Categorie archief: Interviews

‘De elite is vergeten het goede voorbeeld te geven’

Quote-hoofdredacteur Sander Schimmelpenninck waarschuwt voor gemakzucht

Op de Zuidas ontdekte Sander Schimmelpenninck dat de advocatuur niets voor hem is. Hij leerde meer van zijn tijd als uitbater van een pizzatent in de Pijp. Sinds november 2016 is hij hoofdredacteur van het zakenblad Quote en hard op weg een Bekende Nederlander te worden. Een interview over advocatuur, ondernemen, vrouwen en politiek.

Tekst: Juliette Daniels en Tomasz Kodrzycki

Als wij Sander Schimmelpenninck (34) ontmoeten op een zonnig terras, is hij nog aan het bijkomen van het Gouden Televizier-Ring- gala van de vorige avond. Maar zodra hij door ons op de praatstoel wordt gezet, steekt hij enthousiast van wal.

Foto: Tom ten Seldam.

Wat houdt je deze dagen bezig?
‘Ik ben een boek aan het schrijven met ­Ruben van Zwieten (de dominee van de Zuidas, red). Bij Quote zien we nu dat het verhaal van Piketty (auteur van het in 2013 verschenen Kapitaal in de 21e eeuw, red.) klopt: het verschil tussen arm en rijk wordt groter en vooral het verschil tussen rijk en exorbitant rijk. De klassieke succesvolle ondernemers uit de maak-industrie, bij wijze van spreken de al dan niet eenvoudige mensen met een goed lopende betonplatenfabriek, worden ook rijker, maar dat volgt de conjunctuur. Aan de andere kant zie je private equity en fintech mensen die er zomaar ineens een miljard bij krijgen. Dat was voorheen niet mogelijk. Bijvoorbeeld Mabel van Oranje die dankzij haar man Friso ineens 240 miljoen krijgt aan aandelen, terwijl de gewone belegger niet kon intekenen op die beursgang. Je ziet dat die financiële elite, die ogenschijnlijk intellectuelere en cultureel interessantere mensen zijn dan die betonplatenboer uit Hengelo, eigenlijk asocialer zijn. Geen belasting willen betalen. Heel meritocratisch denken: ik verdien dit gewoon, want ik ben beter dan de rest, terwijl de betonplatenboer zegt: “Mwahh ik heb gewoon geluk gehad, ik heb met die jongens nog gevoetbald, nu werken ze voor me, nou mooi”.’’

Is dit iets tijdelijks denk je?
‘Nou, ik hoop het wel want ik denk echt dat het een slechte ontwikkeling is. De dividendbelastingdiscussie is natuurlijk wel interessant, want vijf of tien jaar geleden zou die discussie er niet zijn geweest. Jarenlang kwam je weg met zo’n voorstel, het is een pragmatisch argument, goed voor de handel, banen, prima. Maar er verandert echt wel wat in het sentiment: mensen voelen al vijftien jaar dat hun salarissen niet omhoog gaan, terwijl ze wel mensen op Instagram de hele tijd gaaf zien doen en daar goed geld zien verdienen. Het begint te wringen.
De Amerikanen hebben natuurlijk geweldig de leugen verkocht van de Amerikaanse droom terwijl het juist heel moeilijk is om de Amerikaanse droom te verwezenlijken omdat daar een hele kleine groep mensen de boel verdeelt. In Europa moeten we daar ook mee oppassen.’

‘Goed gekwalificeerde mensen hebben
gewoon geen zin meer in de politiek’

Schimmelpenninck vervolgt: ‘Mijn nieuwe boek gaat ook concreet over de situatie in Nederland dat wij een financiële elite hebben die totaal niet verweven is met of geïnteresseerd is in de politieke elite. Tweehonderd jaar geleden als je uit een voorname familie kwam en je had vier slimme kinderen, zoons dan waarschijnlijk, dan gingen er twee in het landsbestuur want dat was het hoogst haalbare. Twee werden er minister of burgemeester en eentje werd dan advocaat en de ander bankier of zoiets. Goed gekwalificeerde mensen hebben gewoon geen zin meer in de politiek. In die tijd was natuurlijk het bestaan van politicus minder vervelend dan nu, je stond hoog in aanzien en je kreeg meer betaald. Toen had de politiek ook al vervelende kanten, mensen die het niet met je eens zijn. Mensen wilden toen ook gewoon aardig gevonden worden en als politicus kun je dat natuurlijk vergeten. Maar deze mensen hadden plichtsbesef. Onze politiek bestaat natuurlijk toch uit omhooggevallen basisschoolleraren. Het is gewoon niet een heel hoog niveau. Onze premier is de HR manager van Unilever, en dat is prima maar….’

Wat verwacht je dan? Homo universalis? Leonardo-Da-Vinci-achtige figuren?
‘We hebben behoefte aan meer voorhoedelopers, mensen die de voortrekkersrol op zich nemen en dus niet uit gebrek aan kansen gewoon maar de politiek in gaan zoals Thierry Baudet. Gewoon goede mensen. Wopke Hoekstra bijvoorbeeld. En Grapperhaus van Allen & Overy, dat is natuurlijk een interessante man. Waarom gaat hij wél de politiek in en veel van zijn vakgenoten niet? De meeste mensen zullen heel anders redeneren: waarom zou je daaraan beginnen? Voor het geld hoef je het niet te doen, terwijl de baan alleen maar gezeik oplevert. Er zijn veel redenen om het niet te doen, die heel valide zijn, maar als iedereen zo denkt krijg je matige kwaliteit. Ik mis de maatschappelijke verantwoordelijkheid die je wel van zo’n elite mag verwachten. Je kunt de vraag stellen: “Waarom heb je eigenlijk een elite nodig?” Nou ja dat is nou eenmaal menselijk. Er is geen maatschappij geweest zonder elite. De Russen hebben ze daar allemaal over de kling gejaagd en toen kwam er gewoon een nieuwe elite die veel slechter was. Er is altijd een elite maar de vraag is: hoe krijgt een elite geloofwaardigheid en vertrouwen? Het lijkt mij dat dat er komt door het goede voorbeeld te geven. Dat is de elite vergeten.’

Foto: Oof Verschuren.

We vragen hem of er in de ondernemerswereld ook dergelijke ‘goede voorbeelden’ te vinden zijn. ‘Binnen de Quote 500 ontstaat er een schisma tussen de “makers en de takers”. Je hebt als ondernemer tonnen opgebouwd en je verkoopt dat aan een Private Equity club. Die trekken de hele tent uit elkaar en binnen drie jaar verdienen ze wat het hele bedrijf in jaren heeft opgeleverd. Gelukkig is de klassieke Quote-500-man de “maker”. Vaak mensen van eenvoudige komaf, in extreme gevallen tegen het analfabete aan – kunnen geen brief schrijven. Bijvoorbeeld de lasser die op zijn 14e van de mavo is getrapt en voor zijn 30e multimiljonair is geworden met het lassen van productielijnen voor kipnuggets. Zo zijn er heel veel bijzondere lui, denk aan types als John De Mol en Frits Goldschmeding, die de uitzendbranche hier in Nederland op poten heeft gezet.’

Wat wil je Quote meegeven tijdens je hoofdredacteurschap?
‘Je moet met je tijd meegaan. Voordat Jort kwam was Quote een soort Economist. Heel saai. Het FD van nu is spannender dan de Quote van toen. Van 1993 tot 2006 is Jort hoofdredacteur geweest, 13 jaar, ik moet er trouwens niet aan denken. Jort was er in de tijd dat het geweldig ging. Het kapitalisme had gewonnen. Het was dus logisch dat in die tijd de focus lag op het plaatje, op het geld, op het bevrijdende gevolg van we mogen eindelijk laten zien dat we geld hebben. Toen ik kwam was het trucje van Jort Kelder heel erg leidend. Deze tijd is weer anders en daar past weer een andere toon bij.’

Waarom is de tijd anders? Oud Zuid is toch gewoon Oud Zuid?
‘Het pronkerige is natuurlijk voorbij. Mensen zijn panisch over hun vermogen. We denken dat de wereld transparanter wordt, maar het tegendeel is waar. De rijken zijn zich steeds meer aan het verstoppen. Mensen vinden het niet nodig om te laten zien wat ze hebben.
Het gaat bij Quote nu meer om het inspireren van jonge ondernemers. Ik ben iets meer moraliserend zou ik zeggen. Dat hele vrijblijvende, dat “lang leve het kapitalisme”, dat gaat niet meer, dat merk je gewoon.’

Waarom ben je eigenlijk de advocatuur ingegaan?
‘Uit luiheid. International Business, dat kwam uit mijn keuzetest, dat vonden mijn ouders toch niet een echt serieuze studie. “IBA, is dat universitair?” was de vraag. Ik ging overstag: “Oké, ik ga wel rechten doen dan”. Nu zou ik dat anders doen. In die tijd zei men, “met rechten kun je alles” maar dat is helemaal niet waar. Met rechten kun je niks. Ik zou altijd mijn kinderen adviseren om economie of liever nog, iets technisch, te studeren.’

‘Ik ben advocaat geworden uit luiheid’

Ben je met opgeheven hoofd weggegaan uit de advocatuur?
‘Nee. terneergeslagen. Nou, ik moet het vooral bij mezelf zoeken. Het is veel te makkelijk om andere mensen de schuld te geven. Ik ben gewoon geen goede advocaat. Een goede advocaat is een specialist in dit tijdsgewricht, ik ben een generalist. Je moet toch wel echt geconcentreerd uitzoekwerk doen en ik ben meer van het macroniveau. Ik denk dat ik het 40 jaar geleden misschien wel leuk had gevonden, maar toen was er nog plek voor generalisten. Dat is er nog steeds wel bij kleinere kantoren, maar goed: ik kwam op de Zuidas terecht, bij Houthoff. Ik zat op corporate litigation en corporate transactions. Bij corporate transactions moest ik bijvoorbeeld werken aan een overname. Dat supergedetailleerde werk, dat vind ik niks. Litigation vond ik boeiender, maar ik heb zo weinig gepleit dat ik niet eens kan zeggen of ik dat leuk vond.’

Heb je nog een boodschap voor advocaten?
‘Haha. Run! Nee, advocaten zijn bijna allemaal superleuke mensen. Ik denk dat je weinig beroepsgroepen tegenkomt waar je zoveel leuke en interessante gesprekspartners vindt als in de advocatuur. Het zijn allemaal welbespraakte mensen. De advocatuur is natuurlijk te divers om er iets heel onaardigs over te zeggen.’

Je hebt de Zuidas wel een biotoop genoemd. Is dat meer dan in andere beroepsgroepen?
‘Ik geloof wel dat die Zuidascultuur bij zeker de helft van de mensen niet het beste naar boven haalt, omdat je toch erg bezig bent met interne politiek en dat soort dingen. Ik denk dat daar met name een bepaald type man bij gedijt en alle andere mensen niet.’

Beschrijf dat archetype eens?
‘Haha, nou ja kijk vroeger waren advocaten natuurlijk corpsballen uit Leiden. Maar de partners van nu zijn toch meer sociale stijgers uit Nijmegen en Maastricht. Die wíllen echt nog. Ik denk dat het hele harde werken, zonder eigenlijk zelf echt ondernemer te zijn, een bepaald type mens aantrekt dat dit mooi vindt. Dat zijn niet de gave gasten van het corps, die zijn er na een jaar wel klaar mee. Die zoontjes van die partners van 50 jaar geleden hebben daar echt geen zin meer in.’

Na je kortstondige flirt met de advocatuur opende je een pizzatent in Amsterdam. Pink Flamingo Pizza in de Pijp. Hoe reageerde je vader daarop?
‘Die vond dat prima. De pizzatent kwam op ons pad. Horeca was wel een goede leerschool met personeel, cijfers en al dat gedoe. Het is niet vaag: als het open is, is het open en moet je productie draaien. Ik heb van mijn pizzatent veel meer geleerd dan op die hele Zuidas. Je moet alles zelf doen. Als je afgestudeerd bent in de rechten dan weet je niet eens hoe de BTW werkt. Dat leer je wel als je een pizzatent hebt. Daarnaast nog de druk van geld verdienen en niet de luxe van salaris.’

Toch werd het geen pizza-imperium, maar ging je schrijven. Wanneer kwam je erachter dat je schrijven zo leuk vond?
‘Op de middelbare school wist ik dat al wel. Dan moesten we een betoog schrijven en had ik een 10. Ik las ook gewoon veel, kranten met name. Er was gewoon geen fuck te doen in Twente. Je voetbalde en je las. Ik “spelde” HP-De Tijd en ik las elke dag de NRC en de Tubantia. Die Tubantia is overigens een uitstekende krant.’

Hoe ben je bij Quote terechtgekomen?
‘Vanaf het begin was het plan dat mijn pizza-compagnon Jaap en ik beiden ons eigen ding konden blijven doen. Jaap was zanger en ik kon het schrijven bij Quote gaan oppakken. Ik sprak destijds met iemand die ik nog kende van VJK-kamp (Vrije Jeugdkerk en -kampen, red.) van vroeger en die zei me eens te gaan praten bij Quote, want daar willen ze nog wel eens zo’n rare vogel aannemen. Dat ben ik dan maar gaan doen. Ik las de Quote helemaal niet maar ben daar toen wel gaan werken. Inmiddels weet ik: schijven voor Quote is het leukste dat er is. Elke maand 4000 woorden was de bedoeling. De ene keer een luchtig verhaal over jeugdkampen, de andere keer wat meer diepgang. Voor mij lagen er wel kansen omdat mijn voorganger (Mirjam van den Broeke, red.) niet heel sterk was, met name in de media niet. Mensen verwachten toch dat de hoofdredacteur van Quote een uitgesproken figuur is. Ik heb toen gewoon gezegd tegen mijn baas: ‘Volgens mij moet je Mirjam gewoon vervangen voor mij’.’

Kom je nog aan schrijven toe?
‘Ik maak bijna elke maand nog een verhaal. Mijn eindredactie is niet zo blij want ik ben vaak te laat. Het piept en kraakt aan alle kanten, ik heb net te weinig tijd. De meeste hoofdredacteuren schreven geen verhalen overigens. Ik vind het wel belangrijk voor mijn geloofwaardigheid – ik wil mezelf journalist kunnen blijven noemen. Dat ik ook ergens in kan duiken en kennis kan opdoen, en niet zomaar vanaf macroniveau iets ga roepen.’

Is Quote een apenrots?
‘Het is een klein rotsje. We zijn met 14, 15 man. Het is bij ons eigenlijk een groot studentenhuis. Het is een ontzettende mannencultuur. Er wordt veel geborreld. Constant elkaar afzeiken, snoeihard voor elkaar zijn maar wel heel close, echte vriendschap. Een leuke plek om te werken als je erin meegaat.’

Wat komt er na Quote?
‘Ik denk dat ik over vijf jaar weer wat anders ga doen. Ik weet nog niet wat. Er zijn veel mensen in de tv-wereld die wat van me willen. Ik ben voor van alles en nog wat gevraagd, tot en met het presenteren van RTL Boulevard. Tegen het programma De Opvolgers heb ik ‘ja’ gezegd. Dat ligt in het verlengde van Quote. Het is lastig om je weg in de tv-wereld te vinden. Het is heel oppervlakkig. Wat ik wel weet is dat ik zeker niet van een autocue ga aflezen dat Prins Harry een nieuw hondje heeft gekocht.’

Zou je RTL Boulevard niet kunnen ‘verSanderen’?
‘Nee dat gaat niet: die 100.000 huisvrouwen die willen gewoon het hondje van Prins Harry zien. Presentator zijn lijkt me ook wel minder interessant. Als journalist – en dat ben ik toch – wil je bereik. De tv, althans Hilversum, is wat dat betreft zeker crisisgebied. Netflix, dus consumptie van beeld en geluid natuurlijk niet. Dus daar moet je wat mee. Ik zou liever voorhoedeloper zijn bij Netflix-dingen die ook naar Europa komen dan één van de laatste tv- persoonlijkheden van Hilversum te zijn.’

Wat doe je nog meer, op zakelijk gebied?
‘Ik ben in Kroatië met wat vastgoeddingetjes bezig. In Hvar heb ik een studio en ik vind het heel leuk om in een land dat je niet kent je weg te vinden. In zo’n setting voel ik me, als “generalist”, erg op mijn plek. Je moet goed kunnen babbelen, in het Italiaans, Engels, Kroatisch. Ik pak die mensen in omdat ik heel veel weet van het eiland, soms meer dan die mensen zelf. Dan worden je ineens links en rechts dingen aangeboden. We verhuren de appartementen in een Airbnb-constructie. Voor Amsterdam is dat geen oplossing maar Airbnb is voor die plek een fantastisch systeem, een impuls. Dat appartement van mij stond leeg en dat is nu opgeknapt. In Amsterdam concurreert Airbnb rechtstreeks met jonge mensen die een huis willen kopen, dat is natuurlijk een heel ander verhaal. In Kroatië is het toerisme zo ongeveer de enige inkomstenbron. Airbnb is toch een beetje voor bananenlanden.’

Over Amsterdam: nu wil de gemeenteraad de letters ‘I Amsterdam’ weghalen.
‘Ik vind het prima. Het staat symbool voor iets waar we vanaf moeten. Die Frits ­Huffnagel, die pretbek-VVD’er waar je niks aan hebt – van het kaliber gezellige bierdrinkers die te hard willen rijden op de snelweg – die heeft dat verzonnen, dat was natuurlijk ook in de crisistijd. Toen kwam ook Airbnb op. Al die hipsters die geen baan konden vinden en pappa en mamma die dan een appartement voor ze kopen. Maar nu gaat het economisch goed dus waarom zou je nu nog die paar honderdjes pakken voor een stel smerige toeristen in je appartement?
De toeristen komen nu voor de verkeerde redenen naar Amsterdam, het is een pretpark met hoeren en drugs. Dat is niet Amsterdam. Dat moet veranderen, dat is waardeloos. Dat doe je door hoge toeristenbelasting, je lost het op met duurder maken. Alles is hier zo goedkoop. Ik ben niet tegen prostitutie maar om dat zo’n prominente plek te geven in het centrum: nee.’

Dat “lang leve het kapitalisme”, dat
gaat niet meer, dat merk je gewoon’

In 2016 schreef je in een stukje: ‘Vrouwen, ga eens werken, of trouw een voetballer’. Dat maakte wel wat tongen los. Hoe zit het met het arbeidsethos van de Nederlandse vrouw? En parttime werken in de juridische sector, is dat mogelijk?
‘Het is prima in de juridische sector om parttime te werken. Niet in M&A maar in veel gebieden kan dan prima. De meeste rechters zijn vrouw. Maar de statistieken laten wat anders zien: onze vrouwen staan onderaan qua gewerkte uren. Dat kan ik deels wel verklaren. Financieel is het heel lang niet nodig geweest. Nederland is een goedkoop land om te leven, onze boodschappen zijn hartstikke goedkoop. Woonlasten buiten Amsterdam zijn echt niet hoog, dus alleen met het salaris van je man kun je een gezin draaien. Dat is het Nederlandse model, mogelijk omdat we als land ook bepaalde dingen toevallig mee hebben. Centrale ligging in Europa, grote haven waar we lekker op zeecontainers kunnen afromen. Een mooie gasbel en andere mazzeltjes.’

Zijn we decadent geworden?
‘Nee, dat denk ik niet. Maar de vraag is wel hoe lang we die voorsprong gaan volhouden. Moeten we op tijd beginnen om toch een beetje harder te gaan werken? Ik denk dat het toch wel nodig gaat worden, dat vrouwen zelf een beetje meer gaan werken. En het ís af en toe niet helemaal eerlijk. Ik zie dat bij vrienden van onze leeftijd om mij heen. De vrouw zegt dan “Ik ga drie dagen werken, twee dagen met de kinderen”. Dan gaan ze er van uit dat de man dat heel leuk vindt. Maar dat is voor mannen helemaal niet zo vanzelfsprekend. De grap is dat de financiële druk bij de man komt te liggen: hij voelt zich al snel toch verplicht die promotie te pakken in die baan die hij eigenlijk haat. Het is niet helemaal van deze tijd.’

Moet de overheid er wat aan doen? In Zweden voorbeeld kunnen mensen anderhalf jaar ouderschapsverlof opnemen en dan kun je dat als ouders verdelen. Zou dat werken in Nederland?
‘Ja prima. Maar in Zweden hebben de vrouwen daar voor gevochten. Die wens komt in Nederland niet van de vrouwen, de meesten vinden het prima zo. Twee, drie dagen werken, lekker op het terras zitten. Alleen de vraag is: kunnen we dan als land de welvaart vasthouden als iedereen om ons heen zo hard aan het werk is. En: is het wel een eerlijke deal voor de staat die investeert in al die opleidingen? Als je heel graag arts wilt worden en je wordt uitgeloot voor medicijnen en ziet vervolgens zo’n meisje er al snel mee ophouden, dan voel je je als student wel flink genaaid.’

Komen vrouwen in Zweden op deze manier makkelijker aan de top?
‘Ja dat denk ik wel. In Zweden ben je er een tijdje uit na de geboorte van je kind maar dat is anders dan twintig jaar parttime werken.’

Ik heb zo’n vermoeden dat jij niet in het glazen plafond gelooft?
‘Nee. Ik geloof niet in een glazen plafond. Ik zou zeggen dat heel veel mensen aan de Zuidas staan te springen om meer vrouwelijke topmensen. Vrouwen worden ook specifiek benaderd: zou je niet willen doorstromen of een “traject” in willen? Die vrouwen hoeven dat dan vaak helemaal niet.’

Hebben vrouwen niet gewoon een andere stijl?
‘Sommige eigenschappen die je veel ziet aan de top, liggen vrouwen wellicht niet. Misschien hoeven ze niet zo hard mee te schreeuwen in de board room. Maar goed, je hebt gewoon een aantal eigenschappen nodig om baas te kunnen zijn van een bedrijf. Vrouwen zijn meer gericht op consensus en sfeer. Mannen willen meer leiden. Dat laatste is in het bedrijfsleven toch gewoon nodig. In de juristerij en de politiek zijn vrouwelijke eigenschappen wellicht belangrijker dan de mannelijke eigenschappen. Maar in het bedrijfsleven is dat anders. En dat is ook niet erg. Mannen en vrouwen zijn niet hetzelfde en dat moet je ook helemaal niet willen.’

Lekker dan, denkt die ambitieuze vrouw. Zij wil ook wel CEO worden, maar denkt: ik heb dat setje eigenschappen niet.
‘Dan wil ze het waarschijnlijk ook niet. Een man die helemaal doorgeladen is met testosteron wil ook geen verzorger of kleuterjuf worden.’

Interview: ‘Advocaten in Nederland zijn een beetje blasé geworden’

Boris Dittrich over tien jaar campagne voor homorechten

Na ruim tien jaar in de frontlinie tegen anti-homogeweld en ­discriminatie stopt voormalig advocaat en rechter Boris Dittrich met zijn werk voor Human Rights Watch om een gooi te doen naar een zetel in de Eerste Kamer voor zijn partij D66. Zijn missie voor gelijke rechten lijkt nu urgenter dan ooit.

Tekst: Nick van den Hoek en Annelies van Ochten

Meer dan tien jaar na zijn eerste interview aan het ABB treffen we Boris Dittrich opnieuw, ditmaal op het terras van café De Jaren in Amsterdam, vlak voor de Pride-week, die hij ieder jaar trouw bezoekt. Tijdens het interview in 2006 was de voormalige advocaat en rechter net gestopt als fractievoorzitter van D66 in de Tweede Kamer. Inmiddels is hij meer dan tien jaar homorechtenactivist voor Human Rights Watch (HRW), maar met dat werk zal hij met ingang van 1 oktober 2018 stoppen om zich kandidaat te stellen voor de Eerste Kamer voor D66. Hij blijft wel als mensenrechtenactivist actief.

