René de Beukelaer over de rol van het OM in de preventie van criminaliteit

‘De problematiek en dynamiek van Amsterdam passen bij mij’

 

 

René de Beukelaer is op 15 augustus benoemd tot hoofdofficier van justitie van het Arrondissementsparket Amsterdam. In 1992 is hij begonnen bij het Openbaar Ministerie als parketsecretaris. In 1994 begonnen aan de RAIO, daarna in 1999 begonnen als (zaaks)officier. Hoewel geen bewuste keuze, merkte hij al snel dat leidinggeven en samenwerken hem goed afgaan. Na verschillende jaren als (zaaks)officier te hebben gewerkt, werd hij in 2010 plaatsvervangend hoofdofficier van het parket Den Bosch (na herziening van de gerechtelijke kaart: Oost-Brabant) en in 2014 plaatsvervangend hoofdofficier van Rotterdam. De afgelopen twee jaar was De Beukelaer waarnemend hoofdofficier van Rotterdam.  

Tekst: Maureen Hovens en Mayk Koria

 

We zijn uitgenodigd in het gebouw van het Openbaar Ministerie aan het IJdok en we worden ontvangen op de elfde verdieping met een fantastisch uitzicht over het IJ. Er worden geen handen geschud en we zitten – geheel coronaproof – op afstand. De Beukelaer haalt zelf onze koffie al grappen makend over goed leiderschap.

Amsterdam
Met welke verschillen tussen Rotterdam en Amsterdam heeft u als hoofdofficier van justitie te maken?
‘Op beide parketten zijn er mensen die mijn overstap van Rotterdam naar Amsterdam vreemd vinden. Ik ben daar niet één van. Het zijn beide wereldsteden, waarvan één zelfs een erg goede voetbalclub heeft’, aldus De Beukelaer. Hij laat in het midden of hij op Ajax of op Feyenoord doelt, maar later in het interview bespeuren we toch een hint met betrekking tot welke voetbalclub zijn voorkeur geniet. De Beukelaer vervolgt: ‘De problematiek is deels hetzelfde, maar op sommige vlakken ook wezenlijk anders. Als je kijkt naar de harde kant van de criminaliteit, dan zit je in Rotterdam met de haven, waar de criminaliteit heel sterk aanwezig is. Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat in Rotterdam veel meer het logistieke proces van de criminaliteit en dan met name de drugsinvoer zit. In Amsterdam zit veel meer het intellect, de denkprocessen achter de drugsinvoer en criminaliteit. Wat betreft leefbaarheid zijn het steden met (vrijwel) identieke problematiek. Amsterdam heeft wel veel meer toerisme dan Rotterdam.’ Al merkt De Beukelaer met een goed gevoel voor ironie op dat het toerisme sinds zijn komst sterk is afgenomen. ‘Amsterdam is meer een brandpunt dan Rotterdam, dit komt omdat de politiek en media in Amsterdam beter zijn vertegenwoordigd dan in Rotterdam. De problematiek en dynamiek van Amsterdam passen bij mij en dat maakt Amsterdam een fijne werkplek.’ Hoewel er dus wel wat externe verschillen zijn, zijn er weinig verschillen tussen de parketten zelf vertelt De Beukelaer. ‘De parketten van het OM zijn allemaal op dezelfde wijze ingericht om de criminaliteit een slag toe te brengen. Daarnaast heeft het OM veel te maken met ketenpartners, waardoor het een bredere tak van sport is geworden.’ Veel mensen denken dat het OM alleen van het opsporen en vervolgen is, maar, zo zegt De Beukelaer, het OM heeft ook een belangrijk aandeel in de preventie van criminaliteit. ‘Ook de aandacht voor slachtoffers is enorm gegroeid. Slachtofferzorg neemt nu een wezenlijke plaats in bij de werkzaamheden van het OM.’

