Categorie archief: Leven na de advocatuur

Leven na de advocatuur – ‘Praten is de eerste stap van het genezingsproces’

In 2017 maakten in Nederland 1917 mensen een einde aan hun leven. Gewezen advocate ­Jacqueline Regeling is bij de hulplijn 113 ­Zelfmoordpreventie actief om in de sociaal-economische sector het bewustzijn over deze problematiek te vergroten. In de serie ‘is er leven na de ­advocatuur?’ staat zij het ABB openhartig te woord over hoe ze haar eigen depressies overwon. Ook binnen de advocatuur dienen hierover nog de nodige taboes te worden geslecht, meent zij.

Tekst: Yvette Kouwenberg en Mayk Koria.

De geboren Amsterdamse Jacqueline Regeling werd in 1991 beëdigd als advocaat bij Geelkerken Linskens Advocaten. Ze kwam in goede handen terecht. Haar patroon, André Spijker, was waarnemend deken van de landelijke orde en heeft aan de wieg gestaan van de beroepsopleiding van Advocaten. Regeling vertelt ons dat ze – zoals in die tijd gebruikelijk was – actief was in verschillende rechtsgebieden. Daarnaast was het gebruikelijk dat je in je eerste jaren door de rechtbank benoemd werd als faillissementscurator. Uiteindelijk heeft zij zich gespecialiseerd in het faillissementsrecht en heeft zij twintig jaar gewerkt als curator. Het aspect van zelfstandig ondernemen in faillissementen sprak haar aan.

Het gesprek gaat al snel over de onderwerpen waar zij nu dagelijks bij 113 Zelfmoordpreventie mee te maken heeft; mentale problemen en zelfmoord. Regeling vertelt ons dat zij tijdens haar werk als curator van dichtbij heeft meegemaakt wat de gevolgen van financiële zorgen kunnen zijn. Bestuurders van failliete ondernemingen hebben vaak het gevoel dat zij hebben gefaald en dat ze de onderneming, het personeel en het thuisfront hebben teleurgesteld. Bestuurders die in dergelijke situaties terechtkomen, zien het soms niet meer zitten. Ze zijn vaak moe en sluiten zich af voor de mensen om hen heen. Het is van belang dat curatoren hier oog voor hebben, dat op een respectvolle manier aan de bestuurders wordt gevraagd hoe het met hen gaat. ‘Want praten is de eerste stap van het genezingsproces’, aldus Regeling.

Depressie
We vragen Regeling of ze altijd bewust was van de mentale problemen die mensen kunnen ondervinden in moeilijke periodes in hun leven. Regeling: ‘Naast mijn werk als advocaat bekleedde ik ook verschillende bestuursfuncties in de sociale sector, zoals bij een organisatie die veel voor kinderen in achterstandswijken doet. Dat maakt wel dat je besef krijgt van wat voortdurende (financiële) stress met mensen doet. Dit besef is nog groter geworden toen ik zelf vanuit een burn-out in een grote depressie belandde. Het was zo erg dat ik in die periode niet meer voor mijn kinderen kon zorgen´.

In het jaar 2004, toen ze nog aan het begin van de depressie zat, zegde zij haar arbeidsovereenkomst op in plaats van zich ziek te melden. Dit onder andere uit angst voor stigmatisering. Daarnaast was zij in de veronderstelling dat het beter met haar zou gaan als ze geen werkdruk meer zou ervaren. Een slechte beslissing, blijkt achteraf. Regeling: ‘Ik had niet in de gaten hoe slecht het met mij ging in die periode. Als advocaat probeer je problemen op strategische manier op te lossen en dat heb ik toen ook gedaan. Over je mentale problemen praten doe je niet snel. Het gevolg is dat ik uit het zicht raakte van bijvoorbeeld een bedrijfsarts’. Op een gegeven moment kampte Regeling met suïcidale gedachten en belandde zij in een crisisopvang. Ze heeft daardoor lange tijd niet thuis kunnen wonen. Regeling: ‘Ik had me destijds ziek moeten melden. De werkomgeving is van belang voor mensen die mentale problemen hebben, zodat je niet het hele contact kwijt raakt. Een paar uurtjes in de week werken is voldoende om de noodzakelijke structuur in je leven behouden. De kans op een sneller herstel zou groter zijn geweest als ik me gewoon ziek had gemeld’.
Ze had het geluk dat ze na haar moeilijke periode weer terecht kon bij Geelkerken Linskens. Eerst als vrijwilliger om te rehabiliteren en vervolgens in regulier dienstverband om haar werkzaamheden als advocaat op te pakken.