Hoe bent u de Amsterdamse advocatuur ingerold?
Boris Dittrich: ‘Toen ik nog rechten studeerde in Leiden wist ik al dat ik dolgraag in Amsterdam wilde wonen na mijn studie. Het lag dus voor de hand mijn studentstage bij een Amsterdams kantoor te doen. Ik woonde nog in Leiden dus ik dacht: laat ik een kantoor kiezen dat dichtbij het Centraal Station ligt. Ik kwam uit bij Stibbe – waar ik nog nooit van had gehoord – aan het Rokin. Ik werd uitgenodigd voor een interview met twee heren in driedelig pak en dikke sigaar – in de rooksalon –, die heel erg van “wij Stibbe” waren. Ik was erg naïef en antwoordde op de vraag waarom ik bij Stibbe wilde werken: het ligt zo lekker dicht bij het Centraal Station. Ze dachten dat ik een grapje maakte en één van die partners (Frans Corpeleijn) zei: “Wij hebben iemand met humor nodig”. Mijn baan bij Stibbe was een feit. Vervolgens deed ik tijdens mijn studentstage één keer iets slims en werd ik aangenomen als advocaat-stagiair’. Zo simpel kan het zijn. Bij Stibbe hield Dittrich zich bezig met zaken op het gebied van onroerend goed, ook huurrecht. Het behandelen van strafrechtelijke kwesties of zaken op andere socialere gebieden werd niet gestimuleerd. Na zijn stage kwam ­Dittrich terecht bij Ingelse, waar hij zich bezig hield met strafrecht en vreemdelingenrecht, en zaken behandelde op toevoegingsbasis. Daarnaast is hij voorzitter geweest van de Jonge Balie.

Dittrich: ‘Meestal duurt het voorzitterschap van de Jonge Balie een jaar, maar bij mij iets langer. Dat kwam omdat het bestuur voor ons ruzie kreeg. Er verscheen een oproep in het ABB dat de Jonge Balie nieuwe bestuursleden zocht en dat kwam voorbij toen ik zelf net uit de kast was. “Kan je dit wel doen als je homo bent?”, vroeg ik me af. Ik heb toch maar gesolliciteerd en ik werd aangenomen’.

Splitsing
‘In die tijd had je een duidelijke splitsing tussen de commerciële advocatuur en de sociale advocatuur en die advocaten praatten onderling niet met elkaar. Die zagen elkaar als vijanden. De commerciële advocaten werden gezien als handlangers van het kapitalisme en de sociale advocaten als idealistische oproerkraaiers, bij wijze van spreken. Ik zat bij Stibbe, maar mijn hart ging uit naar de sociale advocatuur. We bedachten dat de enige manier om beide partijen bij elkaar te brengen via cultuur is; evenementen organiseren die iedereen leuk vindt. We hebben toen alle advocaten uitgenodigd voor bijeenkomsten met Youp van ‘t Hek en Adèle Bloemendaal. Die waren toen erg populair. En we nodigden ook rechters uit – als lokkertje – en die kwamen ook allemaal. Dat werkte. Er was een borrel na afloop en daar bleven ook de sociale advocaten hangen, die met het bestuur van de Jonge Balie maar ook met aanwezigen uit de andere groep in gesprek gingen’.

‘Ik zat bij Stibbe, maar mijn hart
ging uit naar de sociale advocatuur’

Was u toen al uit de kast op uw werk?
‘Toen ik bij Stibbe werd aangenomen had ik een relatie met een vrouw. Kort daarna ontdekte ik dat ik niet bi- maar homoseksueel ben en ontmoette ik mijn vriend, nu mijn man. Toen mijn patroon het leuke idee had een diner te organiseren bij hem thuis voor alle stagiaires inclusief partners, zei hij tegen mij: “En dan neem jij je vriendin mee”. Die had hij weleens ontmoet. Ik moest dus wel opbiechten dat ik inmiddels een vriend had in plaats van een vriendin. Mijn patroon reageerde: “Dus jij bent zo?” en trok de uitnodiging in omdat hij eerst met zijn vrouw wilde overleggen. Het duurde vervolgens een week tot hij zei: “Ik heb het er met mijn vrouw over gehad en we hebben besloten dat je met je vriend mag komen, maar alleen als het een bestendige relatie is”. En dat beaamde ik toen, al wist ik dat natuurlijk nog niet. Inmiddels zijn we 36 jaar samen. Jaren daarna is zijn zoon uit de kast gekomen. Hij vertelde me op een Stibbe-reünie dat hij – als streng katholiek – door het ontmoeten van mijn man opener is geworden over homoseksualiteit. Dat vond ik wel mooi’.

Boris Dittrich: ‘Ik deed tijdens mijn studentstage één keer iets slims
en werd aangenomen als advocaat-stagiair.’

Hoe zit het met out zijn binnen de advocatuur in de andere landen waar u werkzaam bent of bent geweest?
‘In het buitenland loopt men voor op Nederland. In de VS zijn de advocaten veel militanter. Uit de kast komen is daar bijna een politieke daad, omdat het in de algemene maatschappij moeilijker ligt. Daar wordt het gevierd als je uit de kast komt als advocaat en krijg je zelfs een diner aangeboden’.
‘Op dit moment werk ik aan een toespraak voor de Balie van São Paulo, over eenzaamheid. Eenzaamheid voor je coming out, dat delen veel lhbt’ers [lhbt is de afkorting voor lesbisch, homo, biseksueel en transgender, red.] Als je op seksueel vlak anders bent, dan isoleer je jezelf van je omgeving. Dat is anders dan samen anders zijn, bijvoorbeeld als gezin op grond van huidskleur, dan heb je steun aan elkaar voor de discriminatie die je ervaart. Hoe je omgeving eruitziet en hoe sterk je zelf in de schoenen staat is bepalend voor hoe je met die gevoelens van isolement kunt omgaan. Op dat vlak doet Nederland het overigens redelijk goed’.

‘In de VS is uit de kast komen
bijna een politieke daad’

Vanuit uw huidige functie kwam u onder meer op voor de Afrikaanse advocaat Michel Togúe, de winnaar van de Geuzenpenning in 2016.
Dittrich: ‘Michel Togúe is advocaat in Kameroen, waar homoseksualiteit strafbaar is. Homo’s worden daar opgepakt en in de gevangenis gezet – vaak zonder advocaat en soms jarenlang – tussen enge types als drughandelaren en moordenaars; ze worden daar in elkaar geslagen en verkracht. Mijn onderzoekers hebben daar met gevangenen, familieleden en stakeholders gesproken. Het is mijn taak als global advocacy director om met dat rapport met overheden om de tafel te gaan om te zorgen dat de mensenrechtenschendingen stoppen’.

Doodsbedreigingen
‘Michel Togúe is bijzonder. Hij is hetero, heeft een vrouw en kinderen. Hij deed veel commercieel werk en hij vond het als idealist bizar dat homo’s geen advocaat kunnen krijgen. Hij had succes. Hij heeft soms lhbt’ers vrij gekregen en werd daardoor erg gediscrimineerd. Hij ontving meerdere doodsbedreigingen voor zijn vrouw en kinderen. Mede door mijn bemiddeling heeft zijn gezin asiel gekregen in de Verenigde Staten. Hij reist nog regelmatig naar Kameroen om daar cliënten te verdedigen. Togúe kreeg de Geuzenpenning omdat hij ondanks de sociale druk en bedreigingen doorging met het verdedigen van lhbt’ers. Toen Togúe een bezoek bracht aan de Amsterdamse Orde sloeg toenmalig deken Kemper met de vuist op tafel en riep: “Dit kunnen we niet accepteren”. Kemper heeft toen een brief geschreven aan de Balie in Kameroen dat de systematische uitsluiting van lhbt’ers niet acceptabel is en dat Togue beschermd moest worden in plaats van tegengewerkt. Geen idee overigens of hij daar ooit reactie op heeft gekregen’.
Hoe ziet uw werk voor Human Rights Watch er verder uit?

Boris Dittrich op bezoek bij de president van Malta voor
een gesprek over transgenderrechten en abortus.

‘Wij zijn een vrij kleine divisie binnen HRW, dat in totaal vijfhonderd medewerkers heeft. Ik werk met zeven mensen, die werken vanuit Afrika, Berlijn en New York en we zijn gespecialiseerd in onderzoek. Ik ben net terug van een reis in het Caribisch gebied waar elk eiland homoseksueel gedrag strafbaar stelt, met zelfs levenslange gevangenisstraf in Barbados. Daar hebben we onderzoek gedaan naar de vraag wat de invloed is van een wettelijke strafbaarstelling op het leven van lhbt’ers. Elke keer als ik met parlementsleden en ministers praat zeggen ze: “Deze bepaling is wel in de wet opgenomen, maar passen we niet toe”. Ons onderzoek toont aan dat lhbt’ers door het bestaan van de wet tweederangsburgers worden. Ze zijn daardoor vatbaar voor chantage, worden ontslagen of door familie uitgesloten. Daar gaat zo’n rapport over. Ik praat met rechters, advocaten, parlementsleden en probeer ze ervan te doordringen dat zo’n wet in strijd is met allerlei verdragen en dan hoop je dat dat invloed heeft’.

En heeft het invloed?
‘In Mozambique is de strafbaarstelling in 2015 uit het wetboek gehaald. Daardoor mogen homo’s zich verenigen en ontstaat er een civil society. Toen ik elf jaar geleden ben aangetrokken was de reactie van de meeste diplomaten met wie ik sprak: “Wij praten niet over seks”. Ze hadden niet door dat het niet om seks maar om mensenrechten gaat. Inmiddels zijn resoluties aangenomen en er is een expert op het gebied van seksuele oriëntatie en genderidentiteit bij de VN aangesteld. Dat was overigens een zwaar gevecht met allerlei landen’.

Is het soms te onveilig om ergens te werken?
‘Ja, bijvoorbeeld in Iran. Daar zou ik graag werken. Er zijn nogal wat rechterlijke uitspraken die nadelig uitpakken voor de lhbt-gemeenschap. De jurisprudentie is erg ondoorzichtig. Het is vaak niet helemaal duidelijk waarvoor men wordt veroordeeld en daar zou ik graag onderzoek naar doen, maar dat is te gevaarlijk. Ik ben niet zozeer bang dat mij wat wordt aangedaan, maar ik kan worden opgepakt. HRW wordt gezien als een Amerikaanse organisatie – het hoofdkwartier zit in New York – en dat maakt het te risicovol. Als ze zeggen dat je een Amerikaanse spion bent en je daarvoor oppakken, dan kan het zomaar vijf jaar duren voordat je vrijkomt’.

‘Het gaat niet om seks,
maar om mensenrechten’

Gebruikt u in uw huidige werk vaardigheden die u heeft geleerd als advocaat?
‘Jazeker, al is moeilijk aan te wijzen wat precies uit mijn advocatentijd komt. Wat ik uit de advocatuur heb meegenomen is dat je niet emotioneel betrokken moet zijn bij een zaak. Een tijd geleden wilde men in Oeganda de doodstraf invoeren op homoseksueel gedrag. Daar zijn wij het niet mee eens, dus ik ben naar Oeganda gegaan. Ik was toen net begonnen bij HRW en mede daarom heel enthousiast. Ik had een afspraak met de minister die hiervoor verantwoordelijk was en het betreffende wetsvoorstel zou gaan indienen. Ik was dus op het juiste moment in Oeganda. Ik had eerst (undercover) gesproken met de homogemeenschap en had me goed voorbereid. Ik wist bij welke verdragen Oeganda was aangesloten, welke waren geratificeerd en waar ze voetnoten bij hadden geplaatst. En de commissies die over die verdragen gaan hebben gezegd: niet discrimineren tegen seksuele minderheden. Ik overhandigde de minister dat pakket aan onderzoek en hij zei: “Do you know what we do with human rights?” En hij gooit het pakket door de kamer tegen de muur. “That’s what we do with human rights.” En vervolgens steekt hij van wal dat ze ergere problemen hebben, zoals armoede en werkloosheid. Hij beweerde ook dat er geen homo’s zijn in Oeganda. Ik bleef kalm en zei dat ik ze die morgen nog had gesproken. Toen was ik wel blij dat ik advocaat ben geweest. Ik kan zo’n gesprek daardoor beter aan. Als ik die ervaring niet had gehad was ik misschien wel boos opgestapt. Maar wie heeft daar wat aan? Zeker de homogemeenschap in Oeganda niet. Die krijgen zo’n man nooit te spreken. Bij het uitgeleiden zei hij: “You know that we have elections in three weeks, right? I can’t do anything with human rights, otherwise I won’t get re-elected.”

Dat klinkt meer als mediation dan als pleiten.
‘In dat geval zeker. Ik word ook weleens in parlementen opgeroepen als expert, bijvoorbeeld in Nieuw-Zeeland. Daar heb ik een aantal jaar geleden in het parlement voor openstelling van het huwelijk gepleit. Dat is echt vergelijkbaar met het voordragen van een pleitnota’.

Zou u als advocaat verdachten van homo-geweld bijstaan?
‘Ja, dat zou ik wel doen. Iedereen heeft recht op een verdediging en ik zou ook benieuwd zijn wat zo iemand daartoe aanzet. Onder omstandigheden kan ik me voorstellen dat je een zaak niet aanneemt, maar in beginsel zou ik dat zeker doen en dat heb ik ook gedaan. Ik heb een aantal zaken gedaan van potenrammers en ook van slachtoffers, die dan naar de politie gingen en daar werden uitgelachen. Daarom heb ik er als Kamerlid voor gezorgd dat homo-gerelateerd geweld werd geregistreerd. De politieman of -vrouw die de aangifte opneemt, moet hiervan melding maken en zodoende hebben we daar nu cijfers over. Tegenwoordig is homogeweld groot nieuws maar in de jaren ’80 gebeurde het net zoveel, denk ik, misschien nog wel vaker, maar het was onzichtbaar. Als rechter zag ik heel vaak dat iemand om die reden in elkaar was geslagen, maar in de tenlastelegging werd dat niet vermeld. De bloedneus wel, daar kan je een foto van maken, maar dat de verdachte daar “vuile poot” of “lesbo, ik zal je eens” bij had geroepen, dat stond er niet in. Dat is ook lastig te bewijzen’.

Toen u in Nederland pleitte voor openstelling van het huwelijk, was het COC tegen dat plan. Hoe zat dat?
‘In 1993 was ik rechter en begon ik met campagne voeren, in 1994 werd ik gekozen als Kamerlid. Ik kreeg een brief van het COC met als strekking: “Hebben we eindelijk iemand die openlijk homoseksueel is in de Kamer en dan wil hij het huwelijk openstellen”. Daar waren ze niet blij mee. Dat heeft me toen wel slapeloze nachten bezorgd. Het bestuur van het COC – een groep oude mannen – vond dat het huwelijk moest worden afgeschaft omdat het een “hetero normatief en onderdrukkend instituut” zou zijn. Ik heb ze toen uitgenodigd in de Kamer en zei: “Als je niet wil trouwen dan moet je niet trouwen, maar je moet anderen niet de keuze ontnemen”. Eerst gelijkstellen en dan (misschien) afschaffen. Er is een nieuw bestuur gekomen dat vóór was, wat uiteraard hielp. In de begintijd zeiden de tegenstanders: “Nergens in de wereld kan je als homo trouwen en dan kom jij als jurist met dat idee van het homohuwelijk. Dat kan vast niet en bovendien is je eigen achterban (het COC) ook geen voorstander”.

Boris Dittrich is ook als schrijver van literaire thrillers actief.

Staatscommissie
‘De grootste hobbel was toen dat de meeste niet-juristen zeiden dat het niet kon omdat het nergens kon. Er is een Staatscommissie (Kortmann) gekomen om onderzoek te doen. Daar zaten negen mensen in die in grote meerderheid hebben geoordeeld dat het wel degelijk kan en dat het een politieke keuze is. Dat was een goed argument. Er moest gekozen worden: ben je voor of tegen? Na de volgende verkiezingen was ik betrokken bij de onderhandelingen voor de kabinetsvorming voor D66 en er waren twee weken waarin de PvdA en VDD concludeerden dat een tweede paars kabinet zonder D66 niet mogelijk was. D66 wilde euthanasie, openstelling huwelijk, verruimde adoptie en meer geld naar onderwijs. En dat stond toen binnen no time in het reageerakkoord. Het was enkel nog een kwestie van doorzetten.’

De huidige coalitie heeft de aanbevelingen van de Staatscommissie Herijking ouderschap in de ijskast gezet. Is dat ook een kwestie van tijd?
‘Ik hoop dat er haast gemaakt wordt, want het is belangrijk dat kinderen een goede juridische relatie hebben met hun ouders. Daarover kan wel redelijk wat geworden geregeld in convenanten, maar het is beter als het een wettelijke grondslag heeft’.

Onlangs heeft de rechtbank in Roermond geoordeeld dat een derde geslachtsaanduiding op een paspoort of ID-kaart mogelijk moet zijn. Gaat genderidentiteit altijd boven biologie?
‘Absoluut. Wat ik heel mooi vind aan die uitspraak is dat de rechtbank de Yogyakarta-beginselen citeert. Daarin staat dat mensen moeten kunnen zijn hoe ze zich voelen. De rechtbank onderschrijft dat. Ik heb op afstand geholpen de Yogyakarta-beginselen op te stellen toen ik nog Kamerlid was. Alle mensenrechten zijn daarin vertaald naar seksuele oriëntatie en genderidentiteit. Dat maakt heel inzichtelijk dat er veel mensenrechten zijn die iedereen respecteert, behalve als het om homo’s gaat. De rechtbank in Roermond haalt ook uitspraken aan van rechters uit Nepal en India. Een collega van mij uit India vindt dat geweldig, dat een rechter uit het westen zich laat inspireren door landen in The Global South. Zij heeft daar een artikel over geschreven en dat is weer overgenomen door andere media. Zo steken wij een hart onder de riem van activisten die daar jaren voor hebben gestreden in hun land en nu over de band invloed hebben op het westen’.

Er is veel kritiek op de Nederlandse asielprocedure voor lhbt’ers. Houdt HRW zich daar ook mee bezig?
‘We hebben een aparte divisie vluchtelingen. We zijn van ver gekomen. Toen ik Kamerlid was hadden we Rita Verdonk als minister van integratie en die was erg streng. Zij wilde Iraanse homo’s terugsturen, ze moesten van haar gewoon weer terug in de kast. Geen haan zou er nog naar kraaien volgens haar. Ik ben daarvoor gaan liggen en dreigde met een kabinetscrisis. Premier Balkenende stelde vervolgens voor dat er een soort scheidsrechter moest komen om de patsstelling te doorbreken. HRW is vervolgens gevraagd hier onderzoek naar te doen, waarna een lange brief volgde dat het zeer zeker niet veilig is en dat het tegen de mensenrechten is om van iemand te verlangen zo een belangrijk deel van de eigen identiteit geheim te houden. Verdonk haalde bakzeil’.

‘Dat neemt niet weg dat er wel eens misbruik wordt gemaakt van het feit dat homoseksualiteit recht kan geven op verblijf in Nederland. Daarom moet goed bekeken worden of iemand daadwerkelijk om die reden gevlucht is. Het probleem daarbij is dat veel vluchtelingen niet gewend zijn over hun geaardheid te praten, zeker niet in het bijzijn van hen onbekende tolken. Misschien kennen die hun familieleden wel of zeggen ze in plaats van te vertalen dat homoseksualiteit smerig is. Kom er dan nog maar eens voor uit’.
U ziet veel leed en ook veel vooruitgang. Hoe maakt u de balans op?

‘Met het krijgen van asiel is niet
gezegd dat je ook veilig bent’

‘Er is geen eenduidig antwoord op de vraag hoe het gaat met de homorechten. Sommige instituties zoals de VN of de Organisatie van Amerikaanse Staten doen het heel goed. In landen als Taiwan, Chili, Costa Rica , Cuba en Oostenrijk wordt het debat over openstelling van het huwelijk gevoerd. Twintig jaar geleden werd ik nog uitgelachen in de Tweede Kamer en op straat. Nu wonen meer dan 1 miljard mensen in een land waar het huwelijk is opengesteld. Tegelijkertijd is er in Rusland wetgeving waarin staat dat het verboden is om in het openbaar positief over homoseksualiteit te spreken. Rusland heeft veel invloed in de regio en er zijn ook landen in Afrika die die wetgeving hebben overgenomen’.

Om maar niet te spreken over de situatie in Tsjetsjenië…
‘Een collega van mij is Tsjetsjenië-specialist en wat nu gebeurt met de homo’s in die regio is al eerder gebeurd met woekeraars. Dat zijn mensen waar je je toekomst kan laten voorspellen en die gokspellen aanbieden. Ook vrouwen die geen hoofddoek wilden dragen zijn gemarteld en verdwenen. Daarna waren de homo’s aan de beurt. Dat heeft alles te maken met het feit dat Tsjetsjenië erg islamitisch is geworden onder de huidige leider Kadyrov. Waar ik van ben geschrokken is dat homo’s die hier asiel hebben gekregen van andere Tsjetsjenen foto’s van hun moeders krijgen doorgestuurd met de boodschap “kom terug, anders zijn we bang dat je moeder wat wordt aangedaan”. Ze vertelden mij: “We zijn wanhopig want we houden van onze moeder, maar als we terug gaan worden we gemarteld”. Een daarvan had een Tsjetsjeen gesignaleerd in Amsterdam die hem in de gaten hield. In Berlijn en Toronto zijn Tsjetsjeense agenten gezien die vluchtelingen onder druk hebben gezet om terug te gaan. Ook bij de Nederlandse veiligheidsdiensten is het bekend dat Tsjetsjenië zijn tentakels in Europa uitspreidt. Dus met het krijgen van asiel is niet gezegd dat je ook veilig bent’.

Heftige verhalen. Hoe gaat u om met het leed dat u tegenkomt tijdens uw werk?
‘Soms kan ik wel van slag zijn. Als er mensen vermoord worden die ik ken. Zoals de moord op David Kato, homorechtenactivist uit Oeganda met wie ik in Oeganda had samengewerkt. Kato is in 2011 vermoord en dat verwerken kost tijd. Mijn methode is om te lezen en om te schrijven. In 2011 ben ik als fictieschrijver begonnen. Ik ben ook gevraagd het geschenk te schrijven voor de Spannende Boekenweek (het ABB ontvangt twee exemplaren van het boekje BARST, waarvoor dank). De fictieve wereld die ik zelf heb bedacht is een ontsnapping aan de harde werkelijkheid. In een verhaal, een plot, ben ik de baas. Ik bepaal wie wordt vermoord, wie onderzoek doet en wie de zaak oplost. Ik heb met HRW afgesproken dat ik tijdens mijn reizen en vluchten geen rapporten hoef te lezen, maar dat ik die tijd mag gebruiken om te lezen en schrijven’.

Bent u ook in Amsterdam tijdens de Pride-week?
‘Ja, daar ben ik elk jaar bij. Ik ben niet zo’n feestvarken maar ik ben altijd actief bij de mensenrechtenevenementen die tijdens Pride worden georganiseerd. Zo ben ik dit jaar moderator bij Rights Out There 2018, een evenement in de Lutherse kerk, en modereer ik de conferentie van het College voor de Rechten van de Mens. Zij willen uitdragen dat je met een klacht over discriminatie op grond van seksuele oriëntatie bij het College terecht kan.’