Van parketsecretaris naar hoofdofficier
‘Ik ben begonnen als parketsecretaris, dat is de rechterhand van de officier van justitie, en toen heb ik in 1999 de RAIO-opleiding (rechterlijk ambtenaar in opleiding, red.) gevolgd. Met die opleiding kun je rechter of officier van justitie worden. Ik heb er nooit aan gedacht om rechter te worden, want ik wist dat ik officier van justitie wilde worden. Binnen het OM heb je dan een breed scala aan mogelijkheden en na een aantal jaren te hebben gewerkt als officier van justitie – ik was inmiddels gepokt en gemazeld in strafzaken – heb ik besloten om teamleider te worden. Als teamleider begeleid je officieren en secretarissen in onderzoeken. Ik wist toen nog niet of ik leidinggeven wel leuk vond. Toen ben ik terechtgekomen in de parketleiding van het arrondissement Den Bosch en dat beviel me ook heel goed.’
‘Ik geef leiding aan hoogwaardige professionals waarvan ik vind dat je die goed moet faciliteren. Daartegenover staat dat ik van mijn medewerkers verwacht dat zij mij goed informeren. Ik moet namelijk zowel het College van procureurs-generaal als de minister van Justitie en Veiligheid op de hoogte houden. Ik vind dat je als hoofdofficier met name een hitteschild moet zijn voor de professionals die voor je werken, zodat zij in staat worden gesteld om in relatieve rust onderzoeken te doen.’

 

‘Wij zijn magistraten, wat inhoudt dat we de wet moeten volgen,
de wet moeten toepassen en verantwoording moeten afleggen in de rechtszaal’

                 

Spannend boek
Waarom wilde u geen advocaat of rechter worden?
‘Officier zijn is als een rol spelen in een spannend boek. Je bent letterlijk op de plaats delict. Je bent ter plaatse en je start samen met de politie je onderzoek. Het is echt een adrenaline-beroep. Je komt een hoop ellende tegen, maar je kunt er ook veel mee bereiken. Het kan heel troostrijk zijn voor benadeelden indien wij de dader vinden. Ik hecht veel belang aan de rechtsstaat en ik vind het belangrijk dat wij dat als overheid doen. Ik denk dat ik niet geschikt zou zijn als advocaat. Ik hou van het beroep officier van justitie en van alle hectiek die daarbij komt kijken. Die hectiek vind ik niet als rechter, omdat rechters vaak toch meer van een afstand naar een zaak kijken. De hectiek die bij de advocatuur komt kijken, past mij ook minder. Ik sta liever aan de kant van het OM, dan aan de kant van een verdachte. Ik vind het wel heel belangrijk dat er goede advocatuur is in een land, daar kun je immers ook de beschaving van een land aan aflezen. Ik ben een warm pleitbezorger van goede advocatuur.

Als officier kun je midden in de nacht uit bed worden gebeld als er een misdaad is gepleegd. Je bent regelmatig om 3 uur ’s nachts op pad en staat om 9 uur ’s ochtends weer paraat op het parket of bij een zitting. Het werk is heel divers en past nooit. Dat vind ik het leuke aan het werk van een officier van justitie: je weet nooit hoe je dag verloopt. Tegelijkertijd zeg ik daar altijd bij dat de minder leuke kant is dat je nooit weet hoe je dag verloopt.

Als hoofdofficier heb ik een andere verantwoordelijkheid dan een zaaksofficier. Ik spar wel mee in zaken. Als iets bijvoorbeeld afbreukgevoelig is, dan praten we daarover maar ieder vanuit zijn/haar eigen expertise en dat is als hoofdofficier een andere expertise dan die van de zaaksofficier. Het werkt wel mee dat ik zelf zaaksofficier ben geweest, maar ik zal nooit zeggen wat een zaaksofficier moet doen.’