Overbelasting
We vragen Regeling wat het verschil is tussen een burn-out en een depressie. Regeling: ‘Het begrip burn-out wordt meestal werkgerelateerd gebruikt. Burn-out is een gevolg van langdurige overbelasting, waardoor lichamelijke en geestelijke uitputting ontstaat. Je zou kunnen zeggen dat de energie zowel lichamelijk als geestelijk even op is. Iemand die een burn-out heeft hoeft niet somber te zijn, het is vaak meer een kwestie van niet kunnen dan niet willen. Bij een depressie spelen vaak meer en andere factoren een rol en is er in aanleg ook een genetische kwetsbaarheid. Als ik kijk naar mijn eigen situatie was in 2004 het onderscheid in mijn geval niet zo duidelijk. Ik dacht zelf dat ik een burn-out had omdat ik mijn werk niet meer aan kon, maar wilde denk ik niet onderkennen dat ik misschien wel een depressie kon hebben. Ik had zelf een beeld van hoe een depressief iemand er uit moest zien, namelijk iemand die alleen maar apathisch hangt op de bank. Later heb ik geleerd dat depressie er ook anders kan uitzien – bijvoorbeeld veel onrustiger – en dat ook de mate waarin je een depressie hebt kan verschillen. Ik weet dat er in de advocatuur nu meer gebruik wordt gemaakt van coaching. Ik vind dit een positieve ontwikkeling. Maar soms is ondersteuning van een coach alleen niet voldoende. Mijn boodschap is denk ik dat het in veel gevallen ook meerwaarde heeft om in gesprek te gaan met een bedrijfsarts of je huisarts’.
De lessen die zij heeft getrokken uit de moeilijke periode in haar leven wil zij nu bij 113 Zelfmoordpreventie gebruiken om organisaties bewuster te maken van de rol die ze kunnen hebben bij het genezingsproces van mensen met mentale problemen. ‘Wat ik heb meegemaakt helpt mij nu in de uitdaging om “de ander” beter te begrijpen’, aldus Regeling.

113 Zelfmoordpreventie
Toen het in 2016 rustiger werd in faillissementenland besloot Regeling zichzelf te herijken. Ondanks haar sterke band met Geelkerken Linskens, begon zij het werk steeds minder leuk te vinden. Na gesprekken te hebben gevoerd met een coach besloot zij de advocatuur definitief te verlaten. Wat zij ging doen wist zij op dat moment niet. Regeling vertelt ons dat ze iets in het sociale domein wilde doen, maar nog niet naar een baan had gezocht.

‘Het is nuttig dat advocaten signalen
van suïcide-risico leren herkennen’

Twee maanden voor haar uitdiensttreding zag zij een vacature voor de functie van Kwartiermaker voor de sociaaleconomische sector bij 113 Zelfmoordpreventie. Deze organisatie helpt mensen die kampen met zelfmoordgedachten. 113 Zelfmoordpreventie heeft een crisislijn waar ieder uur van de dag anoniem naar kan worden gebeld. Via de telefoon, maar ook online wordt door professionals hulp geboden om te voorkomen dat mensen zelfmoord plegen. 113 Zelfmoordpreventie gebruikt bewust het woord zelfmoord in plaats van suïcide op de eigen website en in overige communicatie omdat mensen die hulpvragen hebben zoeken op dit woord en omdat zij het taboe op het uitspreken van dit woord wil doorbreken.
Dat de crisislijn van belang is blijkt uit de cijfers over zelfmoord. Het Centraal Bureau voor de Statistiek maakte medio vorig jaar bekend dat in het jaar 2017 1917 mensen een einde aan hun leven hebben gemaakt in Nederland.

Naast de directe hulpverlening richt 113 zich ook op professionals die in hun werk te maken krijgen met mensen met zelfmoordgedachten. 113 leidt jaarlijks duizenden gatekeepers op in het herkennen en bespreekbaar maken van suïcidale gedachten. Niet om van hen een hulpverlener te maken, maar om signalen te herkennen en te stimuleren tot het zoeken van de juiste hulp. Uit onderzoek is gebleken dat in meer dan de helft van de gevallen mensen signalen hebben afgegeven voor hun zelfmoord. Zelfmoord is niet altijd te voorkomen, maar door op relevante plekken in de samenleving het bewustzijn te vergroten, wordt de kans op succesvolle preventie groter.

Als kwartiermaker voor de sociaaleconomische sector zoekt Regeling op zowel landelijk als regionaal niveau interactie met organisaties die te maken hebben met mensen die in financiële problemen zitten en daardoor een risicogroep zijn. De advocatuur is daarbij ook relevant omdat deze beroepsgroep vaak te maken heeft met mensen die meerdere verlieservaringen hebben. Naast ondernemers in zwaar weer, kun je ook denken aan verlies van werk en aan echtscheidingen. Voor veel advocaten is het daarom nuttig om signalen van suïcide-risico te leren herkennen. En om te leren durven bepaalde vragen te stellen en waar nodig iemand door te verwijzen.

Omloopsnelheid
We gaan weer terug naar de situatie van de advocaat zelf en vragen Regeling wat ze vindt van de wijze waarop onze beroepsgroep omgaat met collega’s die kampen met mentale problemen. Regeling: ‘Er is een versnelling gekomen in de wereld om ons heen. De omloopsnelheid van de handelingen die een advocaat moet doen is verhoogd. Toen ik begon met werken werd je geacht om binnen veertien dagen te reageren op een vraag van een cliënt. Dat gaat nu anders. Dat neemt niet weg dat ik overdag het werk van mijn patroon deed en ‘s avonds mijn eigen werk. Het werken in de advocatuur vraagt tegenwoordig grote weerbaarheid tegen de vele verzoeken. Daarnaast moet je goed kunnen omgaan met de druk vanuit jezelf, omdat advocaten vaak denken dat anderen die stroom van verzoeken wel aankunnen. De vraag is hoe de beroepsgroep hiermee om dient te gaan’.

