31 december 2025 was de datum waarop Germ Kemper, oud-deken van de AOvA, zich liet uitschrijven bij de balie. Hiermee kwam een einde aan een periode van vijftig jaar, waarin Kemper als advocaat in Amsterdam actief was. Dat is opmerkelijk, want het scheelde niet veel of Kemper was nooit rechten gaan studeren. Zelfs na zijn beëdiging in 1975 overwoog hij na enkele jaren een totaal andere carrière. Maar zo ver kwam het niet en wat volgde was een boeiende loopbaan waarin Kemper een van de bekendste namen in juridisch Amsterdam werd. En als lopende draad door al die jaren heen, heeft de naam van Kemper, al dan niet onder pseudoniem, onder tal van artikelen en columns in tijdschriften en kranten gestaan.
Tekst: Martin van Duijn
Foto’s: Cock Koelewijn
Liefde voor de taal was de reden dat de jonge Germ eigenlijk liever Nederlands wilde studeren. Maar zijn moeder vroeg hem of hij zich realiseerde dat je dan later hoogstwaarschijnlijk voor de klas zou komen te staan. Dat leek hem niet zo’n beste optie, en hij volgde het advies om rechten te gaan doen. Maar dan wel in Groningen. “Als 18-jarige wilde ik zo ver mogelijk bij mijn ouders vandaan”, lacht de Amsterdammer. Dat zijn vader officier van justitie was, had verder niets met de studiekeuze te maken. “Hij zei thuis niets over zijn werk”, vertelt Kemper terugkijkend. Na zijn studie keerde Kemper terug naar zijn Amsterdamse roots. “Een broer van een goede vriend regelde dat ik mijn stage bij Stibbe kon doen.” Daar bleef Kemper uiteindelijk vier jaar. “Fijne collega’s, wat dat betreft was er niks aan de hand. Maar met 35 advocaten vond ik het een te groot kantoor, waar de focus naar mijn gevoel toch teveel op het verdienen van geld lag.”
Journalistiek, of toch niet?
Het was voor Kemper de reden om in 1979 de advocatuur vaarwel te willen zeggen en zijn liefde voor de taal weer op te pakken. “Ik solliciteerde bij Vrij Nederland, maar daar werd mij geadviseerd dat mijn kwaliteiten waarschijnlijk toch beter in de advocatuur tot hun recht zouden komen. Daar hadden ze wel in gelijk”, aldus Kemper. “Want in de journalistiek zou ik waarschijnlijk niks geworden zijn. Toen het een paar jaar geleden bij ons in de straat gonsde van de geruchten dat Dušan Tadić, die toen voor Ajax speelde, vlak bij ons was komen wonen, en er voor een van de huizen steeds een auto stond die je bij zo’n voetballer zou verwachten, wilde ik hem graag eens zien. Mijn vrouw had de oplossing. ‘Dan kijk je toch even bij de brievenbus of hij daar woont?’ Kijk, zelfs dat durfde ik nou weer niet. Als journalist zou je daar toch geen problemen mee gehad moeten hebben.”
Nadat de hoop op een journalistieke loopbaan was verdampt, ging Kemper aanvankelijk als eenpitter werken, maar trad in 1980 toe tot het kantoor Bouman Hőcker & Kemper, dat na fusies en wijzigingen uiteindelijk Hőcker Rueb & Doeleman werd. Na 17 jaar partner te zijn geweest besloot Kemper in 2002 om weer in zijn eentje aan de slag te gaan, omdat het kantoor met 40 advocaten al groter was dan Stibbe in 1979.
Zijn contacten met Vrij Nederland leidden ertoe, dat Kemper zich in zijn praktijk specialiseerde in media- en auteursrecht. Het gesprek bij Vrij Nederland betekende ook dat hij als columnist over juridische onderwerpen zijn bijdragen mocht leveren. Er volgden nog meer redactionele functies, zoals hoofdredacteur van Mediaforum en sportcolumnist bij Trouw. Dat laatste was Kemper, een fervent sportliefhebber, op het lijf geschreven. “Tennis, golf, schaatsen, voetbal, ik had een brede belangstelling. Schrijven bleek ook een schitterende uitlaatklep om naast mijn juridische werkzaamheden iets anders te doen.”