 

‘Alleen in een gezond lichaam met een gezonde geest kun je dit werk doen, want het vraagt veel van je’

 

Work-life balance
De Beukelaer vindt de loyaliteit van de OM’ers soms veel te groot. ‘Nu in corona-tijd werken veel mensen thuis, maar wij merken dat bij veel mensen de scheidslijn tussen werken en vrije tijd vervaagt. Wanneer ben je nog aan het werk en wanneer stopt het? Dit is iets waarin ook wij naar moeten kijken, want het werk stopt nooit. We hebben daar serieuze gesprekken over en eens in de zoveel tijd hebben we gesprekken met de officieren van justitie over hoe zij in hun vel zitten, hoe het is gesteld met de balans tussen werk en privé, wat het thuisfront vindt, et cetera. Vroeger keken we daar niet naar, maar daar zijn wij als OM ook steeds meer mee bezig. Alleen in een gezond lichaam met een gezonde geest kun je dit werk doen, want het vraagt veel van je. Het werk is ook verslavend en de rol van een leidinggevende is dan ook om af en toe op de rem te trappen.’

Preventief fouilleren
De Beukelaer herhaalt tijdens het gesprek meermaals dat het OM meer is dan een organisatie die slechts aan opsporing doet. Het OM denkt ook mee met de lokale overheden hoe de criminaliteit kan worden ingedamd. Toen hij waarnemend hoofdofficier van justitie Rotterdam was, werd er in Rotterdam preventief gefouilleerd in zogenoemde veiligheidsrisicogebieden. Dat was overigens een wezenlijk onderdeel van een heel pallet aan maatregelen. Wij zijn benieuwd of in Amsterdam ook preventief gefouilleerd gaat worden? ‘Het is momenteel onderwerp van discussie. Er zitten meerdere kanten aan. We moeten uitkijken dat het niet stigmatiserend werkt, maar het kan ook het veiligheidsgevoel onder burgers vergroten.

Ik vond het wel schokkend hoeveel wapens wij bij fouilleeracties in Rotterdam zijn tegengekomen. Ik heb ook wel eens gezegd, sommige mensen nemen net zo makkelijk een wapen mee, als ik een telefoon. We moeten niet naïef zijn. We moeten met elkaar kijken of dit instrument ook in Amsterdam als hulpmiddel kan worden ingezet om de leefbaarheid te vergroten en de criminaliteit te verminderen. Dit is niet de taak van de hoofdofficier alleen, het betreft een driehoeksbevoegdheid (op regionaal vlak is dit de bevoegdheid van de burgemeester, korpschef en hoofdofficier van justitie gezamenlijk, red.). Nadat het overleg met de driehoek heeft plaatsgevonden, wijst de burgemeester een veiligheidsrisicogebied aan en geeft de hoofdofficier een bevel om voor bijvoorbeeld een aaneengesloten periode van maximaal twaalf uur te fouilleren in het betreffende veiligheidsrisicogebied. Fouilleren is en blijft een ingrijpend middel, waar je normaliter op zijn minst een verdenking voor nodig hebt. Ik vind wel dat je als OM moet kunnen aantonen dat je er actief met problematiek zoals wapenbezit bezig bent. Vroeger zou het OM op dit vlak solistisch opereren, tegenwoordig werken wij altijd in samenspraak met andere partners.’

 

‘Sommige mensen nemen net zo makkelijk een wapen mee, als ik een telefoon’

 

Jonge criminelen
Er komt steeds meer nadruk te liggen op preventie. Hoe men kan voorkomen dat jongeren betrokken raken in de criminaliteit?
‘Er is nét een boek uit dat te maken heeft met dit onderwerp. Het heet “Tieners achter tralies” van de hand van Maarten van Dun en Paul Vugts. Op verzoek van de Mr Eva Meillo stichting (vernoemd naar Eva Meillo, wijlen officier van justitie, red.) en het Openbaar Ministerie wordt dit boek beschikbaar gesteld aan docenten maatschappijleer om zo leerlingen van de bovenbouw van de middelbare school te informeren over de verschillende vormen van criminaliteit en te voorkomen dat leerlingen in de criminaliteit raken. Een carrière in de criminaliteit kan al vroeg beginnen en het boek geeft een realistisch beeld van hoe een crimineel leven eruitziet. Het doel is discussie op gang te brengen en te voeren. Het onderwerp bespreekbaar maken in de klas, in plaats van met de vinger te wijzen en te zeggen: “dit mag je niet doen”. Het zou fijn zijn als hierdoor in de klas een gesprek op gang wordt gebracht en jongeren laat nadenken over keuzes die ze kunnen maken. Het is een moeilijke weg, het gaat over school, ouders, de wijk, en het is een weg van een heel lange adem.’ Het boek is (gratis) te raadplegen via https://www.tienersachtertralies.nl/.

