Emilie van Rijckevorsel-Teeuwen en Jasper Stek zijn samen de deken van Amsterdam. In dit septembernummer van het ABB deelt Emilie van Rijckevorsel-Teeuwen haar gedachten over omgangsvormen tussen advocaten.

Als deken doe ik bemiddelingsgesprekken. Elke week wel ontvang ik  twee ruziënde advocaten met een dossier of onderlinge verhouding waar geen beweging meer in zit. Elke zaak is anders, maar vrijwel elk bemiddelingsgesprek begint hetzelfde. Ze krijgen koffie en dan vraag ik: “Heeft u elkaar weleens gebeld? Toen u deze stevige brief of mail kreeg, heeft u toen contact gezocht met de ander om te vragen wat er aan de hand is?” In veel gevallen kijken ze elkaar dan aan en komen samen tot de conclusie dat dat wel had gescheeld.

In het gesprek komt ook dikwijls naar voren dat partijen elkaar niet gebeld hebben, ‘omdat de ander begon’ (“Hoezo moet ík dan bellen?”) of omdat hun cliënten elkaar niet kunnen luchten of zien. “…En we moeten nou eenmaal partijdig zijn”, hoor ik dan, met de armen in de lucht en een verwijzing naar de kernwaarde partijdigheid: het belang van de cliënt, geen enkel ander belang, bepaalt de wijze waarop de advocaat zijn zaken behandelt.

Maar hoe verhoudt die kernwaarde zich dan tot het feit dat we hier in de dekenkamer zitten? Is de manier waarop deze zaak tot hier is gekomen, en dan bedoel ik het punt dat de twee advocaten kennelijk de deken nodig hebben om verder te kunnen, nog wel in het belang van de cliënt? De advocaat-stagiaires die mij in de beroepsopleiding zijn tegengekomen, bij de kennismaking of pleitoefening voelen al waar ik naartoe wil: “overleg met elkaar.”

Juist in het belang van de cliënt, juist in het kader van de kernwaarde partijdigheid is het naar mijn mening essentieel dat advocaten onderling goed met elkaar omgaan. Dat advocaten elkaar opbellen, constateren dat hun cliënten een conflict hebben met elkaar en aan elkaar de vraag voorleggen: hoe zouden wij deze kwestie in het belang van onze cliënten kunnen oplossen? De cliënt wil in the end altijd maar één ding: dat zijn zaak wordt opgelost. De cliënt is bijna nooit gebaat bij eindeloze – vaak dure – procedures. Voor het kunnen bereiken van die oplossing is het noodzakelijk dat de advocaten van beide partijen boven de zaak staan en goed met elkaar door één deur kunnen.

En geloof mij: ik begrijp u allemaal. Ook ik heb in mijn praktijk vaker te maken gehad met een cliënt die wilde dat ik de zaak met gestrekt been inging, en van wie ik geen, nee zéker geen uitstel mocht verlenen. Toch is het op dat moment aan ons om de cliënt de spiegel voor te houden, te de-escaleren en in het belang van de cliënt het gesprek met de andere partij aan te gaan. En wél dat uitstel te verlenen. Denkt u op zo’n moment alstublieft aan gedragsregel 24 (onderlinge welwillendheid en vertrouwen), en interpreteert u de kernwaarde partijdigheid alstublieft zo dat het uw plicht is om het belang van de cliënt voorop te stellen, en niet de onderlinge strijd van u of de cliënten. U bent dominus litis: u bepaalt wat het beste is in de zaak en via welke weg u dit resultaat kunt behalen.

Ik schrijf dit niet om u uit de dekenkamer te weren, maar eerlijk is eerlijk: ik zou het fijn vinden als dit stukje ervoor zorgt dat dit soort bemiddelingsgesprekken wat vaker één kop koffie duurt in plaats van twee.