Jaren van verandering
In 1984 werd Kemper gevraagd om toe te treden tot de toen nieuwe Raad van Toezicht van de Amsterdamse Orde. Later vervulde hij functies in commissies van de Nederlandse Orde op het gebied van het tuchtrecht. “Het waren jaren waarin ethiek een steeds belangrijker punt van aandacht in de advocatuur werd.” Veranderingen waarmee Kemper ook te maken kreeg nadat hij in 2007 werd gevraagd om deken te worden van de Amsterdamse Orde. “Het waren jaren van veranderingen in de cultuur van de organisatie en het toezicht, en we kregen ook te maken met het landelijke Dekenberaad. Maar ook jaren waarin je advocaten met individuele problemen kon adviseren, bijvoorbeeld hoe te handelen bij bedreiging. Ik kan met tevredenheid op veel verschillende dossiers terugkijken.” De Amsterdamse Orde maakte in die tijd een sterke groei door. “Ik kan me nog herinneren dat er bij de Amsterdamse balie zo’n 600 advocaten stonden ingeschreven, en er landelijk ongeveer 3.500 advocaten waren. Een kleine Orde heeft natuurlijk zijn nadelen, maar aan de andere kant ook voordelen. Je kent veel advocaten en je kunt ze makkelijker benaderen. Nu is de balie vele malen groter (circa 7.000, red.), waarbij veel advocaten zich bovendien alleen maar met één specialisme bezig houden en zodoende alleen binnen hun eigen vakgebied rondlopen. Dat komt de cohesie niet ten goede.”
Terugkijkend op de tijd dat Kemper deken was, ontkom je niet aan één bepaald onderwerp. “Ja ik weet het, Moszkowicz…”, lacht Kemper. “Mijn naam zal de rest van mijn leven aan zijn naam worden gekoppeld. ‘Ben jij niet de man die Bram Moszkowicz voor de Raad van Discipline riep?'” Kemper meende aanvankelijk dat het zou volstaan om Moszkowicz tijdelijk en niet permanent te schorsen, zoals uiteindelijk gebeurde. “Dat was verkeerd. Ik had alleen het dekenbezwaar op het netvlies, maar aansluitend werden klachten van vijf individuele klagers behandeld die natuurlijk mee moesten wegen.”
Media
De affaire Moszkowicz werd natuurlijk ook in de media breed uitgemeten. Aan zijn eigen mediaoptredens heeft Kemper niet altijd de beste herinneringen. “Ik werd gevraagd mee te werken aan een uitzending van Zembla over vechtscheidingen. Ik heb toen tweeënhalf uur lang vragen beantwoord, waarbij diverse keren dezelfde bepaalde vraag voorbij kwam. Of het door de montage kwam weet ik niet, maar het antwoord op die vraag kwam in de uitzending totaal anders over dan ik had bedoeld. Ik was woedend. En later ben ik als voormalig lid van Vindicat eens gevraagd naar een reactie op de misstanden binnen die vereniging. In de uitzending leek het alsof ik het allemaal zo erg niet vond, terwijl ik overduidelijk mijn afkeuring had uitgesproken. Ik besloot toen dat ik nooit meer voor televisie zou verschijnen, als het geen live-uitzending zou zijn, zodat mijn woorden in de montage geen andere betekenis zouden kunnen krijgen. Maar ja, niet dat ik tegenwoordig nog wordt gevraagd hoor.”
Stokje overgedragen
In 2013 droeg Kemper het stokje over aan de nieuwe deken Pieter van Regteren Altena. Wat volgde waren jaren waarin Kemper onder meer actief was bij diverse bestuurlijke organisaties, zoals het Commissariaat voor de Media, als adviseur en coach op het gebied van ethische en tuchtrechtelijke kwesties en als docent bij de Law Firm School. Daarnaast schrijft Kemper nog steeds, onder meer voor het blad Argus en voor het Tijdschrift Tuchtrecht.
De wortels van het vak
Terugkijkend wil Kemper jongere advocaten een advies meegeven. “Voel je verplicht om na te denken wat je doet en waarom je dat doet. Hoe je iets ethisch kunt verantwoorden. Het kan geen kwaad om af en toe aan de wortels van het vak te worden herinnerd.” Aan Kemper hoeft tot slot niet de vraag worden gesteld wat hij vindt van een pensioenleeftijd voor advocaten. Maar eind vorig jaar vond hij het toch tijd om na 50 jaar een punt te zetten achter de inschrijving aan de Amsterdamse balie. “Het begon wel een beetje te knagen naarmate de datum van 31 december naderde, maar het is goed zo. Ik merkte dat het moeilijk zou worden om aan de opleidingsverplichtingen te voldoen. De scherpte wordt toch iets minder.”
En wat nu voor Germ Kemper?
“Veel verschil met vorig jaar zal er niet zijn. Juridisch advies kan ik altijd geven, ik blijf schrijven, en bij de Law Firm School wilden ze er niet over horen dat ik bij hen zou stoppen. Dus dat gaat door.” En verder, zelfs als Germ Kemper niets te doen zou hebben, dan is er dat prachtige uitzicht dat zijn vrouw en hij vanuit hun Amsterdamse appartement hebben over het IJ. “Kijk, daar gaat een politieboot”, onderbreekt hij op een bepaald moment het gesprek. “Met Sail zaten wij hier op de eerste rang. Het was schitterend. We hadden hier zeker veertig mensen uitgenodigd. Wat is dit een mooie plek.”