‘Er is een versnelling
gekomen in de wereld
om ons heen’

Regeling informeert ons dat we in Nederland geen duidelijke cijfers hebben over depressie binnen de beroepsgroep van advocaten. Los daarvan hebben we in Nederland geen praatcultuur over mentale problemen, aldus Regeling. Dat is in Angelsaksische landen wel anders, vertelt ze ons. Dat de Nederlandse Orde van Advocaten in 2018 een hulplijn voor de advocatuur heeft opgericht waar advocaten die kampen met werkgerelateerde problemen anoniem bij terecht kunnen, is volgens Regeling een stap in de goede richting. Ze twijfelt echter of er veel gebruik van zal worden gemaakt. Volgens Regeling hebben we verhalen/voorbeelden van advocaten nodig die over hun ervaringen met depressie of zelfmoordgedachten willen praten. ‘We hebben “helden” nodig om een belangrijke eerste stap te zetten en het taboe dat er heerst op dit onderwerp te doorbreken’, aldus Regeling.

De reden dat Regeling openhartig met ons praat over de moeilijke periode in haar eigen leven is om dan ook om bewustzijn te kweken bij onze beroepsgroep over het onderwerp zelfmoord en het taboe op mentale problemen te doorbreken. Vijftig procent van de mensen die in Nederland op enig moment te maken heeft met psychische problemen functioneert daardoor minder. Het is dus ook economisch een winst om eerder met elkaar de eerste stappen naar de goede hulp te zetten.

Leven na de advocatuur – ‘Ik was advocaat. Nu ben ik mezelf’

Judith Noordzij was drie jaar advocaat op de Zuidas toen ze bezweek onder de werkdruk en de spanning. Na een burn-out begon ze een nieuw leven als coach van millennials die problemen hebben met de steeds toenemende ­prestatiedruk en prikkels van social media. ‘Ik was advocaat. Nu ben ik mezelf’.

Tekst: Nick van den Hoek & Yvette Kouwenberg

Hoe ben je de advocatuur ingerold, wat deed je en wat vond je ervan?
‘Ik heb in Groningen rechten gestudeerd en ik zat bij Vindicat en daar was het eigenlijk niet de vraag óf je de advocatuur in ging, maar bij welk kantoor op de Zuidas je stage ging lopen. Daar ben ik helemaal in mee gegaan. Mijn studie ging goed, ik haalde goede cijfers en je jut elkaar allemaal wel een beetje op om 8’en te halen zodat je bij een gerenommeerd kantoor aangenomen wordt. Daar deed ik dus ook aan mee. Ik ging vervolgens stage lopen bij De Brauw. Mijn omgeving reageerde heel positief op het feit dat ik bij een groot kantoor stage liep. Het was een soort roze wolk waar ik op zat. Vervolgens werd ik benaderd door Stibbe om daar mijn scriptie te schrijven. Opnieuw zat ik op die roze wolk. Ik was enorm gevleid dat al die kantoren mij wilden hebben. Na mijn studie ben ik bij Stibbe gebleven om met de beroepsopleiding te starten.
Nu terugkijkend weet ik dat het werk me vanaf het begin niet bijzonder aansprak. Dat kwam mede door de werkdruk. Ik dacht dat als ik er langer zou zitten, het allemaal wat makkelijker zou worden en dat ik het dan ook leuker zou gaan vinden.’

Je hebt het over werkdruk. Hoe ervoer je die?
‘Tijdens een student stage word je nog een beetje in de watten gelegd en valt de werkdruk reuze mee. Toen ik echt als advocaat aan de slag ging verwachtte ik dat je wat meer tijd kreeg om het vak te leren. Misschien is het mijn perfectionisme en wilde ik meteen alles goed doen, wat natuurlijk niet mogelijk is als je net begint. Dat maakte dat ik soms moeite had met de uren in een werkdag.
Ik werkte eerst op de sectie arbeidsrecht. Daar was het constant druk, maar heel geleidelijk. Na mijn overstap naar M&A werd dat anders. Het was hollen of stilstaan. Er waren hele rustige periodes, afgewisseld met periodes waarbij je keihard moest werken – soms zelfs ‘s nachts. Dat paste niet bij mij. Na een hele drukke periode van drie maanden was de koek op en ben ik uitgevallen.’

Je hebt uiteindelijk besloten iets heel anders te gaan doen. Hoe ging dat?
‘Dat ging niet van de ene op de andere dag. Twaalf maanden heb ik niet gewerkt. De eerste drie maanden lag ik alleen maar op de bank en kon ik niets. Op een gegeven moment begon mijn energie weer wat beter te worden en ging ik heel bewust nadenken over hoe het zo ver had kunnen komen. Toen kwam ik tot het besef dat het werk me meer energie kostte dan opleverde. Absoluut niets ten nadele van het kantoor of de advocatuur, maar ik moest gewoon erkennen dat het niet mijn ding was. Het werk was natuurlijk ook niet het probleem, het was een symptoom van een dieperliggende oorzaak. Ik heb vier maanden bij een psycholoog gelopen, die heeft me helpen inzien dat ik mijn keuzes tot dan toe vooral had gemaakt op basis van de mening van anderen.’