Wereldreligieboot
‘In 2016 heb ik op de Wereldreligieboot gestaan, dat leek me interessant omdat er een rabbijn, imam en een priester zouden meevaren. Mijn man en ik gingen mee als humanisten. Op de kade troffen we de priester bedroefd aan, die had net van de bisschop uit Haarlem te horen gekregen dat hij niet mee mocht varen. De bisschop zou hebben gezegd: “Dit is liederlijk gedrag en ik wil niet dat je je daarmee afficheert”. De priester ging dus niet meer mee. De rabbijn had ook afgezegd omdat het te gevoelig lag dat er een imam zou meevaren en de imam bleek ook afwezig om een soortgelijke reden. Kortom, de problemen van wereldreligies op microniveau. De grap was dat niemand ervan wist en de wereldreligieboot een prijs won omdat het zo’n verbindend initiatief was’.
‘Ik vind het ’t leukst als er buitenlandse gasten zijn. Het is zo leuk met hen mee te varen. Een aantal jaren terug voer ik met twee Afrikaanse lesbiennes mee. Die vroegen: “Waarom zwaaien die mensen naar ons…? Maar wij zijn lesbisch”. Die vonden het te overweldigend en moesten even benedendeks gaan zitten. Ik zei tegen hen: die mensen zwaaien naar jullie ómdat jullie lesbisch zijn. De Syrische jongens met wie ik heb meegevaren vonden het geweldig. Die waren uitgedost en gingen helemaal los’.

Heroes is het thema van de Amsterdamse Pride van dit jaar. Wie zijn uw helden?
‘Ik heb juridische helden. Raphael Lemkin, een Joods jurist, uit Polen gevlucht in de jaren ’30. Lemkin heeft de term genocide bedacht en heeft zich ervoor ingezet dat genocide strafbaar is gesteld. Er is ook een verdrag tegen genocide gekomen. Daarnaast is Lemkin openbaar aanklager geweest in Neurenberg. Dit terwijl zijn hele familie door de nazi’s om het leven is gebracht in vernietigingskampen. Ik vind het mooi dat iemand vanuit die ellende met constructieve ideeën bijdraagt aan een betere samenleving’.

Universele Verklaring Rechten van de Mens
‘Een andere held van mij is René Cassin. Cassin is goeddeels verantwoordelijk voor het schrijven van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Hij is na de ellende net na de 2e wereldoorlog niet bij de pakken neer gaan zitten maar zei: “Hier moeten we van leren”. Cassin heeft een systeem weten te volmaken waar de mensheid wat aan heeft en op basis waarvan we nu nog steeds werken’.

Waar bent u zelf het meest trots op?
‘Het meest trots ben ik op de euthanasiewet. Ik was woordvoerder euthanasie en heb hiervoor veel samengewerkt met Els Borst. Het was een ingewikkeld dossier. Toen die wet speelde heb ik stage gelopen bij artsen die bij euthanasie betrokken waren. Ik heb nog een amendement op de wet ingediend dat is aangenomen. De wet zit goed in elkaar en ik vind het een teken van beschaving dat het mogelijk is in Nederland. Er zijn weinig andere landen waar euthanasie uit de achterkamertjes is gehaald. Ik ben trots dat ik daar een bijdrage aan heb kunnen leveren. Mijn moeder is vorig jaar overleden en zij wilde euthanasie. Toen heb ik het van dichtbij meegemaakt’.

‘Het meest trots ben ik op de euthanasiewet’

Is er nog iets dat u kwijt wil?
‘Ja! ik wil nog kwijt dat Lawyers for Lawyers een belangrijke club is. Phon van den Biesen is daarvoor actief. Mijn eerste kort geding in 1983 bij Stibbe was tegen Van den Biesen, die als linkse rakker en een bijtertje bekend stond. Ik heb Phon aan Michael Togúe voorgesteld. Zij zijn samen naar Genève gegaan om een vergadering over verdrukking van advocaten in Kameroen bij te wonen’.

‘Als ik Nederland vergelijk met andere landen lijkt het dat de advocaten in Nederland een beetje blasé zijn geworden en niet meer zo maatschappelijk betrokken zijn. In het buitenland zijn veel advocaten met wie ik werk tevens activist en doen iets in het kader van de vrijheid van meningsuiting of bezoeken bijvoorbeeld gevangenen. Zij zijn betrokken bij de opbouw van de samenleving. Lawyers for Lawyers springt er positief uit. Dus ik sluit af met deze positieve noot’.

Daar kunnen we wat mee. Onder de indruk verlaat het ABB het zonovergoten terras.

‘Ik hou van onmogelijke uitdagingen’

Don Ceder, advocaat en politicus uit overtuiging

De jonge Amsterdamse advocaat Don Ceder schreef politieke geschiedenis toen hij bij de Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen voor de ChristenUnie een zetel in de wacht sleepte. Het ABB zocht de voormalige jurist van Anti-Incasso op in zijn kantoor en sprak hem over zijn drijfveren als politicus en als advocaat. ‘In elke kracht schuilt ook een valkuil’.

Tekst: Juliette Daniels en Victor van Campen

De telefoon staat roodgloeiend als Don Ceder de deur van de ontvangstruimte opendoet. Ceder deelt het pand met Charles van Dam, zijn voormalige patroon en inspirator. De bel gaat en Ceder wordt uitgebreid gefeliciteerd door een collega-politicus van partij De Blije Burgers. Of hij mee wil doen met een nieuw ambitieus initiatief: voedsel en kleding voor duizenden Amsterdammers. Na een uitgebreid relaas geeft Ceder zijn nummer. ‘Nee, ik heb hem niet ingehuurd!’, zegt hij ons lachend.

Historische zetel
Het eerste dat Ceder deed toen hij op 23 maart hoorde dat de ChristenUnie een historische zetel had bemachtigd, was een tweet online zetten: ‘Hij is binnen’. Ceder legt uit dat de partij tijdens de vorige verkiezingen in 2014 op het nippertje geen zetel had kunnen bemachtigen. ‘Het scheelde toen 162 stemmen. Nou, dat is echt niks.’ Ceder spreekt nu vol enthousiasme: ‘Ik heb al een verkennend gesprek met de burgemeester gehad’.

De komende tijd wordt een drukke periode voor Ceder. Er zijn in de Amsterdamse gemeenteraad veel partijen met uiteenlopende standpunten. De samenwerking zal op gang moeten komen. ‘Ik zou graag het goede voorbeeld geven en mijzelf constructief opstellen. Ik hoop dat de andere partijen er ook zo naar kijken. We zullen de samenwerking aangaan. Ik kan gelukkig met veel mensen goed overweg’, zegt Ceder. Hij zal zijn werk bij de gemeenteraad de komende periode combineren met de advocatuur. ‘Mijn werkzaamheden voor de gemeenteraad zijn voorlopig parttime.’

‘De plannen die ik voor Amsterdam heb de komende periode zijn het stimuleren en ondersteunen van het maatschappelijk krachtenveld. Vrijwilligers zijn onbetaalbaar. Zij dragen enorm bij aan het leefbaar maken van de stad. Meer naar elkaar omzien gaat bijvoorbeeld eenzaamheid tegen. De gemeente kan hierbij helpen door geld en andere middelen in te zetten om vrijwilligersorganisaties beter te bedienen. Het is niet de bedoeling dat de gemeente de werkzaamheden van deze organisaties overneemt, maar dat juist wordt gekeken en geluisterd naar de gemeenschappen en organisaties die al met hele mooie initiatieven bezig zijn. Amsterdammers zouden denk ik iets minder naar de gemeente moeten kijken wanneer een buurvrouw iets nodig heeft en zichzelf vaker de vraag stellen: wat kan ik doen om mijn buurvrouw te helpen?’

‘We moeten als gemeente vooral
even de tijd nemen om te luisteren’

‘Wat hebben deze organisaties nodig? In plaats van geld kan het bijvoorbeeld ook gaan om een ruimte om hun activiteiten te ontplooien. De gemeente kan daarin flexibel zijn, maar we moeten als gemeente vooral eens even de tijd nemen om te luisteren’, vertelt Ceder.

Tijdmachine
Op de vraag of hij een tijdmachine heeft om zijn drukke agenda bij te kunnen houden, geeft Ceder aan dat hij in principe al een aantal jaar een werkweek heeft van zes dagen. Hij vertelt dat het aankomt op vooruitplannen en flexibel zijn. Daarnaast is zijn adagium ‘sporten, goed eten en je moment pakken’. Ceder pakt dat moment door in het weekend in zijn hangmat te liggen en een paar uur naar het plafond te staren, de stilte op te zoeken, zo vertelt hij. Daarnaast gaat hij op zondag in Amsterdam naar de kerk, waar hij rust vindt en bezint. Ceder gelooft overigens ook heilig in de positieve werking van Chia-zaden en een glas warm water met citroen in de ochtend.

Ceder staat veelal mensen op toevoegingsbasis bij, maar ook steeds meer betalende klanten. Gevraagd naar wie hierbij zijn adviseur is, zegt Ceder: ‘Mijn patroon Charles van Dam. Van hem heb ik geleerd dat je in de advocatuur altijd op je allerscherpst moet zijn. Iedereen kan je vijand worden, ook je eigen cliënt. Daarom zijn goede afspraken altijd heel belangrijk’. Ceder legt uit dat hij van Van Dam de ruimte heeft gekregen zijn brede interesse te ontplooien. ‘Een goede patroon laat je opbloeien’.

‘Ik ben pas tevreden als ik
er alles aan heb gedaan’

In de drie jaar waarin hij nu bezig is heeft Ceder steeds meer geleerd om oplossingsgericht te werken. Ook zijn eigen cliënten hebben vaak niet altijd alles goed gedaan, dus is niet de schuldvraag maar het zoeken naar een aanvaardbare oplossing voor beide partijen vaak het uitgangspunt. ‘In het begin ging ik er meer met een gestrekt been in, en dat doe ik nog steeds bij volstrekte fouten en misstanden, maar anders stuur ik in principe niet aan op procedures. Het is voor alle partijen dan waardevoller om te bezien of een oplossing buiten de rechtbank kan worden bereikt’.

Christendom
De verworven zetel voor de ChristenUnie brengt ons op de vraag waar Ceder raakvlakken ziet tussen zijn geloof en zijn praktijk als advocaat. ‘Het christendom heeft mij meegegeven dat elk mens een persoon is van waarde: oud, jong, zwart, wit, huismoeder, bankier’, vertelt Ceder. ‘En dat werkt ook door in mijn werkwijze binnen de advocatuur, zowel de klant als de wederpartij is iemand van waarde en dient met respect en rechtvaardig behandeld te worden’.

Ceder is op dit moment werkzaam op meerdere rechtsgebieden die zijn interesse hebben: contractenrecht, familierecht, arbeidsrecht. Een algemene praktijk voeren wordt echter steeds minder gebruikelijk. Ceder gelooft in de noodzaak van specialisatie. ‘Het wordt wel lastig als je als generalist tegenover een specialist in de rechtszaal komt te staan. Daarnaast vraagt de huidige stand van de advocatuur om specialisatie. Ook de Orde stuurt erop aan. Het is overigens goed dat er toezicht is, de Orde heeft wat dat betreft een belangrijke functie. Je moet er als advocaat trouwens wel tegen kunnen dat er van alle kanten op je gelet wordt, maar als je daar tegen kunt is de advocatuur een prachtig vak’.

Rechtsstaat
We vragen hem wat hij vindt van de bezuinigingen op de gesubsidieerde rechtsbijstand. ‘De toegang tot het recht wordt afhankelijk gemaakt van een rijksbegroting, dus die is in feite per regeringsperiode weer anders. Dat vind ik geen goede zaak. Wij zijn een rechtsstaat en deze moeten we bewaken. Dan is het onlogisch om een politiek gestuurde begroting te handhaven. Tegelijkertijd bestaat er een beeld van advocaten als zakkenvullers, terwijl advocaten in de sociale advocatuur voornamelijk vanuit sociale motieven cliënten bijstaan. Het moet echter wel gewoon financieel haalbaar blijven voor de betreffende advocaat’.
Krijgt hij meer cliënten nu hij een bekende Amsterdammer is? Ceder: ‘Cliënten belden me tijdens de campagne wat vaker op als ze mij op een poster zagen, met de vraag hoe het met hun zaak staat’. De toegenomen aandacht is aldus Ceder ‘op zich prima’. Hij vervolgt: ‘Die aandacht vergt wel dat ik extra scherp moet zijn op de wijze waarop ik mijn praktijk voer’.

Voorbeeld
Op de vraag wie zijn voorbeeld is, antwoordt Ceder: ‘Dat is niet een specifiek persoon. Het zijn voornamelijk mensen die ik van dichtbij meemaak of heb meegemaakt. Dat zijn mensen die mij inspireren om een beter mens te zijn en alles uit mezelf te halen. Regina Mac-Nack bijvoorbeeld, oud-Amsterdammer van het jaar. Zij heeft al meer dan tien jaar een voedselbank in Amsterdam-Zuidoost waarmee ze honderden gezinnen per week te eten geeft’.

Wanneer is Ceder tevreden? Ceder: ‘Ik ben tevreden als ik weet dat ik er alles aan gedaan heb binnen mijn macht om iets realiseren, ongeacht het resultaat. Iedereen heeft zijn eigen capaciteit en potentie en ik vind het mooi wanneer mensen streven naar het volledig benutten van hun potentie. Als iedereen zijn volle potentie zou inzetten voor elkaar, dan geloof ik dat de wereld een nog mooiere plek zou zijn’.

‘In de advocatuur kan iedereen je
vijand worden, ook je eigen cliënt’

Onmogelijke uitdagingen
Wanneer is Ceder helemaal in zijn element? ‘Ik hou van ogenschijnlijk onmogelijke uitdagingen. Stagiaire-ondernemer zijn, lijsttrekker zijn, het uiterste uit jezelf halen. Het proces is erg interessant want je leert jezelf en ook anderen kennen. De weg ernaartoe is zo leerzaam. Ik ben niet iemand die supermoedig is, hoor. Bij een nieuwe uitdating tel ik vaak gewoon tot tien en dan doe ik het’.

Voor Ceder is het een uitdaging om de focus te blijven houden. ‘In elke kracht schuilt ook een valkuil, hierdoor kan het opzoeken van uitdagingen tot gevolg hebben dat je misschien oude taken dreigt te verwaarlozen’. Ceder is erg benaderbaar en toegankelijk, zo merken wij ook.

Anti-incasso
Een sterk gevoel voor rechtvaardigheid is iets dat Ceder kenmerkt. Hij vertelt dat hij het zich een aantal jaar geleden aantrok dat veel mensen niet wisten wat hun rechten waren bij incassogeschillen. Voordat hij de advocatuur in ging begon hij samen met anderen daarom met juristenkantoor Anti-incasso. Toentertijd gaf Ceder gratis workshops over de rechten en plichten van burgers bij een incassogeschil. Dat is iets wat hij vandaag de dag nog steeds doet. De cursus helpt bijvoorbeeld bij het leren lezen van juridische brieven.

Preventie en educatie
‘Ik vind het belangrijk om dergelijke workshops te blijven geven, want preventie en financiële educatie zijn wat mij betreft mogelijk nog belangrijker dan het beboeten van malafide incassobureaus. Kennis is wat dat betreft macht’.

‘Laat je niet helemaal meeslepen
in een geschil van een client’

Voordeel van de jeugd
Wij vragen Ceder of zijn jonge leeftijd (Ceder is 28) een voordeel of een nadeel is bij zijn werkzaamheden als advocaat en politicus. ‘Nieuwe cliënten keken mij in het begin bij kennis maken vreemd aan’, vertelt Ceder. ‘Ik snap het wel, want je moet jezelf bewijzen. Het heeft ook voordelen. Mensen praten anders met je. Ze vertrouwen je veel toe. Een jong advocaat die het wereldje van veel cliënten een beetje kent is wellicht een betere gesprekspartner dan een veel oudere advocaat, die eigenlijk in een totaal andere wereld leeft…’
Door de glazen voordeur van het kantoor ziet Ceder dat er buiten een cliënt staat te wachten. Wij vragen hem nog om een tip voor zijn Amsterdamse collega-advocaten. ‘Relax een beetje en laat je niet helemaal meeslepen in een geschil van een cliënt. Het is niet jouw conflict’.

‘Het is ontzettend belangrijk om toezicht in eigen hand te houden’

Nieuwe deken Evert-Jan Henrichs benoemt zijn speerpunten

Met trots stellen we aan u voor: mr. Evert-Jan Henrichs, de nieuwe deken van de ­Amsterdamse Orde van Advocaten. Daags nadat hij officieel is gekozen, spreekt het ABB met hem over zaken als het toenemende belang van zelftoezicht, de ­groeiende negatieve beeldvorming van de advocatuur, de problemen bij de gefinancierde rechtshulp en de stijgende werkdruk bij stagiairs. Henrichs vertelt ook iets over ­zichzelf: ‘Ik fiets ook weleens door rood licht’.

Tekst: Yvette Kouwenberg en Mayk Koria

‘Vanzelfsprekend ben ik verheugd met mijn benoeming. Ik kijk ernaar uit om het werk van mijn voorgangers voort te mogen zetten’, zegt Evert-Jan Henrichs, daags na zijn uitverkiezing als nieuwe deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten. Voor wie zich afvraagt hoe het ook alweer in elkaar steekt of wellicht ambities heeft zich in de toekomst als deken verkiesbaar te stellen: de lokale orden van advocaten – in totaal 11 – staan onder leiding van een raad van de orde. Zo’n raad wordt voorgezeten door de lokale deken, die wordt benoemd door de advocaten in het betreffende arrondissement. Samen met de raad is de deken verantwoordelijk voor het toezicht op de advocaten binnen het arrondissement.

Henrichs is geen onbekende binnen de Amsterdamse orde. ‘Ik ben natuurlijk sinds 2013 lid van de raad en al enige tijd waarnemend deken geweest, naast mijn arbeidsrechtpraktijk bij De Brauw Blackstone Westbroek. Die heb ik inmiddels volledig overgedragen, voor de Amsterdamse balie is deken een fulltime baan.’

Dit moet een bijzonder moment zijn na 35 jaar advocatuur.
‘Dat klopt. Helemaal als je bedenkt dat ik al die tijd aan hetzelfde kantoor verbonden ben geweest. Ik heb aan de UvA gestudeerd. In 1977 ben ik begonnen aan de studie Rechten. Dat was zoals vaak het geval is niet mijn eerste keus. Ik heb namelijk eerst een jaar Theologie gestudeerd, maar ergens halverwege het eerste jaar merkte ik dat dat ik toch liever een praktijkgerichte studie ging doen. Vooral door wat ik zag en hoorde van mijn schoonzus, die toen advocaat was, ben ik de studie Rechten gaan overwegen. Niet direct met de gedachte om advocaat te worden, maar omdat de studie veel mogelijkheden biedt. Wat verder in mijn studie kwam ik erachter dat de advocatuur toch wel eens een goede optie kon zijn. Voordat ik me had kunnen oriënteren op de verschillende kantoren, kwam ik in contact met Blackstone, Rueb en Van Boeschoten en ik heb daar gesolliciteerd voor een plek op het Amsterdamse kantoor. Blackstone is later gefuseerd met De Brauw & Westbroek. Ik ben altijd bij het kantoor gebleven, steeds als Amsterdams advocaat. Ik heb dus maar een keer in mijn leven gesolliciteerd.’

‘Ik heb maar een keer in
mijn leven gesolliciteerd’

Snelheid van handelen
We vragen Henrichs of hij – terugkijkend op 35 jaar advocatuur – vindt dat er in die tijd veel is veranderd. Henrichs: ‘In sommige opzichten is dat absoluut waar. Ik behoor tot het clubje advocaten dat de introductie van de fax nog heeft meegemaakt als versnelling van de praktijk. Dat was destijds een behoorlijk grote verandering. Voordat de fax er was begon je als advocaat de dag met het doornemen van de post. Dan stuurde je bijvoorbeeld een brief van de wederpartij in kopie door aan je cliënt en had je vervolgens twee dagen de tijd om over een concept reactie na te denken. Dat is nu niet meer denkbaar. Dus ja, de snelheid van handelen in het vak heeft de afgelopen decennia een enorme vlucht genomen.’ Henrichs staat daar positief tegenover: ‘Voor cliënten is de komst van e-mail en internet een gunstige ontwikkeling. Zij hebben sneller reactie en bovendien zit daar geen schakel meer tussen. Je hoort wel eens de opmerking dat je als advocaat altijd bereikbaar moet zijn, en dat de digitalisering daardoor een extra belasting is geworden. Soms is dat zo, maar ik denk dat je dat ook anders kunt zien. Het digitaliseringsproces geeft je namelijk de mogelijkheid om veel meer flexibel om te gaan met je tijd. Je kunt bijvoorbeeld in de middag even een uur sporten en daarna weer aan het werk of je uren anders indelen met het oog op een goede balans tussen werk en privé- en/of gezinsleven. Dat was vroeger toch anders; toen waren werktijden gebonden aan kantoortijden.’

Vanwaar de beslissing om zich als deken verkiesbaar te stellen?
Henrichs: ‘Ik heb veel facetten van de advocatuur gezien en kijk met veel plezier terug op mijn tijd bij De Brauw. De advocatuur is en blijft een prachtig beroep. Maar na 35 jaar praktijk uitoefenen ben je ook wel toe aan een nieuwe stap. En dan is het natuurlijk prachtig als je de advocatuur niet hoeft te verlaten, maar juist daarbij betrokken kan blijven, om deze vanuit een andere invalshoek te benaderen en te bedienen. In de taakvervulling van een deken komen die wensen bij elkaar. Je blijft betrokken bij de balie en je blik op de advocatuur is niet beperkt tot een rechtsgebied. Ik hoop mijn kennis en vaardigheden vanuit de advocatuur nu meer in het belang van de Amsterdamse balie in te zetten.’

‘Politiek gezien is toezicht bijna
een soort heilige graal geworden’

Gevraagd of er bijzondere speerpunten zijn waar hij als deken op wil inzetten, geeft Henrichs aan dat het toezicht op de advocatuur veel aandacht zal vergen. Henrichs: ‘Overigens is dat niet zozeer een streven van mij persoonlijk, maar past dat meer in het verlengde van een al lopend proces. Sinds de nieuwe Advocatenwet zijn de lokale dekens bezig het toezicht te harmoniseren en efficiënter te maken. De bedoeling is dat de plaatselijke dekens het toezicht op eenzelfde manier organiseren en uitoefenen. Ook wordt van de lokale dekens verwacht dat zij efficiënter met hun capaciteiten omgaan. Sinds 2015 is er het college van toezicht, dat toezicht houdt op de wijze waarop de lokale dekens het toezicht op de advocaten vormgeven, zonder inzage in de individuele dossiers, het zgn. systeemtoezicht. De geheimhouding en het verschoningsrecht van advocaten is daarmee gewaarborgd. Het college van toezicht ziet dus ook toe op de genoemde harmonisatie- en efficiencyslag. De eindverantwoordelijkheid blijft echter bij de plaatselijke dekens liggen. Het is niet zo dat het college van toezicht op de stoel van de deken gaat zitten.’

