarvan zijn fundamenteler dan andere. De Dublinverordening leidt tot een overbelasting van de landen aan de buitengrenzen van de Unie. Het is dus niet gek dat wordt nagedacht over een ander verdeelmechanisme. Maar andere verdragen zijn fundamenteler. Het Vluchtelingenverdrag en het EVRM waarborgen rechten waaraan je niet zou moeten tornen. Ook niet in tijden van crisis. Sterker: juist in tijden van crisis bewijzen deze verdragen hun grootste nut.’


barbara_wegelin

Barbara Wegelin (Advocaat immigratierecht, Everaert Advocaten te Amsterdam)

‘Obsolete wetgeving loslaten’

‘Internationale verplichtingen zijn niet de eerste hobbel op de weg voor een effectieve aanpak van de vluchtelingencrisis. De eerste hobbel op de weg is het feit dat lidstaten weigeren om de komst en opname van vluchtelingen als een gezamenlijke Europese uitdaging te zien. Iedere lidstaat duwt vluchtelingen het liefst bij de buren door de strot. Pas als lidstaten ophouden met deze onproductieve not in my backyard-opstelling en, zoals de Europese Commissie opperde, vluchtelingen via een verdeelsleutel eerlijk verdeeld kunnen worden over alle lidstaten, met inachtneming van bevolkingsdichtheid, bruto nationaal product en aantallen al opgevangen vluchtelingen, is er de ruimte om wetgeving die dan obsoleet is (zoals de Dublin verordening) gezamenlijk los te laten.’


Egbert_Myjer

Egbert Myjer (oud-rechter EHRM)

‘Waarborgen tegen asielhoppen handhaven’

‘Internationaal hebben we de verplichting om non-nationals die voor hun lijf of leden hebben te vrezen als ze worden teruggestuurd naar hun land van herkomst, enige vorm van opvang te bieden. Zelfs als dat niet in internationale verdragen zou staan, zouden we die verplichting hebben tegenover die medemensen. Complicerende factor is dat grote aantallen asielzoekers tegenwoordig niet direct zijn komen reizen uit hun land van herkomst, maar vaak al tijden hebben verbleven in vluchtelingenkampen in andere landen waar de opvang niet beantwoordt aan minimale opvangnormen binnen de EU. Vaak zullen zij, eenmaal aangekomen binnen de EU, in redelijkheid ook niet meer kunnen terugkeren naar die vluchtelingenkampen.
De vraag of de gestelde vrees gerechtvaardigd is kan in de regel pas na een serieus en grondig onderzoek worden beantwoord.
Afspraken binnen de EU om te voorkomen dat een uitgeprocedeerde asielzoeker het allemaal nog eens in een ander EU-land gaat proberen (Dublin), zijn van groot belang. Wel dienen er voldoende waarborgen te zijn dat de onderzoeken naar en de beslissing naar aanleiding van de gestelde vrees aan kwaliteitsnormen voldoet. Ook zal, hangende de afhandeling van het asielverzoek, gezorgd moeten worden voor adequate huisvesting en verstrekking van minimum levensbehoeften (bed, bad en brood).
Met de huidige invasies van vluchtelingen binnen het grondgebied van de EU, is het niet langer doenlijk alle last (eerste opvang, onderzoek/procedure, eventueel asiel) te schuiven op de landen waar de vluchtelingen het eerste aankomen. Ook past het niet dat sommige landen van de EU nu maar alleen als transitland willen functioneren. Het is evident dat met die huidige aantallen vluchtelingen binnen de EU alleen kan worden gewerkt als sprake is van duidelijke afspraken zoals via een vorm van contingentering van de last (eerste opvang, onderzoek/procedure, eventueel asiel), waarbij ook sprake is een eerlijke verdeling tussen de EU-landen. Maar zelfs dan zal moeten gelden dat waarborgen tegen asielhoppen gehandhaafd blijven. Dat alles laat onverlet dat toegelaten asielzoekers hun recht om in een EU-land te blijven kunnen verliezen als de initiële vrees niet langer bestaat.’