Zo te horen heb je best wel veel signalen in jouw omgeving steeds ter harte genomen en je daardoor laten leiden, meer dan je lief was.
‘Ja, dat is ook dé conclusie die ik kon trekken uit mijn burn-out, wat tegelijkertijd heel pijnlijk was. Ik heb geen keuzes gemaakt op basis van mijn eigen gevoel, maar op basis van wat mijn omgeving vindt, of wat ik denk dat ze vinden. Die burn-out is dan ook niet gekomen door het werken in de advocatuur, maar omdat ik vond dat ik in een bepaald plaatje moest passen terwijl dat plaatje helemaal niet bij mij bleek te passen.’

‘Na een hele drukke periode van drie maanden was de koek op’

Was het moeilijk om tot die conclusie te komen?
Ja, zeker, je vraagt je dan af, wie ben ik dan eigenlijk al die tijd geweest? Je hele wereld stort in. Dat maakte het herstelproces ook best moeilijk voor me. Ik kon namelijk niet goed bij familie en vrienden terecht met mijn probleem, want zij waren zogezegd juist onderdeel van het probleem. Mijn omgeving vond dat ik terug moest om te re-integreren en de beroepsopleiding af te maken. Op papier was dat natuurlijk de meest verstandige keuze, maar ik wist zeker dat ik niet terug wilde. Ik wilde iets anders. De vraag was alleen wat.
Ik ben toen zelf aan de slag gegaan met hoe ik mijn leven wilde inrichten, zoals ik dat wil en niet hoe anderen dat willen. Ik stelde me bij alles heel bewust de vraag of het me energie zou kosten of zou opleveren. In het eerste geval deed ik het niet, in het tweede geval wel. Het was een behoorlijk eenzaam proces, omdat ik voor het eerst mijn eigen koers ging varen.
Sporten heeft me daar heel erg bij geholpen. Mentaal voelde ik me niet goed en had ik een lange weg te gaan. Fysiek kon ik eenvoudig aan de slag. Ik begon met krachttraining, waar ik heel veel energie van kreeg en even niet met mijn hoofd bezig hoefde te zijn. Ik voelde me steeds fitter en ik kreeg weer een beetje grip op mijn lichaam en daardoor ook mijn gedachten. Het sporten gaf me letterlijk de kracht om mentaal voor mezelf te kiezen.

Op een gegeven moment merkte ik dan ook dat ik weer wilde gaan werken. Ik wist nog niet precies wat maar ik wilde in ieder geval een baan waar ik met plezier naartoe kon fietsen, in casual kleding, maximaal van 9 tot 5 en met jonge collega’s. Via via ben ik toen bij een leuk bedrijf aan de slag gegaan in HR. Uiteindelijk heb ik er twee jaar gewerkt. Het was een ontzettend leuke tijd. Het bedrijf was enorm in ontwikkeling en is van 1 medewerker naar 50 medewerkers gegroeid, met allemaal jonge mensen. Het viel me op dat ook zij worstelden met het aangeven van grenzen. Dat heeft mij getriggerd om voor mezelf te beginnen als coach gericht op de millennial.

Als burn-out coach kom je in aanraking met veel persoonlijke en wellicht precaire zaken van anderen. Je bent daarvoor destijds bij een psycholoog geweest. Heb je zelf ook een opleiding gevolgd om dit soort werk te doen?
‘Nee, dat heb ik niet. Ik heb het wel overwogen toen ik begon. Maar ik wilde eerst beginnen en kijken waar ik tegenaan zou lopen. Ik merkte dat ik met mijn eigen ervaring en visie de meeste mensen kan helpen zonder bepaalde methodes op ze toe te passen. Dat vinden mensen heel fijn, maar als ik merk dat mensen echt met psychische problemen zitten dan verwijs ik ze wel door en vertel ik ze dat ik ze niet kan helpen. Heel veel mensen komen bij mij naast hun psycholoog, Ik kan ze helpen met een visie, op hoe we op dit moment in het leven zouden kunnen staan.’

Je geeft daarnaast workshops. Hoe ziet zo’n workshop er uit?
‘Ik deel mijn eigen verhaal en mijn visie op hoe het komt dat veel millennials te maken hebben met een burn-out, stressklachten en overspanning. En ik deel hoe je in deze maatschappij bij jezelf kunt blijven. Wie ben ik, wat wil ik, wat past bij mij? Ook doen we gezamenlijke opdrachten. Een workshop duurt vier uur en de meeste mensen gaan met een eigen plan naar huis om hun leven goed in te richten.’

Waarom hebben zoveel millennials volgens jou burn-out klachten?
‘Het is lastig om dit in een korte tijd uit te leggen, maar het komt, denk ik, door de maatschappij waarin we opgroeien. Die is gericht op prestatie en prestige. We leren allemaal dat als je hard je best op school doet, dat je later een goede baan zult krijgen en dat doen we dan allemaal. Vervolgens begin je met werk, merk je dat het hard werken is en dat je vervangbaar bent.
En dan zijn er natuurlijk de telefoon en social media, waardoor we elke dag een overvloed aan prikkels binnen krijgen. We hebben nooit geleerd hiermee om te gaan. We zijn ons bovendien met andere mensen gaan vergelijken op basis van social media terwijl dat niet reëel is.’