Overheid als wederpartij
Henrichs gaat verder: ‘Maatschappelijk en politiek gezien is toezicht wel bijna een soort heilige graal aan het worden. Overal zie je dat toezicht wordt aangescherpt. Zodra er een misstap is, is meer toezicht nodig. Dat is ook merkbaar in de advocatuur. Daar ontkom je niet aan. Een paar jaar geleden, bij de wijziging van de Advocatenwet, zijn we er gelukkig in geslaagd het toezicht in eigen kring te houden. Daar is toen flink over gedebatteerd. Als oplossing is toen het college van toezicht geïntroduceerd. Het is ontzettend belangrijk om toezicht in eigen hand te houden. Daar hebben we ons destijds als lokale ordes, samen met de landelijke Orde, voor hard gemaakt. Het gaat om de eerder genoemde geheimhouding in het algemeen, maar een gegeven is ook dat in een groot deel van de zaken (meer dan 50 procent) de overheid namelijk de wederpartij is. Denk aan strafrecht, bestuursrecht en belastingrecht. Als de overheid dan als wederpartij en toezichthouder twee petten op heeft is de onafhankelijkheid van de advocatuur niet langer gewaarborgd.’
Toezicht draagt bij aan transparantie in de advocatuur en daar is Henrichs voorstander van. ‘Zo benadrukken we door de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en het toezicht daarop een belangrijke kernwaarde van de advocatuur, de integriteit’, aldus Henrichs. Anderzijds ziet hij ook wel dat er een mindere kant is. Henrichs: ‘Het leidt niet zelden tot veel extra werk voor de advocatenkantoren. De Wwft is ook daar een goed voorbeeld van: advocaten die daar veel mee te maken hebben zijn daar behoorlijk wat tijd mee kwijt. Dat is onvermijdelijk, maar we moeten goed blijven kijken naar de balans tussen het doel en het extra werk dat het met zich brengt.’

‘Het college van toezicht gaat niet
 op de stoel van de deken zitten’

Met het intensiever worden van toezicht is Henrichs van mening dat je er overigens wel voor dient te waken dat je andere rol als deken – namelijk die van belangenbehartiger en aanpreekpunt – niet in het gedrang komt. Henrichs licht toe: ‘Dat vind ik heel belangrijk. Advocaten moeten tenslotte hun weg naar jou als deken en het bureau van de Orde kunnen blijven vinden en zich daar ook vrij in voelen. Dus zonder dat de advocaat de indruk heeft dat hij daardoor meteen in de spotlight komt voor een kantoorbezoek.’

Kantoorbezoeken
We borduren voort op de kantoorbezoeken. Henrichs vertelt daarover: ‘De kantoorbezoeken zijn een landelijk initiatief. Jaarlijks worden minimaal 10 procent van de kantoren bezocht. In Amsterdam zijn dat ongeveer 100 kantoren per jaar. Dat doet we met alle leden van de raad en de stafmedewerkers van het bureau van de Amsterdamse orde, die allen advocaat zijn. We werken met een landelijk vastgestelde vragenlijst. Je zou misschien verwachten dat we stuiten op veel argwaan, maar het tegenovergestelde is eigenlijk waar. We worden over het algemeen zeer positief ontvangen. Mensen vertellen met trots over hun kantoor en laten graag zien hoe zij het allemaal geregeld hebben en waar ze mee bezig zijn. Zo houden we vinger aan de pols binnen de Amsterdamse orde en daar hecht ik aan. Toezicht op kwaliteit en contact met de balie en waar nodig hulp aanbieden. Er moet een soort laagdrempeligheid blijven bestaan.’

Ook het beeld wat er over de advocatuur bestaat vindt Henrichs een punt van aandacht. De plaatselijke dekens ontvangen iedere maand een persoverzicht van de landelijke orde over hoe advocaten in de publiciteit belanden. Vaak is dat voor meer dan 80 procent negatieve publiciteit. Henrichs vindt dat een zorgelijke ontwikkeling: ‘Je zou willen dat het allemaal positiever is. Er dreigt een negatief beeld te ontstaan van de advocaat, terwijl de advocatuur in Nederland het –  incidenten daargelaten – gewoon goed doet en de zaken goed zijn geregeld.’

Puntenwaardering
Ondanks dat het goed geregeld is in Nederland is Henrichs van mening dat het op bepaalde punten beter kan, met name op het gebied van de gefinancierde rechtshulp. ‘Momenteel maakt de sociale advocatuur, die in Amsterdam gelukkig nog springlevend is, moeilijke tijden mee. Het is jammer dat er niet op een andere manier naar de puntenwaardering wordt gekeken. Als raad proberen wij er aandacht voor te vragen en de problemen van de gefinancierde rechtshulp aan te kaarten. Het zou echt anders moeten, het rapport-Van der Meer is daar heel duidelijk over. Daarom hebben we met een groot aantal leden van de Amsterdamse raad en van het bureau meegedaan aan het togaprotest van 1 februari. Maar overigens is het in het algemeen goed geregeld in Nederland.’
Vanwege onder meer de wijze waarop de advocatuur in de publiciteit staat vindt Henrichs het belangrijk dat advocaten zich er bewust van zijn dat zij tot een beroepsgroep behoren die steeds meer in de schijnwerper komt te staan. Henrichs: ‘Je hebt je te gedragen op een manier die passend is voor een advocaat, juist vanwege de publicitaire aandacht voor onze beroepsgroep. Dat is ook niet voor niets vastgelegd in Gedragsregel 1. Een advocaat moet zich realiseren dat hij, ook als hij niet als advocaat handelt, toch tuchtrechtelijk aangesproken kan worden. Je bent tenslotte 24 uur advocaat.’ Het is zo een globale norm dat je daar als deken niet op kunt gaan sturen, stelt Henrichs. ‘Ik memoreer vaak aan die Gedragsregel. Als ik dat bijvoorbeeld tijdens een praatje bij beëdigingen of tijdens kennismakingsgesprekken met jonge advocaten doe is dat om advocaten te herinneren aan hun vak en het feit dat hun handelingen daar invloed op kunnen hebben. En vanzelfsprekend is het soms een grijs gebied. Ik fiets ook wel eens door een rood stoplicht.’

Werkdruk stagiairs
Henrichs wil zich daarnaast blijven richten op de werkdruk bij stagiaires. Henrichs: ‘We zijn als raad in Amsterdam al begonnen om daarnaar te kijken. Niet alleen bij de grote kantoren op de Zuidas maar ook bij de kleinere kantoren. We vinden dat er zoveel signalen zijn over werkdruk en burn-outklachten en daar is inmiddels aandacht aan geschonken. ‘Zo is er een standaard vragenlijst voor stagiaires die bij het eindgesprek met de mentor wordt doorgenomen. Daarin staan vragen als ‘vind je dat er voldoende begeleiding is, voldoende gelegenheid is om de beroepsopleiding te volgen, hoe ervaar je de werkdruk?’ Henrichs: ‘Het is goed om dergelijke ervaringen van stagiaires te inventariseren. En natuurlijk ligt het allemaal genuanceerd. Er staat nergens geschreven dat je niet meer dan 40 uur kan werken, zo lang je maar plezier hebt in je werk gaat het gelukkig vaak goed, maar er zijn natuurlijk grenzen. We willen er gewoon meer te weten over komen.’

‘Op het verschoningsrecht wordt vanuit onze samenleving en de politiek geloerd’

Wijnspecialist
Bij het bestuderen van het cv van Henrichs viel ons direct iets bijzonders op; Henrichs is niet alleen een arbeidsrechtspecialist, maar ook een wijnspecialist. Daar willen wij meer over weten. Henrichs blijkt een grote passie te hebben voor wijnen en heeft daar ook veel verstand van. Sinds 2007 is Henrichs vinoloog. Hij begon zich in de wijnen die hij lekker vond te verdiepen en wilde zijn smaak ontwikkelen. ‘Je wilt beter leren proeven en meer van de wijn afweten.’ In 2000 behaalde Henrichs zijn wijnbrevet en begon vervolgens aan de intensieve opleiding tot vinoloog bij de Wijnacademie. ‘Daar zitten vooral mensen uit de wijnhandel en de horeca, maar in bescheiden mate laten ze ook hobbyisten zoals ik toe. Door de opleiding zat ik een jaar lang eens in de twee weken een dag in de schoolbanken. Dat vond ik overigens heel erg leuk, vooral dat je weer eventjes in de positie van de onwetende student wordt geplaatst.’ Als vinoloog is Henrichs verplicht permanente educatiepunten te behalen. Meer dan wijnproeven en zichzelf ontwikkelen doet Henrichs niet met zijn titel ‘Vinoloog van de Wijnacademie’.

Vertrouwelijkheid
Op de vraag tot slot wat hij de advocaat kan meegeven, antwoordt Henrichs: ‘Geniet van het mooiste en bijzondere beroep en koester de voorrechten die wij als advocaten hebben. Denk hierbij aan het verschoningsrecht tot en met onafhankelijkheid en vertrouwelijkheid. Wees daar uitermate zuinig op, want met name op het verschoningsrecht wordt vanuit sommige hoeken van onze samenleving en de politiek geloerd. Het is onterecht dat er vanuit die hoeken wordt gedacht dat het verschoningsrecht enkel van belang is voor procesadvocaten. Wij vinden dat een onterechte gedachte: iedereen moet zich tot een advocaat kunnen wenden voor advies zonder vrees dat daarvan iets naar buiten komt. Dat is in het belang van iedereen. Ook moeten wij als advocaten ervan bewust zijn dat wij het in Nederland behoorlijk goed geregeld hebben, denkend aan de advocaten in minder begunstigde landen.’

‘Openbaarheid is meer dan alleen de deuren van de zittingszaal open zetten’

Interview: Saskia Belleman, de koningin van de rechtbankverslaggeving

Onder rechters, advocaten en officieren van justitie zijn rechtbankverslaggevers bijzondere spelers. Saskia Belleman, rechtbankverslaggever bij De Telegraaf, is misschien op dit moment wel de bekendste. Haar handelsmerk zijn live-twitterfeeds vanuit de rechtbank. Met bijna 50.000 volgers is zij voor velen dé bron voor nieuws uit de zaal bij de grote strafzaken. Maar ook bij kleinere, niet-strafrechtelijke zaken is zij aanwezig, tablet op schoot. ‘Twitter is elastisch, papier niet’.

Tekst: Victor van Campen en Tomasz Kodrzycki

Als advocaat weet je dat je een mooie zaak te pakken hebt als Saskia Belleman vanuit de zaal mee-tweet. Van het Wilders-proces tot de terugkeer van Laura H., Belleman is er bij. Toch duurde het even voordat rechters en advocaten gewend waren aan het feit dat zittingen in real time op internet te volgen zijn. In groot detail beschrijft Belleman wat ze hoort en ziet, waardoor het mogelijk is om op afstand de sfeer in de rechtszaal te ervaren. Maar het blijft niet bij enkel beschrijven. Via haar twitterkanaal beantwoordt Belleman vragen over de dossiers waar zij verslag van doet en roept zij soms reageerders en reaguurders tot de orde.

‘Ontzettend veel mensen reageren vanuit hun onderbuik’, vertelt Belleman. ‘Ik vind dat het dan ook mijn taak als journalist is om te zeggen: er is ook een andere kant dan alleen tekeergaan tegen advocaten. Soms kan ik echt boos worden. Zo was ik bij een zitting over een man die zijn schoonmoeder had vermoord. Als er dan op Twitter iemand zegt: “Ik denk er ook wel eens zo over”, dan zeg ik dat ik dat misplaatst vind.’

Werkt het?
‘Soms, maar soms moet ik ook gewoon mensen blokkeren’. Irritatie wekken inmiddels wel de hardnekkigen, die zich steevast, soms in bloemrijk proza, laatdunkend uitlaten over de ‘milde straffen van de Nederlandse rechter’, op een moment dat het OM nog maar zijn eis formuleert. Belleman, die steevast uitlegt dat de rechter dan nog moet oordelen, vervult in dat opzicht inmiddels ook een educatieve functie.

In minder dan 140 tekens per tweet doet Belleman vanaf een tablet verslag vanuit rechtszalen in heel Nederland. De nieuwe twittergrens van 280 tekens hanteert ze nog niet. Vroeger tweette ze nog wel vanaf een telefoon, maar ter voorkoming van een ‘twitter-arm’ gebruikt ze al tijden exclusief haar tablet. Een lievelingsrechtbank heeft ze niet, maar er zijn wel duidelijk plekken waar ze liever komt. De beveiligde rechtszaal bij Schiphol scoort goed, en aanzienlijk beter dan bijvoorbeeld de ‘De Bunker’. Namen van verdachten, die degenen in de rechtszaal allemaal horen, vermeldt zij niet, naar goed gebruik onder journalisten. Bij bijvoorbeeld Jos van Rey was dat anders, omdat hij zelf ook de publiciteit opzocht.

Belleman zoekt zelf de zaken uit. ‘Ik spit de zittingslijsten door, kijk wat er allemaal dient, en maak dan een afweging op basis van media-aandacht en de ernst van het feit’, legt Belleman uit. ‘Dat kan gaan om heftige moordzaken, maar ook bijvoorbeeld het verhaal van een antiquair uit Maastricht die een boete krijgt omdat hij niet op de stoep mag zitten. En ja, dan ga ik daarvoor naar Maastricht’.

Confronterend
Komt het rechtstreekse en uitgebreide verslag vanuit de rechtszaal niet te dicht in de buurt van het filmen van de zitting? Het is immers bijna alsof je erbij zit, inclusief omschrijvingen van emoties en non-verbale communicatie. Belleman zegt dat zij het daar niet mee eens is. Ze beschrijft hoe het strafproces werkt en houdt zich daarbij aan de persrichtlijn van De Rechtspraak. ‘Het blijft tekst, en ik breng niemand in beeld. Als iemand een bijzonder herkenbare voornaam heeft, kort ik ook die af’. Aanvankelijk probeerden rechters Belleman nog wel eens te verbieden haar telefoon te gebruiken in de rechtszaal. Soms omdat ze dachten dat er werd opgenomen, soms omdat ze het confronterend vinden dat alles wat er in de rechtszaal gezegd wordt, meteen op straat ligt. Ze vermoedt dat er in de raadkamer soms wel naar het verslag op twitter wordt gekeken, want na terugkomst in de rechtszaal proberen sommige rechters punten te verduidelijken die tot veel discussie op twitter hebben geleid. Daar is ze – terecht! – best wel trots op.

Een onzinmedium, dat vond Belleman aanvankelijk van Twitter. ‘Dat is toch voor mensen die het nodig vonden de wereld te laten weten wat voor hagelslag ze gingen kopen’. Totdat een collega van haar wees op de mogelijkheid om via twitter rechtstreeks vanuit de zaal verslag te doen van het Wilders-proces. ‘Alle kranten en televisiezenders zouden bij dat proces aanwezig zijn. Wat konden wij daar als dode bomen-medium nog aan toevoegen?’ Zo is het idee van actuele berichtgeving van de zitting via twitter ontstaan, wat aangemoedigd werd door de Telegraaf-redactie: ‘Ga zo door’, kreeg Belleman te horen terwijl de volgers binnenstroomden.

‘Aan het begin vond ik Twitter
maar een onzin-medium’

Even leek het er op dat het bij het Wilders-proces zou blijven, maar al snel merkte Belleman dat zij in een behoefte voorzag. Mensen begonnen via twitter vragen te stellen, wat Belleman in het begin afhield. Maar naarmate ze vaardiger werd, begon ze ook vragen te beantwoorden. ‘Dat zijn vragen zoals: “Wanneer doet de jury uitspraak?” Dan vind ik het ook mijn taak als journalist om het publiek iets te leren over hoe de rechtsstaat in elkaar zit. En in tegenstelling tot de krant heb ik op twitter wel de ruimte om dingen uit te leggen. Twitter is elastisch, papier niet.’ Inmiddels is Belleman een ‘force to be reckoned with’, en geniet ze veel autonomie van haar redactie.

Wat de openbaarheid van de rechtspraak betreft, valt er nog wel wat te winnen. Zo is de informatie over welke zaken er dienen niet goed beschikbaar. De rechtspraak moet openbaarheid serieuzer nemen en mensen actief informeren, aldus Belleman. Waarom dat niet gebeurt, begrijpt ze niet. Ze vindt dat grotere openbaarheid niet ten koste hoeft te gaan van bescherming van de privacy van de verdachte. ‘Je kunt best informatie over een zaak geven zonder privacygevoelige informatie prijs te geven. Openbaarheid is meer dan alleen de deuren van de zittingszaal open zetten’. Daarnaast zijn zittingen openbaar en kan iedereen die de moeite neemt naar de rechtbank gaan in beginsel zien, horen en bij naam identificeren.

Droge feiten
Belleman begon haar journalistieke carrière als algemeen verslaggever, waar ze zich overal tegenaan kon bemoeien. Gaandeweg verwierf ze leidinggevende functies op de redactie van eerst het ANP, en later De Telegraaf, maar uiteindelijk ging het toch weer knagen en wilde ze terug naar de inhoud en weg van de processen. Tegenwoordig zit zij full time, vijf dagen per week in de rechtszaal. Vanaf haar tablet komen de vaak ernstige verhalen van slachtoffers en verdachten vanuit de rechtszaal de wereld in. Volgens Belleman hoef je daar niets bovenop te doen, de droge feiten zijn vaak al spannend genoeg. Wel probeert ze ook de sfeer nauwkeurig te beschrijven. ‘Soms heb ik echt zielsmedelijden met zo’n verdachte, als alles in iemand zijn leven heeft tegengezeten’. Belleman beschrijft de rechtszaak van de oud-directeur van de GelreDome, die op een dag zijn vrouw doodsloeg met een honkbalknuppel. ‘Iets in hem is geknapt, en bij de zitting was te zien dat die man helemaal kapot was. Ik heb veel meer zaken gezien die gaan over mensen die niet echt “criminelen” zijn, maar gewone mensen die om allerlei vaak treurige combinaties van omstandigheden ineens ervan verdacht worden iets buitengewoon verschrikkelijks te hebben gedaan. En dat soms ook hebben gedaan. Ik probeer ook begrip te kweken voor de rol van de verdachte. Dat soort zaken fascineert me. Het zijn zittingen waar ik ademloos naar kan kijken.’

‘Soms heb ik echt zielsmedelijden
met zo’n verdachte’

Wij vragen of Belleman beoogt louter objectief verslag te geven van wat zij in de rechtszaal ziet. ‘Ik probeer zo sec mogelijk verslag te doen, maar ik weet dat in de selectie van zaken al een zekere subjectiviteit zit en dat ik het soms kan kleuren. Ik observeer wel dingen en merk die dan ook op. Bijvoorbeeld als een verdachte spijt heeft, maar eigenlijk alleen van de situatie waarin hij- of zijzelf is beland. De vermelding van die observatie is niet waardenvrij’.

Gematigd geluid
Is Belleman dan wel rechts genoeg voor De Telegraaf, vragen wij? ‘Dat hoeft dus niet’, lacht ze, ‘want er werken niet alleen maar rechtse mensen bij De Telegraaf’. De platte kopij die de krant aanlevert wordt met genoegen overgenomen door de regionale kranten van de Telegraaf Media Groep, die een veel minder rechtse signatuur hebben. Wel plakken ze daar meestal een andere kop op – dat maakt (in perceptie) erg veel verschil. Het gematigde geluid is er dus zeker, afgezien van een ‘superlatiefje hier en daar’. Belleman voegt toe dat zij geen invloed heeft op de koppen boven de artikelen: dat is een vak apart. Eerlijkheidshalve zijn het niet altijd de koppen die zij had zelf geplaatst bij haar eigen stukken (ze schrijft ook gewoon in de krant).

Een van de zaken die Belleman het meest bij is gebleven is die van een automobilist in Groningen die twee spelende tienjarige meisjes had doodgereden. De dochter van Belleman was toen ook in die leeftijd. Belleman legt uit dat dodelijke ongelukken en de straffen die daarop volgen bijna niet uit te leggen zijn, omdat mensen al heel snel klaar staan met hun oordeel. ‘Voor het publiek is zo iemand een moordenaar. Ik heb mij de blaren op de vingers geschreven om uit te leggen dat het begrip “roekeloos” in het recht iets anders is dan in het alledaagse spraakgebruik’.

Of Belleman wel eens spijt heeft van een tweet? ‘Ja, al probeer ik altijd goed te blijven nadenken’. Zo versloeg ze via twitter in detail het gruwelijke feitenrelaas in de zaak van Marianne Vaatstra. ‘Soms hoor ik iets op de zitting, en dan denk ik, laat ik dit even parkeren. De grens tussen volledigheid en sensatie ligt elke keer ergens anders. Ik heb wel eens een tweet verwijderd’.

Goede advocaten
Uiteraard zijn we benieuwd hoe Belleman, met vermoedelijk meer ‘zittingservaring’ dan de gemiddelde advocaat, de spelers in de rechtszaal beschouwt: wat vindt zij zoal van de Nederlandse rechters, officieren, en – natuurlijk – advocaten? ‘Je komt heel uiteenlopende deelnemers tegen. Er zijn advocaten die zich het er maar gemakkelijk van af maken, die niets hebben voorbereid, geen pleitnota op papier hebben, een verhaal vertellen waar kop noch staart aan zit. Dan denk ik, die verdachte had echt een betere advocaat verdiend. Soms zijn er ook advocaten die je van tevoren al gaan bellen, die informatie aan je willen geven, maar dat verhaal is natuurlijk gekleurd’. Wat typeert volgens Belleman dan een goede advocaat? ‘Dat is iemand die vanuit zijn hart pleit, die durft af te wijken van zijn pleitnota en die inspeelt op wat er op de zitting gezegd wordt. Een advocaat die het onderste uit de kan wil halen maar wel realistisch blijft, dus: niet stug vasthouden aan kansloze verweren of verzoeken die toch wel worden afgewezen. En je hoeft ook niet namens je cliënt onzin te verkopen’.

‘De grens tussen volledigheid en
sensatie ligt elke keer ergens anders’

‘Soms zie je op zittingen officieren van justitie voor wie het persoonlijk lijkt’, vervolgt Belleman. ‘Te fanatiek doet de zaak geen goed. Een zakelijk verhaal, waarbij je je professionele distantie bewaart en je emotie er buiten laat, is dan beter’. Ze legt uit dat een officier van justitie die een verdachte laat zien dat hij serieus genomen wordt, tien keer meer informatie uit zo’n verdachte kan krijgen. En soms hebben officieren gewoon te weinig ‘hard bewijs’. Bij wijze van voorbeeld haalt ze het ‘verhullend taalgebruik’ aan. Criminelen communiceren verhuld met elkaar, is de onderliggende idee. Dat kan. Maar er is een risico dat in de beleving van de officier op een gegeven moment elk vaag gesprek kennelijk verhullend bedoeld moet zijn, en dus bewijs is van een of ander misdrijf. ‘Soms is iets gewoon wat het is: een vaag telefoongesprek voor buitenstaanders, terwijl de bellers elkaar precies begrijpen’. Dit soort observaties raakt aan de magistratelijkheid van het openbaar ministerie.

Volksgericht
Mateloos ergert Belleman zich aan wat tegenwoordig een ‘standaardargument’ van strafrechtadvocaten lijkt te zijn geworden: ‘Mijn cliënt is al veroordeeld door de media’. Belleman benadrukt dat we in Nederland natuurlijk geen volksgericht willen hebben en dat het daarom slecht zou zijn als de volledige naam van verdachten genoemd wordt, want die blijft hangen bij het publiek. ‘Gebrek aan bewijs, dat blijft niet hangen’. Toch vindt Belleman dat bijvoorbeeld kopschoppers of mensen die helemaal los zijn gegaan met geweld in het uitgaansleven zelf maar de consequenties van media-aandacht over hun daden moeten dragen. ‘Ons werk moet geen verzachtende omstandigheid zijn en ik erger me aan het automatisme van advocaten die het aanvoeren’, aldus Belleman.