Sadia_Rafi

Sadhia Rafi (senior consulent asiel VluchtelingenWerk Nederland)

‘Onmenselijke behandeling dreigt’

‘De aantallen mogen in het asielrecht nooit een reden zijn om internationale instrumenten op te zeggen. Het Vluchtelingenverdrag is juist geschreven indachtig het grote aantal vluchtelingen ontstaan door de Tweede Wereldoorlog. Dit verdrag is nog steeds een solide hoeksteen voor vluchtelingenbescherming wereldwijd. Een effectieve aanpak betekent daadwerkelijke bescherming voor wie dat nodig hebben, en een eerlijke verdeling onder de landen. Van de aanvullende verplichtingen die Europese lidstaten onderling zijn aangegaan vormt alleen de Dublinverordening daarvoor een belemmering. Op deze verordening levert VluchtelingenWerk Nederland al jarenlang kritiek. Dit is niet ingegeven door de huidige situatie. Het uitgangspunt dat een asielzoeker de procedure moet doorlopen in de lidstaat waar hij voor het eerst voet aan land zet, is oneerlijk en onhoudbaar. Dat is al jaren een feit en wordt door de huidige aantallen zichtbaarder. De veelal armere lidstaten waar de meeste asielzoekers binnenkomen kunnen of willen de vereiste waarborgen niet bieden waardoor een onmenselijke behandeling dreigt. Naar Griekenland mag niemand worden overgedragen.  Voor Hongarije dreigt hetzelfde. Deze verordening moet derhalve op de schop. Nederland zou daarin de leiding moeten nemen en daarbij moeten aandringen op een betere naleving door alle lidstaten van de internationale en Europese verplichtingen.


 

De stelling: Alternatieven voor uren x tarief

Door de toenemende concurrentie in de advocatuur en omdat cliënten mondiger en kritischer zijn verliest het declareren op uurbasis terrein ten koste van andere declaratiemethoden. Te denken valt aan vaste prijsafspraken en abonnementsvormen. Maar zijn deze alternatieven wel ideaal?

Tekst: Tessa Bakker en Yvette Kouwenberg

De stelling in deze editie van het ABB luidt:


‘Uren x tarief is zowel voor de advocaat als de cliënt de meest aantrekkelijke declaratiemethode, mits de advocaat de cliënt goed en tijdig informeert over de kosten’.


‘Eigen manier van werken onder de loep nemen’

Rubriek de stellingMicheline Dion – GMS Advocaten (De Grave De Mönnink Spliet Advocaten)

‘Het klassieke “uurtje-factuurtje” is op zich een zeer transparante manier van declareren, mits de advocaat zijn werkzaamheden inderdaad goed inzichtelijk maakt en de cliënt regelmatig informeert over de stand van de kosten. Door toenemende concurrentie, economische crisis en kritischer cliënten wordt de advocatuur echter gedwongen de eigen manier van werken en declareren onder de loep te nemen. Mijn ervaring is dat cliënten de laatste jaren de relatie met de advocaat steeds meer als een zakelijke, commerciële relatie benaderen, waarbij onderhandelingen over de declaratiemethode een vast onderdeel zijn geworden. Cliënten willen soms dat de advocaat ook een deel van het risico draagt, en daar past uurtje-factuurtje niet altijd bij. Op elke manier van declareren valt wel iets af te dingen. Ik denk dat belangrijk is dat de advocaat goed luistert naar de wensen en behoeften van de cliënt en aan de hand daarvan probeert tot een passende afspraak te komen. Op die manier wordt echt maatwerk geleverd. Dat kan in sommige gevallen nog steeds uurtje-factuurtje zijn, maar zal vaak ook een creatieve oplossing van de advocaat vergen, waarbij er bijvoorbeeld een gedeeld kostenrisico is, een abonnement of strippenkaart voor bepaald soortige handelingen, een fixed fee, etc. Op die manier investeert de advocaat ook in een langdurige en bestendige relatie met de cliënt en wordt hij veel meer een business partner dan de traditionele advocaat die buiten het bedrijf van de cliënt staat.’


 ‘Cliënten vragen om alternatieven’

Rubriek de stellingAnnika Blanke – Palthe Oberman Advocaten

‘Niet mee eens. Het uitbreiden van alternatieven is in essentie geen verslechtering. Ook niet als het gaat om het aanbieden van verschillende of nieuwe vormen van declaratiemethoden. Onze cliënten (zowel “Nederlandse” als internationale cliënten) vragen ook om alternatieven voor het gebruikelijke “uurtje factuurtje”. Ik betwijfel echter of de aanleiding hiervoor de toenemende concurrentie is. Vaker willen cliënten simpelweg op voorhand weten waar ze aan toe zijn en is heldere communicatie en adequaat verwachtingsmanagement (los van de gekozen declaratievorm) de vraag vanuit de cliënt. Uiteindelijk zal per declaratiemethode altijd heldere (goede en tijdige) communicatie moeten plaatsvinden.

En daarbij kan dan ook per zaak of vraag iedere denkbare declaratievorm voor advocaat én cliënt gelden als “de meest aantrekkelijke declaratiemethode”. De ervaring leert dat bepaalde vragen op voorhand qua te besteden tijd goed zijn in te schatten, hetzelfde geldt voor het voeren van bepaalde procedures. Daar waar een inschatting op voorhand niet of lastiger mogelijk is kan het “standaard” uren x tarief eerder geboden zijn. Uiteindelijk gaat het om het bieden van de best mogelijke oplossing per vraag of zaak waar onze cliënten tevreden mee zijn. Onze cliënten zijn wellicht niet de kenners van het recht, zij weten vaak wel wat een redelijke declaratie is voor de beantwoording van hun vraag.’