De Beukelaer vervolgt: ‘In de rapscene heb je veel diversiteit, waaronder ook rappers met een buitengewoon positieve invloed. Hoe krijg je deze rappers meer in beeld dan bijvoorbeeld een drillrapper, die criminaliteit en geweld verheerlijkt? Voor beïnvloedbare jongeren kan het heel ingewikkeld zijn om hier een onderscheid in te maken. Wat zorgen baart is dat het lijkt alsof jongeren steeds jonger betrokken raken bij criminaliteit. Messenbezit kom je tegen bij 13- en 14-jarigen en dan hebben we het niet over een vlindermesje, maar heuse slagersmessen die ze op zak hebben. Meestal hebben ze niet door wat de impact kan zijn. Ze dragen messen bij zich uit zelfbescherming, zeggen ze, maar gebruiken het toch en zijn dan de klos. Het kan dan effectiever zijn jongeren al op jonge leeftijd te informeren dan ze op latere leeftijd het strafrecht in te trekken wanneer het eigenlijk al te laat is en het moeilijk blijkt er weer uit te komen.’

Benno L.
Welke zaak is u het meest bijgebleven?
‘De bekendste zaak die in mijn team speelde was die van Benno L. Ik heb eerst gekeken wat voor zaaksteam we op die zaak moesten zetten, mede met het oog op de complementariteit van de officieren. Maar ook, wat voor strafeis moet het zijn? We hebben in die zaak na twee dagen besloten – omdat het ging om kwetsbare kinderen die zwemles bij hem volgden – om alle ouders van de kinderen die daar zwemles volgden uit te nodigen om te vertellen wat we weten. Die beslissing kon de strafzaak mogelijk raken, maar destijds vonden wij de hulp voor de kinderen belangrijker. Sommige ouders zeiden dat ze het gedrag van hun kinderen door die bijeenkomst pas begrepen en achteraf was ik blij dat we dat zo hebben aangepakt. Terwijl ik op het moment zelf, toen ik in de zaal zat met 500 ouders tegenover me, dacht: wat ik nu aan jullie ga vertellen is afschuwelijk. Door deze aanpak werd informatie snel openbaar en dat kon de zaak schaden, maar de hulpverlening stond toen op de eerste plaats. Uiteindelijk heeft het de zaak niet geschaad. Het is een zaak geweest met veel facetten die veel impact heeft gehad. We hebben veel geleerd in die zaak, en ook lering uit getrokken, want we zijn wel een organisatie die wil leren van wat we hebben gedaan. Toch loop je elke keer weer tegen nieuwe dilemma’s aan.’

In hoeverre kan het OM de burgers informeren over lopende zaken?
‘Als OM willen we tot op zekere hoogte transparant blijven naar buiten toe, voor zover de betreffende zaak het toe laat uiteraard, en daarvoor is open communicatie heel belangrijk. Bij het OM proberen we niet de media te bespelen, we leggen verantwoording af in de zittingszaal en lichten onze zienswijze toe aan de media. Wij zijn magistraten, wat inhoudt dat we de wet moeten volgen, de wet moeten toepassen en in de zittingszaal moeten uitleggen wat we hebben gedaan. De uitspraak “Ik kan niets zeggen in het belang van het onderzoek”, vind ik een ongemotiveerde uitspraak. Het is vaak wel zo, maar beter is het om uit te leggen waarom geen informatie kan worden vrijgegeven, bijvoorbeeld omdat het informatie betreft die alleen de dader kan weten. Wij hebben uitstekende contacten met de media en er is geen sprake van onderling wantrouwen, maar de ene keer kun je nu eenmaal meer informatie delen dan de andere keer.’