Nog iets waar Belleman zich aan ergert zijn de voorzieningen in rechtbanken voor pers en publiek. Die laten volgens haar ernstig te wensen over. ‘De arbodienst zou ze op de bon slingeren’, stelt Belleman. Zo stoorde ze zich aan de matige voorzieningen voor het publiek bij de Rechtbank Rotterdam. Twee tweets later was het ineens geregeld. Dat kon dus ook eerder. Toch zijn er nog genoeg rechtbanken en gerechtshoven waar ruimte is voor verbetering: in Zwolle was tot recent geen perskamer en de kamer voor slachtoffers en nabestaanden is een soort liftschacht. In Utrecht wordt het tijdstip van hervatten van de zitting niet duidelijk doorgegeven terwijl een lunch niet op de rechtbank te krijgen is, met als gevolg dat mensen niet het gebouw uit durven te lopen uit vrees dat ze de zitting missen. In Den Bosch zijn er maar een paar klaptafels voor journalisten en bij het nieuwe Gerechtshof Amsterdam waren aanvankelijk niet eens banken buiten de zaal voor wachtenden. In de zaal zitten media zo dicht op de procespartijen dat je de advocaat met zijn cliënt kan horen fluisteren. Memorabel vindt ze de rechtbank waar je vanaf de publieke tribune de procesdeelnemers niet eens kunt zien. ‘Als je de zitting niet eens kan zien, maak je van openbaarheid een lachertje’. Zo kan Belleman nog wel even doorgaan.

Begrip voor slachtoffers
En onze rechters dan, hoe doen die het? ‘Het valt mij op dat vrij veel rechters moeite hebben met de omstandigheid dat er ook slachtoffers en nabestaanden in de zaal zitten, en dat deze een rol spelen in het proces’. Slachtofferverklaringen zijn vaak erg emotioneel voor hen die dit recht toekomt en het zou eigenlijk vanzelfsprekend moeten zijn dat rechters even schorsen na het spreekrecht. ‘Rechters moeten begrip hebben voor slachtoffers die op zitting stikken in hun emoties’. Het valt Belleman op dat rechters soms moeite lijken te hebben met de toegenomen rol van slachtoffers in het strafproces. Rechters willen, zo lijkt het haar soms, slachtoffers ook niet te veel aan het woord laten, met name over de straf. ‘Je wilt die slachtoffers ook geen worst voorgehouden die niet uitgeserveerd zal worden’.

Soms is Belleman ook kritisch over een vonnis, en benoemt zij bewust wat er is weggelaten, ‘maar ik zal niet zeggen of ik het goed of slecht vind’. Wat ze belangrijk vindt, is dat rechters hun vonnissen goed motiveren en zich niet terugtrekken in juridisch taalgebruik. ‘Als rechter zit je er namens de samenleving en daarom moet je je vonnis helder uitleggen. Er is nog veel te winnen. Het is belangrijk dat je mensen meeneemt in je uitspraak en niet bang bent om blootgesteld te worden aan kritiek. Je moet als rechter echt willen dat mensen je begrijpen’.

We sluiten af met de vraag hoe lang we nog van Bellemans tweets kunnen genieten. ‘Ik blijf me inhoudelijk verbazen en daarom vind ik het nog steeds hartstikke leuk. Het hangt natuurlijk ook wel af van mijn werkgever: Hoe belangrijk blijft die dit vinden? Ik ben de enige overgebleven verslaggever in vaste dienst bij een landelijk medium die enkel rechtbankverslaggeving doet’.

Interview – ‘Ik wil altijd meer’

Jan de Bie Leuveling Tjeenk gaat terug naar de universiteit

Per 1 april 2017 is Jan de Bie Leuveling Tjeenk benoemd tot bijzonder hoogleraar Corporate Litigation aan de Vrije Universiteit. Een nieuwe uitdaging die hij met beide handen heeft aangegrepen. Zijn positie bij De Brauw Blackstone Westbroek hoeft hier niet voor te wijken. Een gesprek over langlopende civiele procedures, massaclaims, civiele cassatieprocedures en zijn komende wetenschappelijke agenda.

Tekst: Lara Smeets en Tomasz Kodrzycki

Enkele uren voorafgaand aan het interview heeft Tjeenk nog staan pleiten in het kort geding tussen AkzoNobel en de activistische aandeelhouder Elliott Advisors. Het onderwerp betrof de houding van onder meer president-commissaris Antony Burgmans van AkzoNobel ten aanzien van de overnamevoorstellen van PPG Industries. Een zaak die we allemaal hebben kunnen volgen in de media. Dergelijk grote zaken zijn Tjeenk niet vreemd, leren we later in het gesprek. Het kort geding heeft hoorbaar (kleine zucht) energie gekost, hetgeen niet verrassend is, gezien de grote belangen die een rol in die zaak spelen. Die zucht na inspanning moet echter absoluut niet worden geïnterpreteerd als iets negatiefs, want procederen in kort geding is leuk, zegt Tjeenk. Het is echter niet iets dat de overhand heeft in zijn praktijk, want een klein onderzoek op google had ons al geleerd dat juist de grote langslepende kwesties zijn dossierkast vullen.


‘Een kort geding is leuk, maar het is een fact of life dat sommige zaken gewoon lang duren. Op zich is de lengte van de zaak niet per se leuk, maar het zijn vaak wel zeer interessante zaken.’ Het gesprek over dit onderwerp gaat al snel richting de procedure waarin Tjeenk het hoofdkantoor van Shell in Nederland bijstaat en welke procedure voor dat bedrijf uniek is. ‘Het is voor het eerst dat in een zaak die gaat om schade ten gevolge van een lekkage uit een oliepijpleiding in het buitenland, in dit geval Nigeria, de holdingmaatschappij wordt gedagvaard en er in Nederland wordt geprocedeerd, aangezien de meer voor de hand liggende keus is het in rechte betrekken van de vennootschap die de oliepijpleiding die heeft gelekt exploiteert. Het betreft dus meestal de “lokale Shell”, de dochteronderneming. In deze procedure hebben eisers het standpunt ingenomen dat het beleid dat heeft geleid tot de schade is gemaakt op het hoogste niveau.’

Nigeriaans recht
Gevraagd naar hoe lang deze procedure dan al duurt, zegt Tjeenk: ‘De procedure tikt al bijna het decennium aan.’ Na deze enigszins verbijsterende informatie en de vraag wat er zo bijzonder aan deze procedure is, klinkt enigszins teleurstellend dat het een gewone civiele procedure is. Het betreffen strikt genomen vijf afzonderlijke procedures die gevoegd worden behandeld. De lange duur wordt verklaard doordat het een complexe materie betreft, zowel wat de feiten betreft als het recht (Nigeriaans recht is van toepassing). Verder is er eerst in eerste aanleg en later ook in hoger beroep een beroep gedaan op de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van de vorderingen tegen de Nigeriaanse Shell-dochter, waarna eisers een beroep hebben gedaan op de exhibitieplicht van artikel 843a Rechtsvordering. ‘De memorie van grieven moet nog worden genomen. Nu zijn de deskundigen bezig met feitenonderzoek, maar dat is niet makkelijk na tien jaar. De deskundigen gaan het bestaande materiaal onderzoeken, zoals papierwerk en video’s van destijds. Onderzoek in Nigeria op locatie is op dit moment te onveilig.’

‘Onderzoek in Nigeria op locatie
is op dit moment te onveilig.’

De zaken van Tjeenk die het decennium aantikken zijn niet de enige factoren die lang in zijn leven blijven. Buiten zijn gezin, waarover later meer, is De Brauw Blackstone Westbroek ook een stabiele factor. Negentien jaar geleden, in 1998, klonk het startschot voor zijn carrière als advocaat. ‘Ik voelde me tijdens de sollicitatiefase al echt gewaardeerd om wie ik was. De gesprekken werden allemaal een op een gevoerd, waardoor je allemaal andere gesprekken kreeg en er oprechte interesse in de kandidaat werd getoond. Deze aanpak hanteren we nu nog steeds.’

Bijzonder spanningsveld
’Ik had echt het idee dat ik me hier thuis zou voelen.’ Na negentien jaar constateren wij dat dat gevoel waarschijnlijk terecht is geweest. Zijn tweede thuis is Corporate Litigation geworden. De twee secties corporate en litigation hebben schotten die niet waterdicht zijn. De focus voor Tjeenk ligt naast Corporate Litigation ook op massaclaims. ‘Daar gaat mijn hart sneller van kloppen. In dergelijke procedures is er sprake van een bijzonder spanningsveld. Alle partijen beseffen dat het eigenlijk geen doen is als je iedere zaak individueel gaat behandelen. Het doel is dan ook altijd een uitspraak met een breder toepasbare oplossing. De aansprakelijk gestelde partij wil dit soort zaken graag achter zich laten, maar uiteraard niet tegen iedere prijs. De cliënt dient dan ook te worden begeleid naar een oplossing, in welk traject ook bijna altijd de vraag dient te worden beantwoord wanneer je schikt. Dit doe je in het begin of je kijkt eerst hoe het zich ontwikkelt. Deze laatste strategie kan gunstig zijn voor een gedaagde, maar ook zij willen vaak niet blijven hangen in het verleden, waarnaast ook een kostenoverweging plaatsvindt. Daarnaast worden rechters vaak strenger naarmate het langer voortduurt. De zaak krijgt dan vaak een eigen werkelijkheid. Partijen hebben zich ingegraven en de standpunten verharden, waarbij iedere steen wordt omgedraaid. Het vereist lef van beide partijen om een dergelijke procedure te kiezen boven een schikking.’

Oratie
Naast alle onderhandelingen en het pleiten komt er binnenkort een ander soort spreken bij, namelijk college geven aan een zaal vol studenten. Tijdens de lezing van dit artikel zal Tjeenk zijn eerste schreden zetten in de collegezaal van de Vrije Universiteit. Doceren is hem echter niet vreemd, aangezien hij dit de afgelopen jaren ook heeft gedaan. Tjeenk gaf PO-cursussen en colleges aan studenten van de Radboud Universiteit Nijmegen. Het onderwerp betrof de Wet collectieve afwikkeling massaschade. Tjeenk ontving zijn studenten echter bij De Brauw in Amsterdam, vermoedelijk toch een andere belevenis dan een collegezaal op maandagochtend op de Vrije Universiteit. Toch heeft Tjeenk er zin in en ook in het doen van wetenschappelijk onderzoek. ‘Als eerste staat de oratie op de planning, waarin ik mijn onderzoeksagenda bekend maak. De datum zal zijn ergens begin volgend jaar. Ik heb al diverse ideeën, zoals rechtsvorming in ondernemingsrechtelijke geschillen. Dit is heel breed, maar je kan dan denken aan vragen zoals hoe rechters de regels die ze toepassen in concrete situaties vinden. Neem de situatie waarin de rechter beslist dat het bestuur van een onderneming op een bepaald moment iets juist wel of niet had moeten doen. Waar haalt die rechter de concrete norm vandaan? Bij deze vraagstukken worden ook het Europese recht en de wisselwerking met het nationale recht betrokken. Een voorbeeld daarvan is de betekenis van de Richtlijn Aandeelhoudersrechten, zoals vanochtend het onderwerp was in kort geding. Wanneer mogen aandeelhouders het ontslag van bestuurders op de agenda plaatsen?’

Civiele cassatie
Een andere tak van sport die Tjeenk niet onverdienstelijk beoefent, is het specialistische werk van een civiele cassatieadvocaat. Niet zelden loodst hij zijn eigen cliënten door dit proces, ook confrères weten hem met regelmaat hiervoor te vinden. Het cassatiewerk trekt vanwege de juridische diepgang en het rechtsvormende potentieel. Een keer heeft Tjeenk kunnen pleiten bij de Hoge Raad: een buitenkans waar hij mooie herinneringen aan koestert.

‘Van massaclaims
gaat mijn hart
sneller kloppen’

Tjeenk is een geboren Amsterdammer en een getogen Oegstgeester. Groningen was zijn thuis tijdens zijn studie. ‘Ik ben naast mijn studie geschiedenis gestart met de studie rechten. Ik vond dat een hele saaie studie. Pas in de laatste fase heb ik het licht gezien. Na mijn scriptie geschiedenis over een Amerikaanse rechter in de negentiende eeuw heb ik dat onderwerp uitgewerkt en ook gebruikt voor rechten.’ Dat Tjeenk toen gegrepen werd door het recht blijkt uit zijn proefschrift en zijn tijdens zijn promotie ontstane wens om advocaat te worden.

In 2012 is hij met zijn gezin verhuisd van de Amsterdamse Prinsengracht naar Heemstede. Zijn vrouw is partner bij DLA Piper in Amsterdam; beiden leiden dus drukke levens. Daar hebben zij een goede modus in gevonden, die hen voldoende kans geeft tijd met zijn vrouw en zonen van negen, acht en zes door te brengen. Doordeweeks komen daar wel twee au pairs aan te pas. In Heemstede genieten ze van de rust en ruimte, en na vijf jaar weg te zijn uit Amsterdam maken ze tevreden de balans op, zonder verhuisplannen. ‘Natuurlijk, Amsterdam is fantastisch, maar het is zonder de stad al druk genoeg. In de stad moet je altijd wat gaan doen met de kinderen, hier kunnen ze makkelijker naar buiten. Er is rust over ons neergedaald.’ Het wonen buiten Amsterdam heeft Tjeenk zelfs aan het racefietsen gebracht, terwijl hij altijd een hardloper was. Hij fietst nu met enige regelmaat van Heemstede naar kantoor aan de Zuidas. Het houdt hem fit en mentaal scherp. ‘Ik heb een pak op kantoor klaar hangen.’

Central staffing
De borrel met AkzoNobel wacht op Tjeenk, waardoor we moeten afronden. Nog snel een vraag over de toekomst. ‘Van het hoogleraarschap moet ik iets moois maken en ik heb daar veel zin in. Verder vind ik de advocatuur zoals ik die bedrijf echt leuk en zie ik mij dat ook nog een hele tijd doen. Ik besef dat mijn praktijk slechts een klein stukje van de balie is en de advocatuur veel breder is. Ik werk iedere dag met zoveel verschillende mensen, we zijn een echt team. Iedereen levert zijn eigen bijzondere bijdrage aan de dienst die je gezamenlijk levert. Het teamwerken hebben we bij De Brauw verder uitgediept met het concept van central staffing. Central staffers zijn medewerkers die vier tot zes jaar ervaring als advocaat hebben binnen ons kantoor, maar uit de praktijk stappen en in een andere rol binnen kantoor doorgaan. Zij stellen voor iedere nieuwe zaak een team samen. Zij kennen de dynamiek van de zaken en alle advocaten persoonlijk. Als je knel zit in een zaak kan je ook bij hun naar binnen lopen. Het geeft een enorm teamgevoel.’

Tjeenk sluit af met de zin ‘ik wil altijd meer’, refererend naar zijn gecombineerde loopbaan de komende jaren. ‘In de advocatuur kan ik mijn ei voldoende kwijt, maar ik krijg energie van de gedachte dat ik na twintig jaar weer meer tijd kan maken voor de wetenschap.’

Interview – Duizendpoot Mark Teurlings houdt hart voor de advocatuur

‘Door schade en schande ben ik wijzer geworden’

Hij is advocaat, bedenker van echtscheiding online, investeerder in start-ups, auteur, tv-persoonlijkheid en sinds kort geeft hij een ­Amsterdamse glossy uit. Duizendpoot Mark Teurlings behoeft ­eigenlijk nauwelijks introductie. We hebben een openhartig
gesprek met hem op zijn kantoor in Amsterdam-Zuid.

Tekst: Quirine des Tombe en Yvette Kouwenberg

Hoewel Teurlings geregeld interviews geeft, trakteren we hem op een tweetal ‘opwarmvragen’: waarom rechten en waarom de advocatuur? Zoals vaak het geval is, blijkt ook bij Teurlings de keuze voor de studie rechten geen bewuste te zijn geweest. ‘Ik heb na mijn eindexamen nog net geen muntje opgegooid om te bepalen wat ik ging studeren. Het is rechten geworden omdat me dat wel aardig leek, maar het had ook zo maar eens economie geweest kunnen zijn’, vertelt hij. De propedeuse viel Teurlings zwaar, maar tijdens de colleges strafrecht zat hij vaak op het puntje van zijn stoel. ‘De verhalen over de zaken spraken mij net als ieder aan. Toch was ik altijd enigszins gedesillusioneerd dat de docent de afloop van de zaken niet noemde. Logischerwijs lag de focus op het juridische-technische aspect, maar het prikkelde wel mijn nieuwsgierigheid.’

Bijlmerramp
Het maakte dat hij een sterke hang kreeg naar de praktijk, waar hij de afloop zou kunnen sturen. Via een vriend belandde hij bij de rechtswinkel van Amsterdam-Zuidoost en wel op een bijzonder moment: drie dagen na de Bijlmerramp. Teurlings: ‘Er stonden rijen mensen voor de deur en er was geen tijd om stil te staan bij de gedachte dat je als derdejaars student van toeten noch blazen weet. Die mensen hadden hulp nodig en dus werd ik als het ware in het diepe gegooid’. Hij realiseerde zich al gauw dat hij meer wist dan hij dacht en –  niet onbelangrijk  – dat hij veel energie kreeg de mensen te helpen. Zijn enthousiasme voor de advocatuur werd dan ook in die periode verder aangewakkerd. Dat bleek – anders dan voor zijn studie – wel een bewuste keuze.

Leidseplein
‘Aan de rechtswinkel was een aantal advocaten verbonden die de studenten zoals ik het voorwerk lieten doen, om vervolgens zelf hiervoor te declareren. En toen begon er bij mij iets te dagen’, vertelt Teurlings. Waar hij zich eerder nog wel eens had afgevraagd of het juridische vak uiteindelijk echt iets voor hem zou zijn, zag hij door zijn werk bij de rechtswinkel dat de advocatuur ook andere eigenschappen verlangt. ‘Je moest veel mensen kennen en handig zijn. ’ Het eerste had Teurlings al gerealiseerd, het tweede liet niet lang op zich wachten.

‘Rechters houden er vaak rekening mee
als iemand uit voorlopige hechtenis is vrijgelaten’

Teurlings werkte tijdens zijn studententijd in de horeca op het Leidseplein. Het behalen van zijn diploma vierde hij daar groots en al gauw begonnen de verzoeken om rechtshulp links en rechts binnen te stromen. Teurlings: ‘Mensen dachten dat het behalen van de meestertitel betekende dat je ook meteen advocaat was. Dat ik dat nog niet was, betekende niet dat ik hen niet kon helpen dus hielp ik hen gewoon’. Ondertussen hing echter ook de dienstplicht nog in de lucht die zijn plannen voor een carrière in de advocatuur zou kunnen dwarsbomen. Zoals het een echt advocaat (in spe) betaamt, zocht Teurlings naar een maas in de wet en die vond hij. ‘Wanneer je drie jaar lang een eigen bedrijf had en een x aantal uur per week daarvoor werkte, hoefde je niet in dienst’, legt hij uit. Een betere oplossing had hij zich niet kunnen wensen. Teurlings bleek al op jonge leeftijd een ‘neus’ voor het ondernemerschap te hebben. Hij schreef zich in bij de Kamer van Koophandel, ontwierp visitekaartjes en liet zijn eigen briefpapier drukken. Teurlings Juridisch Adviesbureau was daarmee een feit.

Slapeloze nachten
Maar daarmee was Teurlings nog geen advocaat. Samen met – in zijn woorden – nog twee jonge honden startte Teurlings twee jaar later zijn eigen kantoor. ‘De opleiding tot advocaat moest ik natuurlijk nog door. Die opleiding heb ik zelf gefinancierd met behulp van een krediet en ik had natuurlijk een buitenpatroon nodig’, vertelt Teurlings. Dat is hem allemaal gelukt. Hij vervolgt: ‘Ik had vooral een algemene praktijk. Zeker in die begintijd was het een proces van vallen en opstaan. Wat wist ik nou eigenlijk? Zo heeft een vormfout in mijn allereerste dagvaarding mij een behoorlijk aantal slapeloze nachten bezorgd. En dan was er nog de kwestie dat ik op een gegeven moment dreigde te moeten opdraaien voor het griffierecht van een cliënt die daags na het ingestelde hoger beroep failliet ging. Dat was best even spannend als startende ondernemer, maar gelukkig is het goed gekomen’. Hoewel Teurlings al vrij snel een kleine, maar vaste clientèle had, was zijn praktijk nog kwetsbaar. Zijn aangeboren ondernemerszin maakte dat Teurlings ‘de boer op ging’ om te acquireren. Dat bleek niet onverdienstelijk. In Nieuw Sloten begon hij een juridisch spreekuur. Dit leverde zo veel respons op dat Teurlings al gauw de krenten uit de pap kon vissen.

‘Als je geld wil verdienen heb je in het strafrecht niets te zoeken’

In dezelfde tijd werd het internet geboren en zag Teurlings daarin een kans om dit commercieel voor zijn praktijk in te zetten. Hij zet een online incasso website op. Teurlings: ‘Helaas bleek ik niet de enige, dus ging ik op zoek naar iets anders. Ik wilde een nieuwe tool bedenken die eenvoudig kon worden ingezet voor een andere overzichtelijke procedure bij de rechtbank. Zodoende kwam ik op echtscheiding online’. Let wel: dat was 23 jaar geleden. ‘Samen scheiden is de slogan. Het heeft veel weg van een contradictio in terminis, maar in de praktijk komt het “gelukkig” vaak voor dat mensen in samenspraak uit elkaar gaan’, licht hij toe. Het is ook meteen de belangrijkste voorwaarde van het concept: alleen als beide partijen het erover eens zijn dát en hoe ze willen scheiden, biedt echtscheiding online uitkomst’. Teurlings:  ‘En zelfs dan is het opletten geblazen’.

Tik op de vingers
Hij geeft eerlijk toe dat hij in een ver verleden wel eens een keer een tik op de vingers heeft gekregen van de Orde: ‘Hoewel ik er volledig van overtuigd was dat de partijen in kwestie achter de afspraken en gevolgen bij een echtscheiding stonden, had de Orde daar een iets andere kijk op’. Van die tik heeft Teurlings geleerd. Hij heeft meer mensen aangenomen zodat er (nog) meer tijd aan elke zaak kon worden besteed, er is voor interne opleiding gezorgd en het proces is met extra waarborgen omkleed zodat steeds helder is dat beide partijen ook daadwerkelijk achter de echtscheiding staan. ‘Al met al kun je wel zeggen dat ik door schade en schande wijzer ben geworden’, aldus Teurlings.

Pitbull
In de loop der jaren krijgt de praktijk van Teurlings meer focus. ‘De overgang van de algemene praktijk naar een praktijk met twee specialisaties [strafrecht en ‘echtscheidingen light’- red.] is een geleidelijke geweest’, legt Teurlings uit. ‘Op een gegeven moment is het tijd om in te zien dat je niet op alle rechtsgebieden de jurisprudentie en vooral laatste wetgeving kan bijhouden en bovendien moet je meer gaan doen van wat je leuk vindt’, aldus Teurlings. In zijn geval was dat het strafrecht. Opvallend genoeg heeft Teurlings zich naar eigen zeggen nooit een goede advocaat gevonden: hij typeert zichzelf vooral als een pitbull. Als hij een zaak aanneemt, dan gaat hij ervoor en moet alles daarvoor wijken. Omdat hij een hekel heeft aan bezoeken aan het huis van bewaring maakt hij er zijn missie van om cliënten hier zo snel mogelijk uit te krijgen. Teurlings geeft zijn geheim c.q. tactiek aan ons prijs: ‘Dit doe je door in de eerste dagen continu op de radar van politie en officier van justitie te blijven. Als het dan lukt om je cliënt vrij te krijgen is dat in feite een dubbele overwinning. Niet alleen heb je meteen een waardevol resultaat behaald voor je cliënt. Ook houden rechters er in hun eindvonnis vaak rekening mee als iemand uit de voorlopige hechtenis is vrijgelaten.’