Je zit zelf ook op social media en bent daarmee in feite ook verantwoordelijk voor die prikkels?
‘Ja, deze vraag krijg ik vaak. Social media zijn voor mij iets waar ik bewust mee om moet gaan, maar ik gebruik ze vooral voor mijn werk. Ik kijk niet naar andere profielen. Het scheelt volgens mij heel erg of je zelf deelt of juist naar andere mensen kijkt. Wat prikkels betreft leg ik ’s avonds mijn telefoon weg, zodat ik niet overprikkeld raak. Dat adviseer ik anderen ook.’

‘Ik heb geen keuzes gemaakt op basis van mijn eigen gevoel’

Je gebruikt onder meer Instagram. Op je account staat iets over ijs met heel weinig calorieën?
‘Ja, dat klopt. Af en toe werk ik samen met merken. Als merken mij benaderen die ik ook leuk en lekker vind dan deel ik een foto en krijg ik daar wat voor. Maar ik gebruik instagram vooral als marketingtool voor mijn eigen werk.’

Betrap je jezelf er nog weleens op dat je je keuzes laat leiden door anderen?
‘Ik heb elke maand een evaluatie met mezelf over waar ik nu sta, wat er is gelukt en wat niet is gelukt en waarom. Soms voel ik nog wel een bepaalde druk van buitenaf, maar ik herken het nu en weet hoe ik ermee om moet gaan.’

Heb je nog een gouden tip voor (beginnende) advocaten om niet in een burn-out terecht te komen?
‘Het is zo’n dooddoener, maar blijf bij jezelf. Als je op zondag met hoofdpijn op de bank zit en opkijkt tegen de maandag die er weer aankomt, dan moet je je afvragen of dit is wat je echt wilt. Luister naar dat stemmetje. Ook als je het werk leuk vindt, maar is je even allemaal te veel, geef het aan. Neem de regie! ‘

Judith Noordzij op instagram: https://www.instagram.com/junoordzij

Leven na de advocatuur – Restaurant De Zee

Wie kent ze niet? Advocaten die liever aardappels telen, handtassen ontwerpen of pizza’s bakken dan week in week uit ploeteren op processtukken. Advocaten die hun droom najagen. Lammert Miedema is een van die advocaten. Na een wandeling op Terschelling besloten hij en zijn vriendin daar een leegstaand pand te kopen om een restaurant te beginnen. Twee maanden later verruilde Miedema zijn toga voor een koksbuis.

Door Mayk Koria en Quirine van Voorst

Na het horen van het verhaal van Lammert Miedema kun je niet anders concluderen dan dat hij op Terschelling weer thuis is. Niet alleen is hij teruggekeerd naar het hoge noorden, maar heeft hij – na een leven in de advocatuur – zijn oude passie opgepakt. We spraken Miedema over zijn leven als advocaat en zijn beweegredenen om zijn toga aan de wilgen te hangen.

Miedema is opgegroeid in een horecafamilie. In de jaren vijftig begon zijn opa Hotel NAP op Terschelling te exploiteren. Als klein kind was Miedema vaak te vinden in de gangen van dat hotel. De horecacarrière van Miedema begon toen zijn vader het hotel van zijn opa overnam. Miedema deed zijn intrede als kok in het restaurant van dat hotel. Ook zijn twee broers hebben een groot deel van hun leven in de horeca gewerkt. ‘Mijn broers en ik hebben ons best gedaan om uit de horeca te blijven, maar het werkt als een magneet op ons’, aldus Miedema. Een van de broers runt momenteel het familiehotel.

Tijdens zijn dienstjaren in het hotel rondde Miedema zijn koksopleiding aan de Culinaire Vakschool te Groningen met goed gevolg af. Als gecertificeerd kok vertrok Miedema naar Amsterdam om te werken in verschillende restaurants. Daar werkte hij veelal met studenten die naast hun studie, geld verdienden in de horeca. Ondanks het feit dat Miedema veel plezier had in zijn werkzaamheden als kok, ging hij zoals veel van zijn collega’s studeren. ‘Op mijn 26e wilde ik meer en ben ik rechten gaan studeren’, legt Miedema uit. Tijdens zijn studie bleef Miedema nog wel drie dagen in de week in de horeca werken.

Toga
Zes jaar later studeerde Miedema af en werd snel daarna beëdigd als advocaat. Miedema: ‘Ik ben als zelfstandige advocaat begonnen bij het kantoor Vreeswijk & De Winter Advocaten, dat gevestigd was aan de PC Hooftstraat in Amsterdam. Tijdens mijn studie hield ik eens in de week een spreekuur bij de rechtswinkel Bijlmermeer waar ook advocaten van mijn eerste kantoor aan verbonden waren. Ik had een goede band met die advocaten en toen er een plek vrijkwam bij dat kantoor heb ik mij bij hen aangesloten. Na anderhalf jaar stapte ik over naar advocatenkantoor Donk, Breukelaar en Van Willegen in Amsterdam-Oost. Daar heb ik vier jaar gezeten. Na een zeilreis van een half jaar, heb ik een kleine twee jaar als jurist voor een detacheringsbureau gewerkt; om vervolgens weer terug te keren bij Van Doorn c.s. (zo heette mijn “oude” kantoor inmiddels) voor een periode van drie jaar. Al met al heb ik dus ruim een decennium in de advocatuur gezeten. Ik deed mijn werk met passie en had een goedlopende sociale praktijk’.

