Tuchtrecht

Klacht over kwaliteit dienstverlening: kennelijk ongegrond[1]


Op grond van artikel 46j Advocatenwet kan de voorzitter van de raad van discipline een klacht kennelijk ongegrond verklaren. De klacht is dan nog niet ter zitting behandeld maar voorafgaand hieraan door de voorzitter afgedaan, ook wel een voorzittersbeslissing. In deze zaak heeft de voorzitter zich uitgesproken over een klacht over de kwaliteit van dienstverlening van een advocaat. Omdat de voorzittersbeslissing altijd met redenen omkleed moet zijn, komen hier dikwijls lezenswaardige overwegingen naar voren. In dit geval betreft het een kwestie die iedere advocaat treft; de vraag hoe de kwaliteit van dienstverlening moet worden beoordeeld.

Klager in deze zaak is van mening dat de dienstverlening van zijn advocaat beneden de maat is. De advocaat zou zijn belangen onvoldoende hebben behartigd door tijdens een zitting niets (in het voordeel van klager) te hebben gezegd. De klager is tijdens een strafzaak veroordeeld tot een gevangenisstraf voor het stelen van een fiets en een fietslamp. Klager is in hoger beroep gegaan en heeft vervolgens cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Uit de conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad en een proces-verbaal van een zitting bij de politierechter blijkt dat de advocaat wel degelijk een verdedigingslinie heeft opgeworpen voor de klager. Er is dus geen feitelijke grondslag voor de klacht en is daarom kennelijk ongegrond.

De voorzitter wijdt echter nog wel een overweging aan de beoordeling van de kwaliteit van dienstverlening. De voorzitter overweegt dat bij de beoordeling van die dienstverlening aan een cliĆ«nt ‘rekening moet worden gehouden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt’. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de ‘keuzes – zoals over procesrisico en kostenrisico – waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan’. Kwaliteit van de dienstverlening wordt in beginsel dus bepaald aan de hand van de omstandigheden van de zaak.

De vrijheid om te bepalen hoe een zaak moet worden behandeld, wordt echter begrensd door de ‘eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld’. Die dienstverlening moet verder voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Dit lijkt aan te sluiten bij rechtspraak van de Hoge Raad, maar blijft enigszins afhankelijk van de omstandigheden.[2]

Door Benjamin Bijl

 

 

[1] Beslissing van de voorzitter van de raad van discipline Amsterdam 27 augustus 2018, ECLI_NL_TADRAMS_2018_173.

[2] Vgl. HR 7 maart 2003, NJ 2003/302: 3.4.2: “Door uit te gaan van de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht, heeft het Hof de juiste maatstaf aangelegd.”