‘Er moet een verbinding met de cliënt
zijn om het beste uit een zaak te halen’

Spijt van de algemene praktijk heeft hij echter absoluut niet: ‘Door die ervaring kan ik geschillen heel snel plaatsten’, aldus Teurlings. Bovendien helpt de toen opgedane kennis hem bij zijn activiteiten buiten de advocatuur, waar wij later over komen te spreken.

Krenten uit de pap
Tijdens het interview komt het spreekwoord ‘de krenten uit de pap halen’ meerdere malen aan bod. Wij vragen ons af wat Teurlings daaronder verstaat. Is dat een bepaald type zaak? Of een bepaald type cliënt? Én, wellicht ook relevant: is een krent pas een krent als deze (goed) betaalt? Over de laatste vraag is Teurlings meteen duidelijk: ‘Als je geld wil verdienen heb je in de advocatuur, en daarbinnen al helemaal in het strafrecht, niets te zoeken’, reageert Teurlings. Hij vervolgt: ‘De tarieven staan enorm onder druk en wetswijzigingen worden aangenomen waardoor de ene vergoeding na de andere wordt uitgekleed. Veel strafrechtkantoren geven daarom bijvoorbeeld cursussen om hun hoofd boven water te houden en trekken andere specialisten naast het strafrecht aan. Dat heb ik ook gedaan. De schoorsteen moet tenslotte blijven roken’. Teurlings is van mening dat een kantoor op alleen een strafrechtpraktijk in deze tijd amper draaiende te houden is. Slechts vijf tot tien procent van de strafzaken die Teurlings doet zijn betalende zaken. ‘De krenten uit de pap zijn voor mij de grote, spraakmakende zaken. En ja, dat betekent vaak dat de media erbij betrokken zijn. Ik ben in dat opzicht gewoon hartstikke ijdel’, geeft Teurlings lachend toe. Wij vragen door. De voldoening uit een goed behaald resultaat blijkt voor Teurlings groter als dit onder de aandacht van het publiek komt. ‘In het andere geval komt het er in feite op neer dat je je voldoening moet halen uit een kop koffie met je net vrijgesproken cliënt. Dat was vroeger genoeg, nu niet altijd meer’, bekent Teurlings.

Waar Teurlings altijd aan hecht is een klik met zijn cliënt. ‘In het strafrecht is een verdachte toch vaak de underdog. Daarin zie ik de uitdaging in mijn werk, maar dat maakt voor mij wel dat er een bepaalde verbinding met je cliënt moet zijn om het beste uit een zaak te kunnen halen.’ Teurlings realiseert zich dat dit voor mensen buiten de advocatuur wellicht vreemd in de oren klinkt. Hij haalt dan vaak de quote van Max Moskowicz aan om dit toe te lichten: ‘Het is vrij simpel: ik verdedig de dader, niet de daad’.

Ondernemer pur sang
We komen te spreken over de vele activiteiten die Teurlings naast zijn praktijk heeft. Naar blijkt niet alleen uit interesse. Teurlings: ‘Ik zit niet in dit vak voor het geld, maar ik wil wel geld verdienen. Daar ben ik heel eerlijk in’. Zo is Teurlings vaak te zien bij het (nieuws)programma WNL, is hij voorzitter van Stichting Webshop Keurmerk, investeert hij in start-ups, heeft hij een boek geschreven en brengt hij sinds kort een blad uit, de enige echte Amsterdamse glossy AmsterdamXXXL.  Vol enthousiasme pakt Teurlings het eerste nummer erbij om te laten zien waar we het over hebben. We treffen Teurlings aan op de cover met twee (andere) bekende Nederlanders. ‘Had ik al gezegd dat ik ijdel ben?’, zegt hij grappend. Desgevraagd naar het verhaal achter dit blad legt Teurlings uit dat hij hier via via in gerold is. ‘In eerste instantie was het de bedoeling om alleen met de oprichter van het blad op de achtergrond mee te denken, zoals ik dat bij vele start-ups doe waar ik al dan niet in investeer. Toen de media er echter lucht van kregen zong het al snel rond dat ik een blad zou beginnen. Na overleg hebben we dat toen maar zo gelaten en de contacten binnen mijn netwerk benaderd. Vandaar dat ik met twee bekende Nederlanders op de cover sta’, vertelt Teurlings.

‘Als je eenmaal advocaat bent wil je nooit meer advocaat af zijn’

Met al deze activiteiten komt de vraag op hoeveel uur Teurlings in een dag heeft. ‘Mijn agenda klinkt drukker dan dat hij is. Als ik ’s ochtends vroeg bijvoorbeeld door WNL wordt gevraagd om telefonisch commentaar te geven op een bepaald onderwerp kost mij dat hooguit vijf minuten. Vaak ben ik net 1 minuut wakker als ik word gebeld voor een quote. Door goed te plannen blijven er genoeg uren op een dag over voor activiteiten naast mijn praktijk’, legt Teurlings uit. ‘Dat gaat eigenlijk altijd goed, maar een enkele keer is het wel een kwestie van kiezen. In de aanloop naar de eerste uitgave van AmsterdamXXXL heb ik bijvoorbeeld een grote strafzaak laten lopen. Voor het blad liep namelijk een deadline en als ik die stafzaak had opgepakt had ik daar niet mijn volle aandacht aan kunnen geven. Daar voelde ik me niet prettig bij zodat ik nee heb gezegd. Sommige dingen zijn nu eenmaal niet te combineren, de kunst is om dat te voorzien’.

Voor altijd advocaat
Als wij vragen wat Teurlings zichzelf ziet doen over vijf jaar, kijkt hij in eerste instantie terug in de tijd. Teurlings is nu achtenveertig en kijkt met veel plezier terug op zijn carrière tot nu toe. Een ding is zeker; over vijf jaar is hij nog advocaat. ‘Als je eenmaal advocaat bent wil je nooit meer advocaat af zijn’, vindt hij. De ambitie om zijn kantoor verder uit te breiden heeft hij niet. De huidige omvang en setting vindt hij goed. Ook het combineren van verschillende projecten zal hij over vijf jaar nog steeds doen, omdat hij daar zijn energie ook uit haalt. Zo zijn er plannen om AmsterdamXXXL in andere steden en misschien zelfs internationaal uit te brengen. Teurlings: ‘En wie weet waar mijn ondernemerszin mij nog brengt’. Wij zijn benieuwd waar deze Amsterdamse duizendpoot ons in de toekomst nog mee zal verrassen.

‘Wederzijds begrip is van wezenlijk belang’

Politiewoordvoerder Ellie Lust over het belang van diversiteit

Ze is een politievrouw in hart en nieren, al dertig jaar lang. Als woordvoerder van de Amsterdamse politie streeft Ellie Lust naar een goede verstandhouding tussen ­politie en advocatuur. Beginnende advocaten zouden meer stage kunnen lopen bij de politie. In dit interview spreekt zij ook over de groeiende rol van social media bij de opsporing en het belang van een gedifferentieerd opgebouwde organisatie. ‘Wij kunnen pas verbinding maken met de buitenwereld wanneer die zich in ons herkent’.

Tekst: Tessa Bakker en Annelies van Ochten

Kalm, rustig en beheerst. Misschien zelfs streng. Zo kent Nederland Ellie Lust. Met haar korte blonde haar en politie-uniform een bekend gezicht in Amsterdam. Steeds vaker is Lust op televisie te bewonderen. Niet alleen als politiewoordvoerder in programma’s als Opsporing Verzocht en Bureau 020, ze vervulde ook een glansrol in Wie is de Mol, waar ze de kandidaten (en de rest van Nederland) een lesje etherdiscipline gaf. Maar bovenal is en blijft Lust politieagente, zo bevestigt ze ons. We spreken haar op het hoofdbureau van de Amsterdamse politie aan de Elandsgracht over haar dagelijkse bezigheden en de link met de advocatuur.

Carrière    
Na het VWO bezocht Lust de Amsterdamse Politieacademie. Tijdens haar studie speelde ze op hoog niveau volleybal en bereikte – naast een plek in diverse Nederlandse topteams – zelfs het nationale team. Haar echte passie bleek echter te liggen bij de politie, waar ze dit jaar precies dertig jaar werkt. Ze startte haar carrière op straat als agent, en werkte in zes verschillende wijkteams door heel Amsterdam. Inmiddels is ze alweer tien jaar één van de woordvoerders van de Amsterdamse politie en zien we haar in deze rol regelmatig in tv-programma’s als Opsporing verzocht, Bureau 020 (AT5) en Bureau Noord-Holland (RTV Noord-Holland). Daarnaast werkt de politie Amsterdam samen met Hart van Nederland (SBS6) en worden de mogelijkheden van een eventuele samenwerking met RTL beproefd.

‘Niets is zo veranderlijk als de politie’, stelt Lust bij haar tweede verzoek om het tijdstip van onze afspraak te verzetten. Dit is inherent aan haar functie als politiewoordvoerder, geen dag is hetzelfde. Lust werkt – als zij niet op locatie is – op het Bureau Communicatie. Het Bureau bestaat uit verschillende afdelingen. ‘Op het moment dat er buiten een groot incident plaatsvindt, gaan hier de telefoons van de haak omdat zo ongeveer alle media iets willen weten over zo’n incident.’ Lust geeft een voorbeeld: ‘Stel, er wordt iemand doodgeschoten buiten, dan moeten we de eerstelijns woordvoering gaan maken. Wat is er gebeurd? Wat kunnen we daarover zeggen? Kunnen we al iets vragen aan de burger? Er kunnen getuigen zijn weggerend en die getuigen willen we natuurlijk spreken. Misschien hebben mensen iets van beeldmateriaal gemaakt met hun telefoon, dat is iets wat heel waardevol kan zijn’.

Opsporingscommunicatie
Lust maakt van die ‘noodhulp’ sinds 1 september vorig jaar geen deel meer uit. Vanaf die datum is zij samen met collega Esther Izaks volledig verantwoordelijk voor Opsporingscommunicatie, een ander proces binnen het Bureau Communicatie. ‘Dus op het moment dat die liquidatie heeft plaatsgevonden, heb je de eerstelijnswoordvoering en wordt het onderzoek opgepakt. Stel dat dit op donderdag plaatsvindt, dan moeten op dinsdag in Opsporing Verzocht de eerste vragen aan het publiek worden gesteld.’ Lust en Izaks treden in een dergelijk geval in contact met de leiders van het TGO (Team Grootschalige Opsporing) om te kijken welke informatie al met het Nederlandse publiek kan worden gedeeld. Wellicht is er al beeldmateriaal beschikbaar dat kan worden getoond. Lust: ‘Ik zeg wel eens: de eerste vragen kun je altijd direct aan de burger stellen, los van het incident. Wie heeft het incident gezien? Wie heeft gezien hoe of waar de daders naartoe zijn gevlucht? Vaak is er een vluchtauto in de brand gestoken, wie heeft daar iets van gezien? Is er misschien een voorobservatie geweest? Je kunt zo al vier of vijf vragen bedenken, die je op elke zaak kunt toepassen. Wanneer je een beroep doet op het geheugen van mensen moet je die vragen meteen stellen. Als wordt gevraagd: wie heeft er twee  maanden geleden iets gezien op de brug bij de Nassaukade, weet niemand daar meer iets van. Want we weten bijna al niet meer wat we afgelopen weekend hebben gedaan. Dat gaat heel snel’.
Alleen als er iets heel opvallends is gebeurd, iets dat mensen eigenlijk altijd wel hebben onthouden, maar nog niet hebben verteld, worden nog wel eens vragen gesteld over een incident dat langer geleden heeft plaatsgevonden. In de praktijk levert het echter weinig op.

Reconstructie
Als er iets ingrijpends plaatsvindt in Amsterdam of omstreken, treedt de politie, vaak in de persoon van Lust, gelijk met informatie naar buiten. Op deze manier toont de politie dat zij er bovenop zit. Als het onderzoek zich verder ontwikkelt, kan er altijd nog uitgebreider worden teruggekomen op de zaak, bijvoorbeeld als item bij Opsporing Verzocht, in de vorm van een ‘Reco-zaak’ (reconstructie). Voor een Reco-zaak worden vaak het slachtoffer of de nabestaanden geïnterviewd. Lust: ‘Op deze manier kunnen slachtoffers zelf ook bijdragen aan het oplossen van “hun” zaak. Want we merken dat tipgevers vaker geneigd zijn te bellen met hun informatie wanneer het delict een gezicht heeft gekregen’.

‘Het luistert heel nauw welke informatie
met het publiek kan worden gedeeld’

Er wordt dus ook bij de politie steeds meer gebruik gemaakt van diverse media. En dit werkt. Dit geldt zeker voor social media. De tendens is dat veel mensen niet meer de reguliere uitzendingen van programma’s op de televisie zien, maar dat zij deze programma’s via internet ‘terugkijken’. Daarnaast wordt uren per dag gebruik gemaakt van internet op mobiele telefoons. De politie speelt hier slim op in. Een goed voorbeeld hiervan is het item Wanted Wednesday. Iedere woensdag wordt een filmpje op Facebook geplaatst, waarin op de locatie van het incident, één van de woordvoerders het publiek over een zaak informeert. Zo’n Facebook-post krijgt vaak meer likes en views dan een uitzending van Bureau 020 op televisie. Daarom wordt er op dit moment samen met de persofficieren van het Openbaar Ministerie en AT5 nagedacht om ook de zaken van Bureau 020 eerst online te plaatsen en eventueel daarna op televisie.

Lust beslist dus – in overleg met het onderzoeksteam – welke vragen er aan de burger worden gesteld en wat er met het publiek kan worden gedeeld. Dit is best moeilijk, omdat goed opgelet moet worden of geen daderinformatie (dingen die alleen de dader en het slachtoffer weten) wordt prijsgegeven. Lust: ‘Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat als een slachtoffer vastgebonden is geweest, we deze informatie helemaal weglaten. Wanneer het slachtoffer vastgebonden is geweest met zijn eigen stropdas is dat daderinformatie en dit wordt dus niet gedeeld. Dit is anders als het slachtoffer vastgebonden de straat op is gerend, onder het bloed, want dan zijn er waarschijnlijk al ooggetuigen die dit hebben gezien. Dan wordt het wel gedeeld’.

Lust vertelt ons hoe het team voorafgaand aan een uitzending van Opsporing Verzocht te werk gaat. ‘Eerst wordt er een script gemaakt. Dit doet een scriptschrijver van de AvroTros. De zaaksofficier beoordeelt het script en geeft vervolgens zijn of haar fiat hieraan.’ Het script is voor Lust leidend, omdat het script volledig is opgebouwd en gekoppeld aan de in de uitzending getoonde beelden. Nu de uitzendingen altijd live worden uitgezonden, kan Lust niet te veel van het script afwijken, omdat anders de regie de beelden niet tijdig kan instarten.

‘Als ik bij Opsporing Verzocht sta dan zit de hele zaak in blokken in mijn hoofd. Ik heb geen autocue. Dat kan ook niet want ik ben met Anniko (Van Santen, de presentatrice red.) in gesprek. Ik bereid me er ook altijd heel goed op voor, juist omdat het heel nauw luistert welke informatie met het publiek kan worden gedeeld. Ik kies mijn woorden dan ook heel zorgvuldig. Het moet goed gaan.’

Signalement
Lust ziet weinig meerwaarde in het noemen van een standaard signalement als: een persoon tussen de 20 en 25 jaar oud, met een licht getinte huidskleur en donkere kleding. ‘Er kan wel worden gezegd dat het een licht getint iemand was, maar wat bijvoorbeeld echt opvallend was, was dat hij zijn haar in een staartje droeg. Als je 6 tot 7 dingen met kijkers deelt en je hebt 3 verdachten, dan blijven algemene kenmerken meestal niet hangen. We hebben wel eens een signalement gehad van een persoon tussen de 20-40 jaar oud en tussen de 1.70-1.90 meter lang. Dat heeft natuurlijk geen zin. Maar als hij een opvallende jas aan had, met groene vlekken op de achterkant, dan kan deze informatie wel tot een tip leiden. Al moet je daar ook weer mee oppassen, omdat de dader eenvoudig zijn jas kan weggooien als hij weet dat hij daaraan kan worden herkend. Overal moet je over nadenken.’

Uiteraard zijn wij als redactie van het ABB ook benieuwd hoe Lust de verhouding politie/advocatuur ziet. Als woordvoerder heeft Lust vrijwel geen contact met advocaten. Als er al contact is met advocaten, dan vindt dat contact plaats via het OM. In de eerste jaren van haar carrière is Lust wel regelmatig in aanraking geweest met advocaten, als deze zich aan de balie van het politiebureau waar zij werkte meldden in het kader van de piketdienst. Dus ook Lust is bekend met de frictie die soms tussen advocaten en de politie kan ontstaan en de conflicten die hieruit kunnen voortvloeien. Lust: ‘Ik denk dat het altijd goed is dat je kritisch kijkt naar elkaars functioneren. Dat is ook helemaal niet erg. Het is de taak van een advocaat om een ­cliënt zo goed mogelijk te vertegenwoordigen, wat iemand ook heeft gedaan. Je staat allebei aan de andere kant van de lijn. Het is soms echter frustrerend als het een advocaat lukt een strafvermindering te bewerkstelligen voor zijn cliënt, terwijl jij samen met een team snoeihard hebt gewerkt om iemand aan te kunnen houden. Het liefste zie je dan dat iemand de maximale straf krijgt. Maar tegelijkertijd, als je daar heel zakelijk naar kijkt, dan heeft die advocaat zijn werk gewoon goed gedaan. Ik begrijp dat er soms onbegrip is, wederzijds. Maar ieder zijn vak. Ik denk dat een advocaat prima werk heeft geleverd op het moment dat het gelukt is om zijn cliënt vrij te krijgen. Als het niet wettig en overtuigend bewezen is dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd, of als er omstandigheden zijn waardoor een zaak alsnog kantelt, dan is dat zo.’

Herstelmogelijkheden
Lust vertelt ons dat de politie uiteraard ook zaken, zeker die waarvan de uitspraak van de rechter voor de politie teleurstellend is, evalueert om hier van te leren. Er wordt gekeken naar wat men anders had kunnen doen en of er nog herstelmogelijkheden zijn voor wat er mogelijk in het onderzoekstadium niet goed gegaan is. Lust: ‘Uiteraard is dit ook de verantwoordelijkheid van de zaaksofficier. Die is immers leider van het onderzoek. En uiteraard zijn er altijd beroepsmogelijkheden na een uitspraak.’

Steeds meer advocaten weten hun weg te vinden naar de media. Lust: ‘Ik denk dat er een zakelijk belang is, want als je als advocaat met je snoet op televisie komt, word je een bekendere advocaat en kan wellicht je tarief omhoog. Dat is misschien heel zakelijk gezien, maar ik denk zeker dat dat ook meespeelt. Ik denk dat ook om die reden bekende advocaten zich pro deo aanbieden in een zaak die heel spraakmakend is of is geweest. En dat betaalt zich dan op een andere manier weer uit. Het plaatsnemen aan tafel in een praatprogramma heeft daar volgens mij ook mee te maken. En natuurlijk kan het ook in het belang van zijn of haar cliënt zijn. Of als slachtoffers zelf niet in staat zijn om hun verhaal te doen in de media, dan kan dit door een advocaat worden gedaan.’

Doet een advocaat wel eens een uitspraak in de media waardoor de politie zich genoodzaakt voelt te reageren? ‘Je kunt het als politie oneens zijn met iets wat geroepen wordt, maar een advocaat zal altijd voor zijn cliënt opkomen. En het is denk ik niet verstandig om daar als politie op te reageren. Het openbaar ministerie zou dit eventueel wel kunnen doen, omdat de zaak dan vaak al een fase verder is. De politie maakt het administratieve gedeelte van de zaak in orde en de officier van justitie gaat daarmee verder. Zo nu en dan zie je dat een advocaat voorafgaand aan een rechtszaak in de media verschijnt, om te proberen de uitkomst van de zaak te beïnvloeden, dat snappen wij natuurlijk ook wel.’

Inzicht in dossier
Lust noemt een ander voorbeeld van het delen van informatie over het handelen van de politie, het televisieprogramma Hunted. In dit programma moest een groep mensen uit handen van anderen zien te blijven. ‘De politie heeft niet aan dit programma meegewerkt en toch worden daarin zaken prijsgegeven waar wij helemaal niet gelukkig mee zijn, zoals opsporingsmethodieken. Dat willen wij natuurlijk helemaal niet delen met de buitenwereld. Maar het gebeurt soms toch dat er bepaalde informatie openbaar wordt. Een ander voorbeeld is dat een advocaat inzicht heeft in het volledige dossier. In dat dossier staan alle technische en tactische acties van de politie vermeld. Ook deze informatie wordt wel eens openbaar gemaakt. Omdat het bijvoorbeeld op de zitting wordt behandeld. Of omdat de advocaat het dossier deelt met zijn cliënt. “Dat is goed om te weten, laten we dat voortaan anders doen. En ik zal mijn maatjes dat ook even vertellen”, denkt de cliënt dan.’

Het leukste aan haar werk vindt Lust het feit dat ze nauw betrokken is bij grote spraakmakende onderzoeken. Zeker als het zaken zijn die best wat beroering hebben gebracht in de buitenwereld. Van veel grote onderzoeken kent Lust alle details. Moeite om met deze zeer vertrouwelijke informatie om te gaan, heeft zij niet. ‘Waar niet over gesproken mag worden, wordt niet over gesproken. Ik ben dan ook echt blauw, een politievrouw in hart en nieren, al dertig jaar.’ Er zijn niet veel woordvoerders met die echte executieve blauwe achtergrond. Tegenwoordig zijn het vaak communicatieprofessionals. Waar volgens Lust overigens niks mis mee is, want ook die professionals zijn kundig. Wel vindt Lust het zelf erg belangrijk dat een woordvoerder werkelijk begrijpt waar het over gaat. Zij moedigt daarom ook haar collega’s aan om – al is het om half drie ’s nachts – eens een PD (plaats delict) te bezoeken om te zien hoe een opsporingsteam te werk gaat. Zodra je het hebt gezien en meegemaakt, stelt Lust, maakt je dat een nog betere en geloofwaardigere woordvoerder.

Afdansen
Lust is nog altijd wapendragend en moet, zoals zij het zelf gekscherend noemt, ieder jaar ‘afdansen’. Er moeten theorietoetsen worden gemaakt, schiettesten worden afgelegd en ook de aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden moeten jaarlijks worden bijgehouden. Hoewel het geen vereiste is voor de huidige functie van Lust, hecht zij er veel waarde aan dit bij te houden. Ze wil ‘gewoon echt blauw blijven, echt executief. Dat is een beetje wie je wordt als je al zo lang in zo’n organisatie zit’.