Het klinkt wat dramatisch maar het begin van het einde van zijn carrière als advocaat was de geboorte van zijn zoontje in 2004. ‘We hebben heerlijk gewoond in de Jordaan, maar we zagen de stad ontzettend veel veranderen. Het werd er constant drukker, mede doordat het toerisme begon te groeien. Ik had niet meer het gevoel dat Amsterdam mijn stad was. Tijdens de wandelingen met mijn zoontje door de stad stelde ik me regelmatig de vraag: wat doe ik nog hier? Mijn vriendin – die overigens ook op Terschelling is opgegroeid – had hetzelfde. In die periode hadden mijn vriendin en ik het er vaak over om terug te gaan naar Terschelling’, aldus Miedema. De advocatuur vond hij overigens nog wél leuk, vertelt Miedema ons. Als hij in Amsterdam was blijven wonen, zou hij advocaat zijn gebleven.

Koksbuis
Tijdens een wandeling op Terschelling in april 2006 zagen Miedema en zijn vriendin een leegstaand pand te koop staan waarin ooit een restaurant had gezeten. Een advocatenkantoor op Terschelling beginnen, leek Miedema geen goed idee. Doordat Miedema zijn oude beroep als kok oppakte, konden hij en zijn vriendin hun droom om op Terschelling te wonen waarmaken. Twee maanden nadat ze het “te koop”-bordje hadden gezien, waren Miedema en zijn vriendin de trotste eigenaren van een restaurant op Terschelling. Ze noemden het restaurant De Zee, omdat alles op het eiland te maken heeft met het water eromheen. Miedema: ‘Het was een uitdaging om ons stabiele leven in Amsterdam achter ons te laten, maar dat risico moesten wij nemen. Als ons avontuur niet uitpakte zoals wij dat in gedachten hadden, zouden we het restaurant verkopen en terugkeren naar Amsterdam. We zitten nu in ons dertiende seizoen op Terschelling en de zaken gaan uitstekend. We blijven voorlopig hier’.

‘Alles wat mijn vriendin en ik hadden, hebben we in De Zee geïnvesteerd’, aldus Miedema. De beginperiode was zwaar, zeker nu Miedema nog een lopende praktijk in Amsterdam had die hij nog moest afwikkelen. Twee dagen in de week was hij dan ook op het vasteland om cliënten te bezoeken en rechtbanken aan te doen.

De Zee
Omdat we het interview telefonisch afnemen, vragen we Miedema om het restaurant te beschrijven. Miedema vertelt dat hij enkele jaren geleden een Italiaanse steenoven heeft gebouwd, waarin hij nagenoeg alle gerechten bereidt. Het restaurant heeft binnen plek voor 25 personen en op het terras voor nog eens 12 personen. De keuken is Italiaans georiënteerd en Miedema probeert zo veel mogelijk streekproducten te gebruiken in zijn gerechten. Het lams- en rundvlees koopt hij bij een lokale slager. De rest van de producten bestelt hij bij een groothandel. ‘Het zal je verbazen maar ook hier op het eiland geldt dat als ik vóór tien uur ’s avonds producten bestel, heb ik ze de volgende ochtend in huis’, aldus Miedema. Verder gaat Miedema regelmatig het bos in om paddenstoelen en cranberries te plukken. De zeekraal die hij gebruikt in zijn gerechten vindt hij op het strand.

Miedema: ‘De sfeer in het restaurant is vrij ontspannen, mensen bestellen een fles wijn en blijven de hele avond zitten’. Dat het eten en de sfeer in het restaurant naar tevredenheid van veel van de gasten is, blijkt uit de vele goede recensies die over De Zee te vinden zijn op verschillende beoordelingssites.

Anders dan enkele jaren geleden, bezoeken toeristen Terschelling veel meer verspreid door het jaar heen. Dit is goed voor de economie van het eiland. Het horecaseizoen gaat nu elf maanden per jaar door. In het verleden werkten Miedema en zijn vriendin in de zomer vijf maanden snoeihard zodat ze de rustige periodes in de rest van het jaar konden overbruggen. Miedema: ‘Mensen komen steeds vaker uitwaaien op Terschelling. Daarnaast worden er meer evenementen georganiseerd op het eiland. Denk aan Oerol, dat jaarlijks gemiddeld vijftigduizend bezoekers kent, en de Berenloop waar ook gewoon vierduizend personen op afkomen. De tijd waarin de centjes in het hoogseizoen verdiend moesten worden, is echt voorbij!’.

Het huidige leven
Miedema vertelt ons dat het restaurant een succes is en de familie een heerlijk leven heeft op Terschelling. Als fervent watersporter begint de dag van Miedema het liefst op een windsurfplank. Miedema ervaart momenteel minder stres dan in de periode dat hij advocaat was. Miedema: ‘In Amsterdam leefden mijn gezin en ik langs elkaar heen. Hier doen we heel veel samen’. Wel vindt Miedema het runnen van een restaurant fysiek zwaarder dan het voeren van een advocatenpraktijk. Vroeg in de middag doet Miedema boodschappen en om tien uur ‘s avonds gaat hij naar huis. Het grote verschil voor Miedema is dat hij het werk als kok niet mee naar huis neemt. ‘De advocatuur gaat vierentwintig uur per dag door. Onbewust neem je altijd de problemen van je cliënten mee naar huis. Dat is mentaal zwaar’, licht Miedema toe.

