Tuchtrecht geldt ook in de hoedanigheid van curator

Indien advocaten in hun hoedanigheid handelen van bijzonder curator, wil dat niet zeggen dat zij gevrijwaard zijn voor het advocatentuchtrecht. Immers, bij de vervulling van die andere hoedanigheid kan de advocaat (die dus niet als advocaat optreedt) het vertrouwen in de advocatuur schaden, aldus de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline te Amsterdam[1]. De beklaagde advocaat in deze zaak trad op als bijzonder curator over een minderjarige dochter wier vader de rechtbank had verzocht om vervangende toestemming de dochter te erkennen. De curator heeft tijdens deze procedure een brief aan de rechtbank gestuurd met daarin onder andere: “hoewel het in deze procedure niet tot mijn taak als bijzonder curator behoort, lijkt het mij in het belang van het kind dat het contact tussen haar en haar vader zo spoedig mogelijk wordt hersteld”. Hiermee ging de advocaat volgens de moeder van het meisje buiten haar boekje. Niet alleen zou de advocaat buiten haar taak hebben gehandeld, ze zou niet in het belang van de dochter hebben gehandeld. Volgens de klaagster is dit tuchtrechtelijk verwijtbaar gedrag. Volgens de advocaat is het (advocaten) tuchtrecht in deze situatie echter helemaal niet van toepassing op haar. Immers, ze verrichtte haar handelingen in de hoedanigheid van bijzonder curator. Dit standpunt is onjuist. Het in de Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft weliswaar betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen, maar ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat blijft voor hem het tuchtrecht gelden. Indien een advocaat namelijk in een andere hoedanigheid het vertrouwen in de advocatuur schaadt, zal in het algemeen sprake zijn van een handelen dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. En daarvan kan een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.

Desalniettemin is de beslissing kennelijk ongegrond verklaard omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de advocaat bij de vervulling van haar taak als curator daadwerkelijk het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Hoewel er in deze zaak onvoldoende reden was voor gegrondverklaring van de klachten, dient men zich er dus wel van bewust te zijn dat hun gedrag ook in andere hoedanigheden dan die van advocaat, tuchtrechtelijk kan worden getoetst.

Door: Benjamin Bijl

 

[1] Voorzittersbeslissing 30 augustus 2016.