Lust praat nog steeds vol enthousiasme over haar vak. Ze merkt op dat de politie wat dat betreft een bijzondere club is. Op het moment dat een collega iets overkomt, dan raakt hen dat allemaal. Lust staat even stil bij het overlijden van een agent tijdens de afgelopen nieuwjaarsviering. De uitvaart vindt plaats op de ochtend van ons interview: ‘Ik ken die jongen niet, maar het raakt heel politie Nederland. Want dat kan ons allemaal gebeuren en komt nu heel dichtbij. Als iemand een collega is, dan voelt dat soms als familie. En als iemand uit je familie iets overkomt is het extra erg. Daar blijf je vanaf!’
Roze in Blauw
Naast woordvoerder is Lust voorzitter en initiatiefneemster van Roze in Blauw. Dat netwerk bestaat uit politiemensen die tot de LHBT-gemeenschap (Lesbisch, Homo, Biseksueel en Transgender) behoren. Zij kunnen worden ingeschakeld wanneer mensen die ook tot deze gemeenschap behoren iets is overkomen: bedreigd, bespuugd, uitgescholden, in elkaar geslagen etc. Roze in Blauw is in het leven geroepen omdat de drempel om in een dergelijk geval – wanneer sprake is van een persoonlijk verhaal – naar de politie te gaan best hoog is. Door een slachtoffer de mogelijkheid te bieden zijn of haar verhaal aan een gelijkstemde te vertellen, wordt die drempel hopelijk verlaagd.
De politiemensen van Roze in Blauw begeleiden slachtoffers bij het doen van aangifte of brengen hen in contact met de wijkagent. Daarnaast kan het team ook intern worden ingezet. Als voorbeeld geeft Lust een zaak waarin een belangrijke getuige moest worden gehoord. De getuige was een homoseksuele man van wie de betrokken agenten de indruk hadden dat hij wellicht opener zou zijn wanneer er een collega bij het verhoor zou zitten die zelf ook L, H, B of T’er is. Roze in Blauw werd ingeschakeld, en de getuige bleek net wat meer op zijn gemak bij het vertellen van zijn verhaal omdat aan de overkant van de tafel iemand zat die gelijk gestemd was. Een dergelijk netwerk heeft dus een operationele meerwaarde.
Lust: ‘Het succes van het Roze in Blauw-team is niet zo goed te meten en dus ook niet wat dit in de buitenwereld doet. Binnen de politie hebben we gezien dat het aantal meldingen en aangiften, gerelateerd aan geaardheid, behoorlijk gestegen is de afgelopen jaren. We weten alleen niet of dat te maken heeft met de succesfactor van Roze in Blauw’.

‘Ik wil gewoon echt blauw blijven, echt executief.’

Lust denkt dat het concept van Roze in Blauw ook voor andere beroepsgroepen, bijvoorbeeld de advocatuur, zou kunnen werken. Zij verwijst naar het reeds ontstane ‘ripple-effect’ bij andere beroepsgroepen: Roze in Rood (brandweer), Roze in Geel (de ambulance) en Roze in Groen (militairen). ‘Eén van de kernwaarden van de politie is verbinding maken. Wij geloven dat we pas verbinding kunnen maken met de buitenwereld wanneer de buitenwereld zich herkent in die politiewereld. We hebben dus niet alleen de roze collega’s nodig, maar ook de Turkse en de Marokkaanse en de Caribische’, zegt ze. Naast Roze in Blauw als netwerk, is er bijvoorbeeld ook een Marokkaans netwerk dat elk jaar een politie-Iftar (islamitische maaltijd) organiseert. Lust: ‘We zijn de hele dag bezig om de vrede te bewaren. Je moet daarvoor contact maken met de buitenwereld en de mensen naar binnen laten kijken en verbinding maken. Op het moment dat het dan misgaat in bijvoorbeeld Amsterdam-West met Marokkaanse jongeren, dan kunnen wij onze Marokkaanse collega’s als breekijzer inzetten en zijn de netwerkcontacten al gelegd. Want de vrede bewaren doen we met elkaar’.

Beetje extra
Lust benadrukt dat het inzetten van de speciale teams nooit een motie van wantrouwen is naar de heteroseksuele, blanke collega, maar het is net dat beetje extra. ‘Bij het vliegtuigongeval waarbij een vliegtuig van Turkish Airlines naast de baan terecht kwam bij Schiphol, konden wij Turkse collega’s inzetten om de slachtoffers op te vangen. Als er wat commotie is in Buitenveldert met Joodse objecten, hebben wij onze Joodse collega’s die we daarbij kunnen inzetten. Bij het Kwaku-festival, de slavernijherdenking, zijn daar de Caraïbische collega’s die kunnen helpen en begeleiden. Want het praat gewoon net wat makkelijker.’

‘Als je als advocaat met je snoet op tv
komt, kan wellicht je tarief omhoog’

Ook is er een team van collega’s met een beperking, die zich het ‘zesde zintuig’ noemen, en daarnaast bestaan een vrouwennetwerk, een christennetwerk en een 50-plus netwerk. Dit is overigens niet landelijk zo geregeld, dit is alleen in Amsterdam op deze manier georganiseerd. Al die netwerken bestaan al jarenlang. ‘Het is de couleur locale,’ stelt Lust. In Friesland is minder behoefte aan een Marokkaans netwerk dan in Amsterdam. We leven hier met ruim 180 nationaliteiten, we wonen onder, boven en naast elkaar. Dat moet wel goed blijven stromen’. Toch lijken inmiddels ook de nationale politie en andere politie-eenheden in te zien dat een poule van speciale teams zo gek nog niet is.’

Stagebureau
Ter afsluiting van ons gesprek geeft Lust nog een tip mee voor de advocatuur: ‘Wederzijds begrip is van wezenlijk belang. Het is meer dan leerzaam om als toekomstig of beginnend advocaat stage te lopen bij de politie. Zo krijg je als beginnend advocaat wat meer gevoel en misschien ook begrip voor de politie’. Lust noemt het voorbeeld van een rechter in opleiding, die er voor koos haar laatste stage mee te lopen met een TGO-team. Voor dergelijke initiatieven is volgens Lust ook voor de advocatuur zeker ruimte, er is een apart stagebureau binnen de politie Amsterdam waar iedereen die interesse heeft zich kan aanmelden. ‘Politiemensen houden enorm veel van hun werk, die willen daar graag over vertellen en laten zien wat hun dagelijkse werkzaamheden inhouden. Iedereen is welkom. Daarnaast adviseer ik agenten in opleiding altijd om een aantal zittingen bij te wonen, zodat zij kunnen ervaren waar een advocaat op let en wat hij gebruikt voor zijn zaak’.


Agenten en advocaten

In Nederland is er het nationale politiekorps dat bestaat uit een Landelijke Eenheid, tien Regionale Eenheden en drie ondersteunende diensten in de vorm van een Politiedienstencentrum, de Politieacademie en de Staf Korpsleiding. Er zijn zo’n 6.000 politieagenten in Amsterdam. In totaal telt Nederland zo’n 60.000 politieagenten. Hiertegenover staat dat er ongeveer 17.000 advocaten in Nederland zijn, waarvan ruim 5.000 werkzaam in Amsterdam.  Nederland is advocatuurlijk verdeeld in 11 arrondissementen en 4 ressorten. De huidige slogan van de politie is: waakzaam en dienstbaar, terwijl de kernwaarden van de advocatuur onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, integriteit en vertrouwelijkheid zijn. 


Het publiek heeft wel als kritiek op Lust geuit dat ze weinig lacht, maar wat ze in de uitvoering van haar werk te vertellen heeft is ook niet om te lachen. ‘Lachen doen we wel weer ergens anders’, want ze houdt wel van een gebbetje op zijn tijd. Zo werkte Lust eind december mee aan het item Lust Ellie dit? van AT5 om 2016 af te sluiten met een glimlach. Na ons interview werd Lust in de studio bij Robert ten Brink verwacht, voor de opnames van All you Need is Love. Tijdens de opnames werd een collega van Roze in Blauw in het zonnetje gezet. Onze conclusie over Lust na het gesprek is duidelijk: Een strenge blauwe buitenkant met een groot roze hart.

‘Je uiterlijk is niet de essentie van wie je bent of wat je voelt’

Isaac van Raab van Canstein blij met Transgenderwet

Met de inwerkingtreding van de Transgenderwet op 1 juni 2014 werd de procedure voor de verandering van de sekse in de geboorteakte aanzienlijk vereenvoudigd. Het ABB sprak met Jonkheer mr. Isaac van Raab van Canstein, ervaringsdeskundige. ‘Je kan best zowel advocaat als transgender zijn’.

Tekst: Annelies van Ochten en Marloes van den Eeckhout

In het laatste blok van de Ceintuurbaan, net voor de brug over de Amstel, is de Amsterdamse vestiging van Thomas Advocaten gevestigd. Van Raab van Canstein is één van de advocaten die daar werkt en hij bedrijft een algemene praktijk, met de nadruk op strafrecht. Op 21 september 2016 heeft hij officieel zijn gender gewijzigd van vrouw naar man. Een noodzaak, zo stelt Van Raab van Canstein.

Isaac Van Raab van Castein: ‘Het is fijn dat je jezelf kunt zijn.’

Nog niet zo heel lang geleden, begin 2015, kwam Van Raab van Canstein er door het kijken naar een televisieprogramma over transgenders achter dat hij zich meer man dan vrouw voelt. Hij omschrijft het zelf als het zijn van een man van binnen, maar geboren in het lichaam van een vrouw. ‘Het is niet iets waar je in groeit, maar het is iets dat van je geboorte af aan al zo is.’ Gevangen in een verkeerde gender. Van Raab van Canstein was zich er zelf echter nooit zo bewust van. Hij wist niet goed hoe hij zijn gevoelens moest plaatsen en wat er aan de hand was. Er waren ook geen voorbeelden van andere transgenders in zijn omgeving, dus paste hij zich aan. Spiegelde van jongs af aan het plaatje zoals ‘men’ vindt dat een vrouw hoort te zijn en zich hoort te gedragen. Keek het af van zijn omgeving. Wat overigens wel lastig was: ‘Je laat soms andere dingen zien dan mensen eigenlijk van je verwachten’. Terugkijkend begrijpt Van Raab van Canstein zichzelf veel beter. De frustratie, de boosheid en het onbegrip over zijn gevoelens zijn verdwenen.
Twijfels heeft Van Raab van Canstein na het zien van het tv-programma nooit meer gehad. Maar het was niet zo dat hij direct na het besef van wat er speelde, blij of opgelucht was. ‘Ik schrok toen het kwartje viel… Maar zodra je bewust bent van wat er aan de hand is, is het steeds moeilijker om je gevoel te negeren. Ik heb er moeite mee mezelf te verbergen for the sake of others.’

Verwachtingspatroon
Volgens Van Raab van Canstein hebben mensen een bepaald verwachtingspatroon van mannen en van vrouwen, zo ook cliënten in zijn praktijk. Hij merkte dat cliënten van een vrouwelijke advocaat meer empathie verwachten dan hij ze in het verleden zakelijk gezien kon en wilde geven. Van een mannelijke advocaat verwacht men een meer zakelijke aanpak dan een schouder om bij uit te huilen, aldus Van Raab van Canstein. Hij is van mening dat de stereotypering van man/vrouw sowieso wel wat minder zou mogen. De meeste mannen hebben wel wat vrouwelijke trekjes en andersom. Gedrag zou niet per se moeten worden gekoppeld aan sekse.

‘Ik ben nu veel vrijer, zowel
geestelijk als in mijn expressie’

‘Het is fijn dat je jezelf kan zijn. Ik ben nu veel vrijer, zowel geestelijk als in mijn expressie.’ Toch is het spannend om het te vertellen aan anderen. In de loop van 2016 heeft Van Raab van Canstein langzamerhand zijn omgeving ingelicht. Eerst naaste familie en vrienden, vervolgens zijn directe collega’s. ‘Hoe vaker je het vertelt, des te makkelijker het wordt.’ De meeste mensen reageren over het algemeen verbaasd, maar uiteindelijk positief. Veel negatieve reacties heeft hij tot op heden niet gehad. Goed bedoelde raad om zich gewoon te gedragen als de stoere vrouw die hij toch altijd al was, heeft Van Raab van Canstein na beraad naast zich neergelegd.

Deskundigenverklaring
Afgelopen september is de wijziging van het geslacht en van de voornamen van Van Raab van Canstein bij de burgerlijke stand doorgevoerd. Door het aannemen van de Transgenderwet is een gang naar de rechter niet meer nodig. Ook de (medische) voorwaarden die in het verleden werden gesteld aan genderwijziging zijn komen te vervallen. Was het voorheen zo dat je niet meer vruchtbaar mocht zijn en geslachtsaanpassende behandelingen moest hebben ondergaan, volstaat nu het overleggen van een deskundigenverklaring waar de transgender onder behandeling is of is geweest. Het gaat nu puur om de overtuiging van de persoon tot welk geslacht hij of zij behoort. ‘Je gender hoeft niet meer per se met je uiterlijke kenmerken te matchen. Je uiterlijk is ook niet de essentie van wie je bent of wat je voelt’, legt Van Raab van Canstein uit. Slechts een beperkt aantal deskundigen kan een dergelijke verklaring afleggen, enkelen van hen zijn aangesloten bij de genderpoli van het VU-ziekenhuis. Hoewel Nederland in Europa vooruitstrevend is met de Transgenderwet en het schrappen van de eerdere voorwaarden, kan het in een land als Argentinië nog makkelijker. Daar kan iemand zijn of haar geslacht veranderen zonder enige verklaring of andere voorwaarde.

Bevestiging
‘Ik ben nu officieel man. Dat voelt echt als een bevestiging. Ik bekijk mijn gewijzigde geboorteakte dan ook nog regelmatig.’ De wijziging in de Basisregistratie Persoonsgegevens wordt direct doorgevoerd bij belangrijke instanties en ook het ID-bewijs wordt aangepast. Bestaande familierechtelijke betrekkingen veranderen niet. Ook zijn predicaat werd zonder enige moeite door de Hoge Raad van Adel – een in de regel wat behoudend instituut – gewijzigd van jonkvrouw naar jonkheer.

Toch kost het nog tijd om de gehele vertaalslag te maken, los van het feit dat het even duurt voor de omgeving eraan gewend is. Hoe collega-advocaten zullen reageren is nog onbekend, maar Van Raab van Canstein ziet het vooral met het oog op de advocatuur en rechterlijke macht positief in. ‘De samenleving lijkt er klaar voor, dat toont het aannemen van de Transgenderwet aan.’

Conservatieve beroepsgroep
De reden voor Van Raab van Canstein om mee te werken aan dit artikel is gelegen in het feit dat hij zijn genderwijzing wil meedelen aan zijn beroepsgenoten, zodat hij het niet iedere keer hoeft uit te leggen. Daarbij komt dat de advocatuur een conservatieve beroepsgroep is, die enigszins vast kan zitten in klassieke denkwijzen. ‘Maar je kan dus best zowel advocaat als transgender zijn. Al hoop ik dat men mij in de toekomst gewoon als man gaat zien en niet meer als transgender. Ik vind het mooi dat ik in de advocatuur kan bijdragen aan een open cultuur waarin mensen zichzelf kunnen zijn. Dus als door onderhavig artikel wat meer bewustwording wordt gecreëerd, is dat alleen maar goed’, aldus Van Raab van Canstein. Op de opmerking van de redactie dat het meewerken aan dit artikel dapper is, reageert hij bescheiden en resoluut: ‘Niet dapper, maar noodzaak. Zo voelt het!’
Tegelijk met het ter perse gaan van deze editie van het ABB is een brief verstuurd naar onder meer de rechtbank en andere bij de advocatuur betrokken instanties en cliënten, om de wijziging kenbaar te maken. Cliënten die het niet begrijpen, staat het uiteraard vrij een andere advocaat in te schakelen. Zeker in het kader van de noodzaak van het bestaan van een vertrouwensband tussen advocaat en cliënt. De website, het briefpapier en de visitekaartjes worden aangepast.
Van Raab van Canstein: ‘We leven in een open samenleving. We moeten leven met onderlinge verschillen. Het zou mooi zijn als er wederzijds begrip en respect kan worden getoond. Laat alle mensen zijn wie ze willen zijn. Tolerantie naar een ieder’.


Wet wijziging vermelding van het geslacht in de geboorteakte (transgenders)

Sinds 1 juli 2014 is het voor Nederlanders van 16 jaar en ouder met een blijvende overtuiging tot een ander geslacht te behoren mogelijk om op grond van een verklaring transgender de aanduiding van het geslacht in de geboorteakte te wijzigen. Ook kan de voornaam (of voornamen) van de persoon in kwestie gewijzigd worden.

Volgens de wet is het voldoende als een deskundige vaststelt dat de overtuiging van een wilsbekwaam te achten persoon om tot het andere geslacht te behoren blijvend van aard is. Met die deskundigenverklaring kan de ambtenaar van de burgerlijke stand de vermelding van het geslacht in de akte van de geboorte aanpassen. De keuze is daarbij beperkt tot man of vrouw. Een derde optie, bijvoorbeeld ‘geslacht onbekend’, is niet mogelijk.


 

De overredingskunst van een multitalent

Interview met Willem Jebbink

Advocaat, oud-muzikant, vogelkenner en betrokken medemens. Willem Jebbink is een man van vele talenten. Met negentien jaar in de strafrechtadvocatuur – eerst bij vooraanstaande kantoren en nu zijn eigen praktijk – deed hij tal van spraakmakende zaken (Volkert van der Graaf, Zwarte Piet, majesteitsschennis) en verkreeg hij (inter)nationale bekendheid. Een gesprek over zijn visie op de veranderende strafrechtpraktijk, en zijn maatschappelijke engagement, met een openhartig inkijkje in zijn persoonlijke leven.

Tekst: Tomasz Kodrzycki en Soeradj Ramsanjhal

Als advocaat van Volkert van der Graaf, Abulkasim Al-Jaberi (de man die ‘fuck de koning’ riep), maar ook van anti-Zwarte-Piet beweging ‘Stichting Nederland wordt beter’ komt Willem Jebbink de laatste jaren regelmatig in de media. Voor het grote publiek is hij geen onbekende, maar bij zijn collega’s in de strafrechtadvocatuur geniet hij al langer veel aanzien. Ook zijn collega Jeroen Soeteman – met wie Jebbink in 2009 kantoor Jebbink Soeteman oprichtte – is geen onbekende in de strafrechtadvocatuur: Soeteman is onlangs de nieuwe voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten geworden (NVSA).

willem_jebbink
Loopbaan
Jebbink is 19 jaar geleden als advocaat begonnen bij Sjöcrona Van Stigt in Den Haag (toen nog Sjöcrona, Van Stigt, De Roos & Pen). Hoewel hij vastbesloten was om bij een topkantoor aan de slag te gaan, was het geen makkelijke keuze. Na een stage bij Stibbe in Amsterdam en een periode bij VluchtelingenWerk Nederland, is Jebbink een tijdje naar de Verenigde Staten afgereisd voor zijn toenmalige vriend. Ook in de jaren ‘90 was het dus niet makkelijk om de knoop door te hakken na de studie.
Een carrière buiten Nederland sprak Jebbink echter minder aan. Zijn gevoel om zich uit te drukken in het Engels vond hij dermate uit de maat lopen met zijn uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands, dat hij toch heeft gekozen in Nederland te blijven. De Amerikaanse liefde heeft ook niet mogen beklijven. Zeker als advocaat, benadrukt hij, is taal van cruciaal belang. Maar een zeker taalpurisme is hem ook niet vreemd, haast hij zich toe te voegen.
De keuze voor Sjöcrona Van Stigt was niet moeilijk. Jan Sjöcrona was de eerste jaren de mentor van Jebbink en hij beschouwt hem nog steeds als degene die hem heeft gevormd. Hij kijkt nog steeds met warme gevoelens terug op die tijd: ‘Jan heeft echt een bepaalde school gevormd in de strafadvocatuur. En ik ben daar een trotse exponent van’. Vol lof: ‘Een man die zo bevlogen is, dat is ontzettend mooi!’.

Overredingskunst
Sjöcrona is nog steeds docent en leert mensen over de overredingskunst. Hoe goed je inhoudelijk ook bent, je moet je punt wel kunnen maken. De maatschappelijke interesse en betrokkenheid van Jebbink komen hier ook direct naar voren. Hij trekt de overredingskunst door naar de politiek: ‘Het populisme dat voet aan de grond krijgt, is een probleem’. Een deel van de bevolking voelt zich niet gehoord, daar moet de samenleving wel wat mee doen, vindt hij. Dit deel van de bevolking hoeft niet groot te zijn, wil het de overhand nemen in de media.
Een voorbeeld dat hij noemt zijn de oudejaarsrellen van een aantal jaar geleden. Er was toen discussie over de hoogte van de straffen. De kranten stonden er vol mee dat mensen die rellen op oudejaarsavond zwaarder gestraft moesten worden dan op ‘gewone’ avonden. Dat gebeurde toen niet, maar een jaar later – toe de kritiek aanbleef – gingen rechters overstag en gaven die opslag in strafmaat. Maar het mocht niets uitmaken, de media bleven bij hun vaste mantra: steeds maar weer hoger straffen.
Tegen dit soort krachten is het lastig opboksen, constateert Jebbink. Natuurlijk moeten rechters gevoelig zijn voor wat er in de maatschappij leeft, maar wees bewust dat populistische geluiden niet snel (nooit?) gerustgesteld zullen zijn. Rustig en duidelijk uitleggen, en blijven uitleggen, wat de feiten zijn en waarom een rechter tot een zekere strafmaat komt is volgens Jebbink de enige remedie. Jebbink parafraseert lachend de Engelse filosoof Bertrand Russell: ‘Alleen door ons op de feiten te beroepen, kunnen we verder komen’. Toegegeven, het zijn fraaie woorden: ‘Those who forget good and evil and seek only to know the facts are more likely to achieve good than those who view the world through the distorting medium of their own desires.’

Hypocriet
Er is een andere stroming in de samenleving die juist ontzettend positief is, de stroming die de ander wil begrijpen. Het is jammer dat de minderheid, die Jebbink op maximaal 20 procent schat, zo de boventoon voert in de media en potentieel een disproportioneel stempel drukt. Bij wijze van voorbeeld refereert Jebbink aan Zwarte Piet en hetgeen onze minister-president daar enige jaren geleden over zei: ‘Hij is nu eenmaal zwart, daar kan ik niets aan doen’. Dit stak Jebbink; wat men ook van Zwarte Piet vindt, de minister-president heeft de belangen van allen te behartigen en kan zich niet afzijdig houden in een discussie die zoveel beroering in de maatschappij brengt. Zijn eigen mening is duidelijk, terwijl Nederland het Anti-rassendiscriminatieverdrag van de VN heeft geratificeerd en zich heeft verplicht alle vormen van rassendiscriminatie uit te bannen. Daar past niet bij een minister-president die zich daaraan onttrekt. Dat is hypocriet.

‘Het populisme dat voet aan de grond
krijgt, is een probleem’

‘Gezond opportunisme’
Die maatschappelijke betrokkenheid brengt Jebbink ook in zijn werk. Maar dat was niet altijd zo: bij Sjöcrona was het met name de financiële strafpraktijk wat de klok sloeg. De lol van het strafrecht heeft hij hier ontdekt. In het kader van een bouwfraude-zaak zat Jebbink als nog redelijk onervaren vijfdejaars advocaat aan tafel bij een CEO van een groot bedrijf om hem eens even uit te leggen wat ‘we’ nu in zijn zaak allemaal zouden gaan doen. Hij leerde dat uiteindelijk iedereen bij een strafrechtadvocaat terecht kan komen, en zich veelal ook aan de kunde en leiding van de raadsman overgeeft. Al snel bouwde Jebbink dan ook zijn eigen praktijk op bij Sjöcrona. Via mond-tot-mondreclame wisten cliënten hem steeds meer te vinden. Jebbink noemt dit ‘gezond opportunisme’: ‘Doe je zaken goed en blijf betrokken bij je cliënt. De rest komt vanzelf’.