Op de vraag of hij terugverlangt naar de advocatuur antwoordt Miedema ons dat hij niet meer met goed fatsoen terug zou kunnen. ‘In de afgelopen twaalf jaar is er onwijs veel veranderd in de rechtsgebieden waar ik me mee bezig hield en de advocatuur an sich. Die veranderingen heb ik niet bijgehouden’, aldus Miedema. De ervaring die hij heeft opgedaan in de advocatuur, gebruikt hij wel eens om conflicten te vermijden. Zo bevestigt hij regelmatig mondelinge afspraken met leveranciers en gasten die met een grote groep willen komen eten. De advocatuur is dus niet helemaal uit zijn lichaam verdwenen. Miedema bespeurt opluchting aan de andere kant van de lijn, en lacht.

We sluiten niet uit dat het mooie weer er iets mee te maken heeft, maar wat Miedema over zijn ‘nieuwe’ leven vertelt, is ronduit jaloersmakend. Mochten we ooit uitwaaien op Terschelling, dan lijkt ons een bezoek aan het restaurant van Miedema zeker de moeite waard.

‘Het was nu of nooit’

Leven na de advocatuur

Dat er een leven bestaat na de advocatuur bewijst Joris ­Engelsma met zijn ­Wijnkoperij Au Paradis. Omringd door wijndozen uit verschillende Franse streken spraken wij met Engelsma over de advocatuur, de wijnhandel en zijn keuze om het roer om te gooien.

Tekst: Benjamin Bijl en Mayk Koria

Na tien jaar als advocaat te hebben gewerkt bij Labré advocaten, importeert Joris Engelsma tegenwoordig samen met zijn vriendin biodynamische, biologische of met respect voor de natuur geproduceerde wijnen uit Frankrijk. Naast het feit dat het productieproces van deze wijnen beter is voor het milieu, vindt Engelsma deze wijnen over het algemeen lekkerder dan ‘gewone’ wijnen. Au Paradis heeft momenteel een assortiment van 120 verschillende wijnen van 25 verschillende, veelal kleine, producenten.


Joris Engelsma: ‘Het is eigenlijk niets anders dan in de advocatuur’.

Schuld van vriendin
Engelsma grapt dat het de schuld van zijn vriendin is dat hij nu wijn importeert. Hij was altijd al geïnteresseerd in wijnen, maar zijn vriendin heeft ervoor gezorgd dat zijn interesse in een stroomversnelling kwam. Zij is een gediplomeerd wijnkenner en kan uitstekend wijnproeven. Zij is wat men noemt een ‘Weinakademiker’, van wie er maar een handjevol rondloopt in de Benelux. Om deze achtergrond en omdat ze simpelweg veel tijd met elkaar willen doorbrengen, begonnen zij een wijnkoperij. Zijn vriendin is namelijk ‘één van mijn meest favoriete mensen op de wereld’, zegt Engelsma. ‘Au Paradis is een uiting van onze gezamenlijke hartstocht en liefde voor wijn’.

Beaujolais-beurs
Met een glas champagne (‘de enige wijnsoort die óveral bij past’) in de hand luisteren we aandachtig naar Engelsma die vertelt over zijn komende trip naar Frankrijk. Engelsma: ‘Binnenkort ga ik met mijn vriendin weer naar het zuiden van de Bourgogne om een Beaujolais-beurs te bezoeken. Vervolgens gaan we een wijnhuis aandoen te Fuissé waar wij mee samenwerken. Daar gaan wij in het kasteel Château des Rontets overnachten. De volgende ochtend rijden we naar de noordelijke Rhône waar wij een ander wijnhuis gaan bezoeken waar we al mee samenwerken. Onze trip gaat vervolgens naar Beaune, het epicentrum van de Bourgogne, waar wij in drie dagen verschillende producenten zullen bezoeken die wij interessant vinden en met wie we willen samenwerken. Vanuit Beaune rijden we naar de Elzas om onze banden met twee domeinen te versterken. Onderweg doen we het domein Domaine Pignier in de Jura aan om hun dertiende-eeuwse kelder te zien’.

Exact weten waar de wijn vandaan komt, wie de producent is en hoe de sfeer op de wijngaard is, vindt Engelsma belangrijk. Er is een duidelijk andere dagindeling dan die van de advocaat waarneembaar.

‘Vertrouwen kweek je door
goede wijnen te leveren’

Zorgvuldig uitgekozen
De wijnhuizen waar Engelsma mee samenwerkt, heeft hij zorgvuldig uitgekozen. Eerst leest hij zich in over de wijn en de streek. Hij laat ons enkele flinke boeken over wijnen zien, waaronder een wijnencyclopedie, waar hij onder andere zijn informatie uit haalt. Als Engelsma aangetrokken wordt door een wijnhuis gaat hij ernaartoe om een goed gesprek met de wijnmaker te houden om zo de wijn te doorgronden. Om de communicatie met de Franse wijnboeren te bevorderen, volgt hij een cursus Frans. Als de wijn daarnaast van uitstekende kwaliteit is en heerlijk smaakt, neemt hij twee flessen mee terug naar Amsterdam. Een maand na het bezoek, proeft Engelsma weer de wijn om na te gaan of hij het nog ‘te gek’ vindt. ‘Dit doen wij omdat je vlak na het bezoek nog vol bent van de romantiek van de plek en daardoor alles lekker(der) smaakt’, aldus Engelsma. De portfolio van Au Paradise is voor negentig procent op deze wijze opgebouwd.

