Tuchtrecht

Van een gecombineerde maatregel naar een maatregel per zaak

In twee zaken bij de raad van discipline tegen dezelfde advocaat, legde de raad een ‘gezamenlijke’ berisping op. Het gaat om een dekenbezwaar en een (aantal) klacht(en) van een cliënt. Voor beide zaken, die gezamenlijk zijn behandeld, kwam de tuchtrechter tot de beslissing om in totaal één berisping en één kostenveroordeling op te leggen[1]. Het dekenbezwaar lag namelijk te zeer in het verlengde van de klachten.

De advocaat in kwestie trad op in een echtscheidingsprocedure waar hij doorlopend fouten maakte. Onder meer schreef hij de echtscheidingsbeschikking niet op tijd in, leverde hij zijn stukken onvoldoende (gestructureerd) aan bij het hof en was de communicatie (over de gevolgen) hierover met zijn cliënt niet toereikend. De raad van discipline vond dat uit deze opeenstapeling van fouten blijkt dat niet aan de zorgvuldigheidsnorm is voldaan die geldt voor een redelijk bekwame en redelijke handelende advocaat. Juist het niet voldoen aan deze zorgvuldigheidsnorm was de reden van het dekenbezwaar en er werd gekozen voor één berisping in twee zaken.

Zowel de klager als de deken waren het niet eens met deze beslissing en gingen in beroep. De klager omdat een van zijn vijf klachten ongegrond werd verklaard, de deken omdat hij een zwaardere maatregel wilde voor de advocaat. Volgens de deken is er namelijk een terugkerend patroon van gegrond verklaarde klachten zichtbaar en is de aard van de klachten in deze zaak dermate ernstig dat een gecombineerde berisping te mild is. De deken heeft daarom op grond van artikel 48 lid 9 jo. 57 lid 2 Advocatenwet in de beroepsprocedure aan het hof gevraagd uit te spreken dat ‘verweerder jegens klager niet de zorgvuldigheid heeft betracht die bij een behoorlijke rechtshulpverlening betaamt’. Dit is een uitspraak die de raad van discipline (of op grond van 57 lid 2 Advocatenwet het hof van discipline) kan doen op verzoek of ambtshalve. Het is geen maatregel, maar wel onderdeel van de beslissing.

Het hof ziet in deze zaak reden om deze uitspraak te doen en laat dit duidelijk doorklinken in de opgelegde maatregelen. Met de deken is het hof van oordeel dat de gecombineerde berisping te weinig is en beslist in een lezenswaardige constructie dat de advocaat een voorwaardelijke schorsing van vier weken verdient voor de gegrond verklaarde klachten en een voorwaardelijke schorsing van twee weken voor het dekenbezwaar.[2] Hier lijkt met name het tuchtrechtelijk verleden van de advocaat een rol te spelen. Er wordt wel slechts eenmaal uitgesproken dat de advocaat onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht.

Door: Benjamin Bijl

[1] Raad van discipline Amsterdam 24 april 2018, zaken 17-1032 en 17-1031.

[2] Hof van discipline 29 oktober 2018, zaken 180139 en 180140.