De ontwikkelingen in de afgelopen twintig jaar
Wat zijn de grootste ontwikkelingen van het OM als je twintig jaar geleden vergelijkt met nu?
‘De rol en positie van het slachtoffer zijn substantieel gewijzigd. Vroeger zag je wel eens een slachtoffer in de zittingszaal. Tegenwoordig hebben we van tevoren al een gesprek met het slachtoffer, krijgt het slachtoffer begeleiding in de zittingszaal en heeft het slachtoffer spreekrecht in de zittingszaal. Dat was 20 jaar geleden helemaal niet aan de orde. Het is begonnen met de vordering benadeelde partij, gevolgd door het spreekrecht. Voor de moderne officier van justitie is de positie van het slachtoffer niet meer weg te denken uit zijn werkzaamheden.’

‘Als je het hebt over ontwikkelingen in de verhouding tussen de advocatuur en het OM, dan kan ik wel zeggen dat ik altijd goed heb kunnen samenwerken met advocaten. Advocaten hebben natuurlijk een eigen taak in de rechtszaal. Ik vind het daarbij wel belangrijk dat je elkaar bij de vervulling van die taak in elkaars waarde laat. Ik heb nooit advocaten geattaqueerd, wel hun pleidooi. Zolang iedereen de professionaliteit in acht neemt in de zaal, dan kunnen die verhoudingen prima samengaan. Hoewel er soms grote belangen mee gemoeid zijn, lijkt het mij belangrijk dat zoiets niet de onderlinge verhoudingen beïnvloedt.’

Toekomst
De Beukelaer vertelt ons dat hij het prettig vindt elke zes jaar iets anders te doen. We vragen daarom waar hij zichzelf over zes jaar ziet. ‘Ik ben geen carrièreplanner, maar ik ben altijd op zoek naar werk dat ik leuk vind. Gelukkig vind je dat bij het OM in ruime mate. Ik ben ooit begonnen met de gedachte om bij de kinderbescherming te gaan werken, ik ben namelijk afgestudeerd in het jeugdrecht. Ik ben over zes jaar al 60 dus het is nu of nooit. Maar voor hetzelfde geld besluit ik over een paar jaar om toch weer zaaksofficier te worden…’

Hoe ziet de toekomst van Amsterdam eruit als het aan u ligt?
‘Ik vind het heel belangrijk dat je in een gebied zorgt voor de leefbaarheid. Waar ik over nadenk is hoe Amsterdam er over bijvoorbeeld 30 jaar uitziet. Hoe zit het met de dure huizenmarkt, overvloed aan toeristen, hoe zorgen we ervoor dat Amsterdam leefbaar blijft? Vanuit onze eigen rol kunnen we daaraan een bijdrage leveren. Dat is een belangrijke opdracht van het OM, waar we een wezenlijke taak hebben te vervullen. Ik denk dat iedereen die in dit gebied woont door de maatregelen in het kader van corona heeft gedacht: “Goh, wat woon ik toch eigenlijk in een mooie stad, maar wat zag ik er weinig van.” We moeten met elkaar kijken hoe we Amsterdam leefbaar houden, ook na corona. Een voorbeeld hiervan is Feyenoord. De supporters van die club kwamen als Feyenoord Europees voetbal speelde soms niet eens meer naar de wedstrijd, maar gingen uit in Amsterdam, met drank, drugs en dames. De vraag is of je dat moet willen. Daar kun je over twisten. We hebben nu een momentum en dat moeten we pakken. Ik zie dat Amsterdam langzaam weer opbloeit in deze periode en het is goed dat er weer toeristen komen op een gegeven moment, dat moet ook, maar we moeten wel nadenken hoe we de stad leefbaar houden. Dat lukte eerder niet door de grote aantallen toeristen, het drugsgebruik en de hoge huizenprijzen.’