‘Vraag naar andere betalingsmodellen neemt toe’

Rubriek de stellingJordi Rosendahl – Lexence N.V. advocaten & notarissen

‘De vraag naar andere betalingsmodellen neemt toe en vormt een uitdaging voor de advocatuur. Andere betalingsmodellen kunnen de cliënt meer zekerheid bieden over de kosten van een dossier. Daardoor zijn de kosten intern beter te verantwoorden en te begroten. Of de cliënt ook daadwerkelijk goedkoper uit is en of deze betalingsmodellen de kwaliteit van de dienstverlening ten goede komen betwijfel ik. Naar mijn mening zijn eventuele bezwaren tegen het model uurtje factuurtje bovendien op te vangen door heldere afspraken te maken en goed te communiceren. De advocaat in kwestie blijft bovendien onafhankelijk. In die zin ben ik het dan ook eens met de stelling.’


‘Vertrouwen is het kernwoord’

1509_stelling_martijn_burgersMartijn Burgers – Pact advocaten

‘Ik ben het eens met deze stelling. Werken op uurbasis (met urenverantwoording) is juist ingevoerd om helderheid te geven over en inzicht te geven in de kosten voor rechtsbijstand. Ik merk in de praktijk weinig dat cliënten interesse hebben voor een vaste prijsafspraak, abonnement of een andere flexibele beloningsvorm. Gebeurt het wel, dan is dat in de regel voor eenmalig werk, grote projecten of aan het begin van een cliëntrelatie. Vertrouwen is daarbij het kernwoord. Als een cliënt, door ervaring of verwijzing, het vertrouwen heeft dat zijn advocaat redelijke tijd besteedt aan zijn dossier en uit de voeten kan met hetgeen is geadviseerd of opgeleverd, dan is de declaratie ook akkoord. Als een advocaat daarentegen ongevraagd werk doet, onnodig of zonder overleg kantoorgenoten inschakelt, of niet met een snelle en praktische oplossing komt, zal de rekening voor zijn werk in de regel als te hoog worden ervaren.

Als dienstverlener dien je naast een (kosten)transparante werkwijze ook een (kosten)efficiënte werkwijze te hebben. Zowel ons kantoor als onze werkwijze is kostenefficiënt opgezet. Door vrijwel volledig digitaal te werken, is praktijkondersteuning door een secretaresse nauwelijks nodig. Hierdoor kunnen wij kwalitatief hoogwaardige diensten tegen scherpe tarieven aanbieden, zonder toe te leggen op ons uurtarief. Wij brengen geen kantoorkosten in rekening en declareren geen ondergeschikte werkzaamheden, zoals tijd voor het opstellen en doorzenden van allerlei correspondentie. Daar kun je echt niet (meer) mee aankomen. Het uurtarief op zich kan wel een punt zijn, maar aan het einde van het jaar zal de rekensom van een cliënt in negen van de tien gevallen toch zijn: wat heeft mijn advocaat mij het afgelopen jaar gekost en vond ik het dat waard?’


‘Actief in dialoog met cliënten’

1509_stelling_cara_pronkCara Pronk – advocaat Van Doorne.

‘Niet eens. Pricing is maatwerk. De tijd waarin uren x tarief voor zowel de cliënt als de advocaat in alle gevallen de meest aantrekkelijke declaratiemethode is, is wat Van Doorne betreft voorbij. In de praktijk zien wij een toenemende vraag van cliënten naar alternatieve prijsstructuren waarbij de belangrijkste onderliggende drivers waardecreatie en risicobeheersing zijn. Die zijn bij uren x tarief niet altijd geborgd. Wij gaan actief in dialoog met cliënten om te bepalen wat voor hun belangrijk is en op basis daarvan leggen we verschillende prijsstructuren voor. Cliënten reageren hier zeer positief op.’


 

De stelling: Advocaten vervangen door computers?

Computers worden zo snel slimmer dat ze, zodra ze in staat zullen zijn zichzelf op eigen kracht te verbeteren, ‘in de niet al te verre toekomst een reëel gevaar vormen’. ‘De ontwikkeling van volledige kunstmatige intelligentie kan het einde van het menselijk ras inluiden’. Deze opbeurende woorden komen van de vermaarde Britse kosmoloog Stephen Hawking. Lees verder De stelling: Advocaten vervangen door computers?