Na zes jaar vertrok Jebbink naar Prakken d’Oliveira (toen: Böhler Franken Koppe Wijngaarden advocaten). Jebbink kwam hier via Stijn Franken, die hij van zijn oude kantoor kende. De reden voor de overstap had te maken met iets wat Jebbink kenmerkt: principes. Bij Sjöcrona Van Stigt was hij als zesdejaars te duur geworden om bepaalde cliënten te bedienen die bij hem kwamen aankloppen. Dergelijke cliënten uitsluiten strookte niet met zijn principes.

Bij zijn tweede kantoor merkte Jebbink een andere clientèle op. Jebbink, steevast met keurige manchetknopen en mooie dassen, wilde nog wel eens uit de toon vallen bij de krakers en andere overtuigingsdaders die dat kantoor toen nog wel meer bijstond dan nu. Zijn strakke pakken riepen aanvankelijk argwaan op, maar de kwaliteit van zijn werk haalde de kou al snel uit de lucht.

Na drie jaar vertrok Jebbink weer, in een turbulente periode waarin meerdere advocaten bij Böhler Franken Koppe Wijngaarden advocaten vertrokken. Het werd het kantoor van Spong Advocaten. Gerard Spong kende hij al langer van de sportschool (‘Volgens mij aasde hij wel een beetje op me’) waardoor hij getipt werd dat er mogelijkheden waren. Gerard Spong is nog steeds een van de beste advocaten van Nederland, vindt Jebbink.

Bevredigende resultaten
En dat imago merkte hij in zijn praktijk; bij Spong kwamen veelal cliënten met de moeilijkste zaken, die andere advocaten niet tot een goed einde konden brengen. Die cliënten waren soms ook weinig sympathiek: ‘Maar ook als je bij dat soort lieden het geduld neemt, merk je dat er een reëel probleem ligt dat minstens dezelfde drive vereist. En vaak ook nog met bevredigende resultaten’.

Bij Spong draaide Jebbink grotendeels zijn eigen praktijk. Het gevoel dat hij dit wellicht helemaal zelf wel kan, begon te knagen. Maar hij wilde niet alleen een eigen kantoor beginnen. Op een NVSA-congres begon hij rond te bazuinen dat hij een partner zocht om een kantoor te starten. Helemaal doordacht was die actie niet, maar het pakte goed uit. Het was spannend: ‘Het is net verkering vragen’. Jeroen Soeteman zag het wel zitten. Hij stuurde Jebbink de volgende dag een kort berichtje, iets uitgebreider dan alleen ‘Jebbink Soeteman?’ zoals Soeteman aanvankelijk van plan was. Toen was het eigenlijk al beklonken.

Gelijksoortige aanpak
Ze kenden elkaar van een klein clubje strafrechtadvocaten – onder leiding van Jacqueline van den Bosch – dat één keer per maand samen at en elkaar bij praatte over de strafrechtelijke actualiteit. Maar ook in de rechtszaal hadden ze elkaar al eens positief verrast. Toen hun beider cliënten – medeverdachten – met de noorderzon vertrokken en ze eigenlijk niets anders konden dan zichzelf op zitting tot niet-gemachtigde raadsman verklaren, stuurden ze allebei onafhankelijk van elkaar een paar dagen voor de zitting hun pleidooien naar de rechtbank. Een kleine truc om de rechter toch te prikkelen en te verleiden hun niet-gemachtigde verweren tot zich te nemen. Het werkte. De heren hadden elkaar positief verrast over hun gelijksoortige en creatieve aanpak. Ook hadden ze beiden op enig moment het idee opgevat om ter plekke op de Ferdinand Bolstraat te gaan kijken op de plaats delict van een zaak die ze deden. Op zijn minst opmerkelijk vonden ze dat eigenlijk wel van elkaar. De match tussen beiden was goed en is dat nog steeds.

Inzet en vernuft
Het is met dergelijke inzet en vernuft dat Jebbink na 19 jaren nog steeds zijn praktijk uitoefent. Hij weigert zich te laten verleiden tot ‘de automatische piloot’ waarop hij confrères wel eens te blind ziet vertrouwen. Ook als hij een bepaalde zaak al dertig keer heeft gedaan, blijft hij zijn stukken goed, inclusief relevante wet- en regelgeving, (opnieuw) bekijken. Een dergelijk commitment, net als altijd een goede dosis bescheidenheid, kenmerkt hem als advocaat en daarbuiten.

Jebbink doet tegenwoordig veel cassatie, maar ‘gelukkig niet voor 100 procent’. Hij vindt het nog steeds leuk om te pleiten en vindt het belangrijk om als advocaat ook nog met enige regelmaat voor de feitenrechter te staan.

Met de aan ons cassatiestelsel intrinsiek klevende beperkingen heeft hij wel moeite. De Hoge Raad kan of wil niet casseren als de advocaat in de cassatiemiddelen niet precies de juiste snaar weet te raken. Dit leidt tot krom recht: niet zelden wordt op formele gronden afgedaan, terwijl het Hof het toch echt niet goed had gedaan. Dat is geen rechtsbescherming, die de Hoge Raad als hoogste rechter volgens Jebbink toch wel moet (kunnen) brengen. Een onjuiste veroordeling moet niet overeind blijven, omdat een advocaat iets over het hoofd ziet. Tekortkomingen van de advocaat mogen niet op conto van de cliënt komen. Zeker niet in het strafrecht, waar de belangen soms levensbepalend kunnen zijn voor cliënten. De menselijke maat mag nooit uit het oog verloren gaan, zeker niet ten koste van formele juristerij. Rechters moeten durven dapper te zijn.

Productie draaien
In de strafrechtpraktijk ligt er tegenwoordig te veel focus op het zo efficiënt mogelijk voeren van een strafproces. Productie draaien is de teneur en de druk die er op rechters ligt in dat verband merkt hij ook in de rechtszaal. Een buitengewoon schadelijke ontwikkeling, noemt Jebbink het stellig. Met name de wil om getuigen te ondervragen schiet erbij in. Dat is een blijvend manco in het strafproces. Soms worden getuigen simpelweg niet gehoord terwijl dat wel zou moeten. Een rechter-commissaris heeft Jebbink wel een verteld: ‘Ik vind dit bewijs wel voldoende’, terwijl hij zojuist een aanbod tot bewijs à décharge had gedaan. Of de rechter die hem pareert met ‘weet u wel hoe duur rechtspraak tegenwoordig is?’ als hij een serieus en goed onderbouwd verzoek op zitting doet. Je moet in een dergelijk systeem als advocaat ervoor waken dat je niet cynisch wordt en de handdoek in de ring gooit. ‘Je voelt je bijna schuldig als advocaat als je rechten wilt uitoefenen, dat kan toch niet de bedoeling zijn.’

Ook naar zijn cliënt toe kan hij het moeilijk verkopen: ‘Een goede, fatsoenlijke bijstand is enorm waardevol. De wetenschap dat je alles eruit hebt gehaald, is ook waardevol. Vrijspraak en niet-ontvankelijkheid zijn mooi, maar, let’s face it, zijn niet altijd haalbaar. Het gevoel, bij jezelf en cliënt dat jullie in ieder geval alles eraan hebben gedaan, is eigenlijk minstens net zo belangrijk.’

De passie om meer te publiceren over zijn vak kwam pas gaandeweg. Voor een belangrijke trigger zorgden Geert Corstens en Jaap de Hullu, die jaren geleden op een NVSA-congres zeiden dat strafpleiters in cassatie zelf aan selectie aan de poort zouden moeten doen. In plaats van te focussen op de eigen winkel en inkomsten, is betrokkenheid bij het recht en de relevante wet- en regelgeving belangrijk. Overigens was dit toen best een revolutionair standpunt. Tien jaar eerder, zo vertelde Corstens Jebbink, zou de zaal op zijn kop hebben gestaan bij dit soort adviezen. Jebbink heeft ze gelukkig ter harte genomen.

Eclatante overwinningen
We vervolgen ons interview met het bespreken van een aantal spraakmakende zaken. Op de eerste plaats zijn dat succesvolle zaken bij het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties in Genève. Daar won Jebbink recent twee zaken over het strafrechtelijk verlofstelsel. Het IVBPR, waar dit comité over waakt, erkent een recht op hoger beroep in strafzaken. Dat verhoudt zich niet met ons strafrechtelijk verlofstelsel, waarin, kort gezegd, bagatelzaken niet voor herbeoordeling in hoger beroep in aanmerking komen. Het leverde Jebbink in Genève eclatante overwinningen op: ‘Ik dacht dat ik het Nederlandse verlofstelsel om zeep had geholpen. Maar er gebeurde niets. Mijn cliënt kreeg schadevergoeding, maar de wet werd niet anders, ondanks brieven aan de Minister’.

Dat was een ontnuchterende ervaring voor Jebbink, waarin hij met de – politieke – beperkingen van het internationale recht in volle omvang werd geconfronteerd. Desondanks laat hij zich niet uit het veld slaan. In tegendeel, wat hij nog heel graag zou willen bereiken is een zaak winnen bij het notoir lastige Europese Hof voor de Rechten van de Mens. De eerder geschetste problemen van een als gevolg van doorgeschoten efficiencyslagen gemankeerd strafrechtstelsel ziet hij wel een kans maken in Straatsburg.

Actief media zoeken
Het was een korte maar hevige mediastrijd: toen activist Al-Jaberi tijdens een demonstratie tegen Zwarte Piet in 2014 ‘fuck de koning’ riep, en daarvoor vervolgd werd, was het land even te klein. Hier is Jebbink afgeweken van zijn gewoonte om de media te schuwen. ‘Bij sommige zaken is actief de media zoeken juist wel in het belang van cliënt. Dan moet je het ook niet laten. Majesteitsschennis is een curieuze strafbepaling: volgens de wetgever verdien je voor het beledigen van de koning een zwaardere straf dan als je een ieder ander beledigt. De problemen laten zich raden: wanneer is de koning beledigd? Waarom zou je een zwaardere straf moeten krijgen dan het beledigen van je buurman? En moet de koning de belediging ook gehoord hebben om het strafbaar te laten zijn? Volgens de wetgever ben je al strafbaar als je iets onwelgevalligs roept in het bos op de Veluwe, waar niemand, laat staan de koning, het kan horen.’

‘Bij sommige zaken is actief de media zoeken
juist wel in
het belang van cliënt’

Jebbink besloot om dan maar aan de koning zelf te vragen of hij door ‘fuck de koning’ beledigd was. Hij gaf aan, ook in een persbericht, dat hij namens zijn cliënt de koning in het strafproces wenste op te roepen. Dat kan, in theorie. Bij Koninklijk Besluit kan de koning in een strafzaak als getuige optreden. Verplicht kan hij niet worden, aangezien hij zelf het eigen KB daartoe zal moeten tekenen. Deze vervolging was zo bizar dat dit hem de beste verdediging leek. En dat heeft Jebbink geweten. Op een donderdag was hij aan het fietsen op de sportschool, toen hij ineens zijn eigen hoofd in het eerste item van het NOS-journaal zag voorbijkomen. Twitter ontplofte. Hij werd geïnterviewd door Duitse, Franse, Italiaanse media en de New York Times.

Ook hier kenmerkt Jebbink zich als de maatschappijkritische advocaat: majesteitsschennis kan maar het beste worden afgeschaft, zegt hij. Los van de Kafkaëske toestanden die een dergelijk strafproces kunnen opleveren en het in zijn ogen onterechte principiële onderscheid tussen strafbedreiging van belediging van het staatshoofd en de rest van de wereld, is het een verkeerd signaal aan repressieve buitenlandse mogendheden die dergelijke strafbepalingen inzetten om mensenrechten te schenden. Denk aan Thailand, waar elk onvertogen woord over de koning je voor jaren in het gevang kan doen belanden. De mediastrategie heeft wel gewerkt, de zaak werd uiteindelijk door het OM geseponeerd en wel middels de door strafpleiters nagestreefde ‘sepotcode 01’: onterecht was Al-Jaberi als verdachte aangemerkt. Een volledige naamzuivering voor zijn cliënt.

Zwarte Piet
Wie tegenwoordig over Jebbink leest, komt al snel uit bij de Stichting Nederland Wordt Beter, een club van mensen die af willen van de traditionele Zwarte Piet en die hij al tijden strafrechtelijk bij hun inspanningen bijstaat. Jebbink staat veel gearresteerde demonstranten bij. Het is inmiddels een nieuwe Sinterklaastraditie om rond de jaarlijkse intochten en masse demonstranten te arresteren. Maar ook heeft hij een artikel 12 Strafvordering procedure ingesteld namens hen bij het Gerechtshof Amsterdam ter vervolging van bedrijven en instanties die Zwarte Piet in ere houden. Jebbink beroept zich daarbij op het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, en het VN-comité inzake de uitbanning van racisme en discriminatie dat in augustus 2015 oordeelde dat diepgewortelde tradities zoals Zwarte Piet ‘discriminatory practices and stereotypes’ niet rechtvaardigen.

Jebbink werd, als specialist in de vrijheid van meningsuiting, in 2011 geïnterviewd op radio nadat Quinsy Gario was gearresteerd toen hij in Gouda tegen Zwarte Piet demonstreerde. Jebbink hield dit interview thuis bij een vriendin van hem. Een vriendin van deze vriendin is Surinaams en tegen Zwarte Piet. Zij legde uit waarom, waarna zijn ogen waren geopend. Niet omdat hij er per se tegen is, maar als het kwetsend is voor anderen, en dat is niet onredelijk, dan is het problematisch. Jebbink: ‘Als een groep in de samenleving daar aanstoot aan heeft, dan is het voor mij volstrekt logisch om die aanstoot weg te nemen’.

Haatzaaien en groepsbelediging
Zeker in internationaal verband is dit simpelweg niet te verantwoorden. Onze regering is internationaalrechtelijk verplicht om rassendiscriminatie uit te bannen. Wij hebben in de jaren ‘60 en ‘70 wetgeving hiertoe ingevoerd: haatzaaien en groepsbelediging. Het strafrecht is het ultimum remedium, maar het lijkt wel alsof het OM geen gebruik wil maken van zijn vervolgingsmonopolie in deze. We moeten als rechtstaat zorgen voor een klimaat tegen niet alleen dit soort uitingen, maar ook het ongebreidelde en zeer laakbare galspuwen dat deze discussie – op zeker social media – heeft veroorzaakt. Het is nu eenmaal een maatschappelijk probleem geworden in de laatste jaren, hoe ‘moe’ sommigen van de discussie wel niet mogen zijn geworden. Dan mag de regering niet zijn kop in het zand steken. Op zijn minst moet zij een stimulans kunnen geven. Onze minister-president helpt hier niet bij, integendeel. Mogelijk omdat hij aan zijn eigen kiezers denkt, mogelijk omdat hij gewoon geen visie heeft – zoals hij zelf ook wel met regelmaat heeft gezegd.

‘Majesteitsschennis is een curieuze strafbepaling’

Jebbink: ‘De taak van de minister-president is niet om een manager te zijn, maar ook om de belangen van de gemeenschap te behartigen. Dit is een nobele, doch mooie taak. Als iets zwaar speelt in de samenleving, dan moet je daar toch wat mee? Dat kun je niet zeggen dat jij – als minister-president – hier geen rol in hebt’. In 2014 gooide Rutte olie op het vuur door te zeggen dat de demonstranten tegen Zwarte Piet een kinderfeestje hebben verstoord. Deze tekst is een eigen leven gaan leiden in de media. Maar ook hier deed de minister-president uitspraken zonder de feiten te (willen?) kennen. De demonstranten werden hardhandig aangepakt, terwijl zij geweldloos een maatschappelijk probleem aan de kaak probeerden te stellen.

Jerry Afriyie van de Stichting Nederland wordt beter is vrijgesproken van mishandeling van een agent ten tijde van zijn arrestatie in Gouda in 2014. In deze kwestie wordt Afriyie overigens bijgestaan door het oude kantoor van Jebbink, Prakken d‘Oliveira. Het OM is in hoger beroep gegaan. Jebbink vindt dit onbegrijpelijk. ‘Nederland maakt zich opnieuw op internationaal niveau belachelijk. Juist de politie was de agressor in Gouda. Nederland is de eerste om geweld tegen demonstrerende homo’s in Rusland te veroordelen, maar we doen in onze achtertuin precies hetzelfde.’

Jebbink staat in deze kwestie pal achter zijn cliënten. Dat geldt natuurlijk niet ten aanzien van al zijn cliënten, en is ook niet nodig om toch dezelfde mate van inzet en kwaliteit te kunnen garanderen. Jebbink kan en moet natuurlijk zijn persoonlijke mening vaak loskoppelen van zijn de stellingen die hij soms als strafpleiter moet innemen. Maar hij merkt dat dit bij uitingsdelicten gevoeliger ligt. ‘Dat is eigenlijk gek, want het zijn veel minder heftige zaken dan bijvoorbeeld moord of zedenzaken.’ Het proces tegen Geert Wilders is hier een goed voorbeeld van. Jebbink vindt het ‘bizar dat voor deze verder feitelijk en juridisch verre van complexe zaak maar liefst 12 zittingsdagen zijn uitgetrokken’.

Zou Jebbink zelf Wilders kunnen en willen bijstaan? Hij moet hierom glimlachen en antwoordt dat hij argumenten voor vrijspraak kan verzinnen, maar verwacht toch een veroordeling. Dit zou ook in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad. Bovendien wil hij liever niet in een samenleving leven waarin uitspraken worden gedaan over zijn medemens, zoals de uitspraken waar Wilders voor terechtstaat. Al met al zou hij toch niet de geschikte advocaat zijn van Wilders. Overigens heeft hij géén aangifte gedaan tegen hem.

Muziekliefhebber
Naast zijn praktijk staat Jebbink bijna dagelijks in de sportschool en is hij een enorme muziekliefhebber. Hij heeft op de middelbare school en tijdens zijn studententijd in een band gezeten; Jebbink was zanger. Ze speelden veel op studentenfeesten, schreven eigen nummers en deden zelfs mee aan de Grote Prijs van Nederland, waar zij de kwartfinales haalden. Maar na zijn studie stopte hij. Hij heeft nooit overwogen om te stoppen in de advocatuur om te proberen in de muziek door te breken. Hier zien we de bescheidenheid van Jebbink terug. ‘Een goede kunstenaar moet een drang hebben het eruit te gooien, zijn hele hebben en houden in zijn kunst te leggen. Dat heb ik niet.’ Hij vertelt dat mensen zoals Randy Newman veel betere nummers schrijven dan hij ooit zou kunnen. Hij geniet daarvan. Muziek is altijd in ontwikkeling: ‘Het is fantastisch om te leren dat bijvoorbeeld “A hard rain’s gonna fall” van Bob Dylan gebaseerd is op een Engelse middeleeuws folksong. Niet veel mensen weten dat, ik word daar intens gelukkig van.’ Maar, vervolgt Jebbink, goede muziek heeft ook goede luisteraars nodig. De Nobelprijs voor Dylan, van wie hij een groot liefhebber is, vindt hij terecht, maar het heeft hem niet verbaasd. Dat Dylan de prijs niet zelf wil ophalen of er zelfs maar op heeft gereageerd ‘was wel te verwachten’.

Vaderschap
Jebbink is ook vader van twee zoons, iets dat weinigen weten. Hij is in 2009 door twee vriendinnen gevraagd om zaaddonor te worden van hun beider kinderen. Uit vriendschap heeft hij ingestemd. Hij hoefde daar ook niet lang over na te denken, al zou hij het niet doen als hij niet zeker wist dat de kinderen liefdevol en stabiel zouden opgroeien. De vriendinnen vormen het gezin, hij is de bekende vader. Hij ziet de jongens – nu zes en drie – eens in de twee of drie weken, maar een omgangsregeling is het niet. Jebbink heeft een grote bewondering voor ouders en zou er zelf niet aan moeten denken zoveel in te moeten leveren voor de opvoeding van kinderen.

‘Ik raak verward als iets onlogisch wordt’

Zware tijd
Deze beslissing kwam echter in een tijd dat veel in het leven van Jebbink gebeurde: zijn broertje overleed, hij startte zijn eigen praktijk en de relatie met zijn toenmalige vriend ging uit. ‘Ik ging door mijn hoeven. Ik ben er bijna een jaar helemaal uit geweest. Het inzicht kwam na de crematie van mijn broertje. De maandag daarna zat ik weer op kantoor, in de verwachting dat een zware periode nu afgesloten was, dat alles weer normaal was. Toen begon het echter pas. Jeroen [Soeteman, red.] kwam die middag naar me toe en moest me bevelen een week vrij te nemen. Het werden zes maanden.’ Jebbink wilde geen medicatie nemen, maar liet wel een therapeut ‘de angel eruit halen’. Pas jaren later was hij weer terug op zijn oude niveau. ‘Jeroen is daarbij een enorm belangrijke steun voor mij geweest.’ Hij is nu veel evenwichtiger, heeft veel meer zelfinzicht en kan zichzelf veel beter te weer stellen tegen die dingen die niet goed voor hem zijn. Hij memoreert aan de tijden voor het overlijden van zijn broer, toen hij als een machine kon blijven doorwerken, bijna elke avond. Met de wijsheid van nu ziet hij in dat dat een tikkende tijdbom was.

Iedereen die Jebbink (persoonlijk) kent, weet dat hij een vogelliefhebber is. Naar eigen zeggen kent hij alle vogels uit Europa. Wij hadden helaas onvoldoende kennis om hem te overhoren, maar geloofden hem meteen nadat we uitleg kregen over een spontane ontmoeting tussen Jebbink en een zeldzame Europese uil in Spanje. Hij had hem al herkend aan zijn roep nog voor hij zich liet zien.

‘Ik stop de dag dat ik het OM een criminele
organisatie ga noemen’

Logica
Als wij vragen wat Jebbink mogelijk zou studeren als hij opnieuw zijn studentenleven kon ingaan, antwoordt hij: technische bedrijfskunde. ‘Ik houd van logica, ik ben bèta geschoold op de middelbare school. Ik raak verward als iets onlogisch wordt.’ Hij heeft de rechtenstudie gekozen omdat de vader van een vriend van hem, die advocaat was in Twente. Jebbink is zoon van een loodgieter en de eerste die ging sturen in zijn gezin, rechten leek hem een verstandige keuze en ook een mooie studie vanwege de sterke binding met de maatschappij. Technische bedrijfskunde zou hij ook het beste in Enschede kunnen doen, en dat vond hij te dicht bij zijn ouders. Uiteindelijk werd het Utrecht.

Na ruim vier uur praten – ‘voor mijn gevoel waren we nog lang niet uitgepraat’, mailt hij daags erna nog – vragen we om nog een paar laatste adviezen van deze inspirerende advocaat. ‘Neem elke zaak serieus en vaar nooit op routine. Kakel niet confrères na op zitting en blijf respectvol naar de autoriteiten. Ik stop de dag dat ik het OM een criminele organisatie ga noemen, zoals ik wel eens hoor zeggen’.

Fietsend door het donker van het Vondelpark zouden we zweren dat we een ransuil (Asio Otus) hoorden roepen.