We vragen Engelsma of hij de advocatuur mist. Engelsma: ‘Ja, ik was gezegend met leuke collega’s, ik heb veel geleerd van de partner voor wie ik werkte en ik vond de manier van werken leuk. Daarnaast vond ik het uitstippelen van strategieën bij nieuwe zaken geweldig, vooral als het lukte op de wijze die ik voor ogen had’.

Avontuur
Ondanks het prettige leven als advocaat heeft Engelsma geen spijt van zijn keus. ‘De stap die ik had moeten maken na tien jaar advocatuur was partner worden en daar waren ook goede kansen voor. Als ik partner werd zou ik nooit meer iets buiten de advocatuur doen. Terwijl ik omgekeerd minder bezwaren zag. Als dit avontuur mis gaat dan kan ik altijd terug naar de advocatuur. Het was een nu of nooit moment’, vertelt Engelsma over zijn beweegredenen de advocatuur te verlaten.

Engelsma vertelt ons dat het een tijd heeft geduurd voordat hij kon wennen aan de koerswijziging. Hij heeft geen achtergrond in het importeren van wijn en er bestaat ook geen opleiding die je kan klaarstomen voor de wijnhandel. Het vak moet je dus leren door trial by error en dat bevalt hem goed. ‘Het is eigenlijk niets anders dan in de advocatuur. Na vijf jaar denk je als advocaat dat je alles weet van het rechtsgebied waarin je werkt, maar dan kom je erachter dat dat niet het geval is. De advocatuur is een prachtig vak, dat je niet op de schoolbanken leert of alleen uit de studieboeken. Je moet om het vak van advocaat te leren echt met je poten in de klei staan en dat is hetzelfde bij wat ik nu doe’, vertelt Engelsma.

Tijdens ons gesprek met Engelsma lopen regelmatig klanten de zaak binnen die belangstellend naar de tentoongestelde wijnflessen kijken. Engelsma vertelt hen met hartstocht over de wijnen en zonder uitzondering lopen ze met een fles in de hand de winkel uit. Engelsma vertelt ons dat het niet de bedoeling was om een winkel te openen waar particulieren binnen kunnen lopen. Aanvankelijk waren ze op zoek naar een pand waar zij een kleine voorraad konden opslaan, zodat restaurants die door hun flessen heen zijn bij hen terecht kunnen, en een plek waar zij met sommeliers wijn kunnen proeven. Vijfennegentig procent van de flessen die Engelsma verkoopt gaat naar de horeca. Dat het pand ook een winkelbestemming heeft, is een leuke bijkomstigheid waardoor particulieren op een laagdrempelige manier kennis kunnen maken met goede wijn.

Gunfactor
We vragen Engelsma hoe hij zijn klanten aantrekt. ‘Het is een kwestie van vertrouwen en gunnen. Het is wat dat betreft niet anders dan in de advocatuur. Je komt ergens binnen en je laat zien wat je hebt en bij de advocaat is dat onder andere de kennis en kwaliteit om problemen op te lossen. Bij wijn is dat hetzelfde. Je moet vertrouwen kweken en dat doe je door goede wijn te leveren. Niet onbelangrijk is dat je het horeca-wereldje moet kennen. Ons voordeel is dat we veel goede contacten hebben in dat wereldje, omdat we vaak restaurants bezoeken’.

Trendsetters
Dat het Engelsma wordt gegund blijkt uit het feit dat ze elk jaar flink groeien. Hij werkt ook graag samen met chefs en sommeliers die het anders willen doen dan de gevestigde orde. Zijn klanten zijn veelal jonge chefs die bij een gerenommeerd restaurant hebben gewerkt, maar kwalitatieve gerechten willen serveren in een ontspannen sfeer. Hij is trots dat hij met deze trendsetters mag werken en het lijstje restaurants die wijn inkopen bij Au Paradis groeit gestaag. Wederom erkenning dat Engelsma en zijn vriendin goede wijn leveren. Niet alleen de horeca gunt het Engelsma, maar ook steeds meer exclusieve wijnhuizen knopen een samenwerking aan met hem. Zo heeft Engelsma producten in zijn assortiment die in Nederland alleen door hem mogen worden verhandeld.

Tijdens ons gesprek met Engelsma heeft hij ook ons kennis laten maken met verschillende bijzondere wijnen. Fun facts over in hoeverre bijvoorbeeld de dikte van het wijnglas invloed kan hebben op de smaak en hoe het suikergehalte van de betreffende wijn tot stand is gekomen, bleven daarbij niet uit. Wij kunnen daarom al onze wijn-liefhebbende-lezers van harte aanraden om eens langs te gaan bij Au Paradis. Maar wees gewaarschuwd: men loopt daar zelden met lege handen weg.

Van procedures naar piepers

Leven na de advocatuur

Op 1 januari 2013 maakte Arwin Bos de overstap van de Zuidas naar het platteland. Van procedures naar piepers: een groter contrast bestaat niet, zo is de eerste indruk. Maar er zijn ook opvallend veel gelijkenissen. In het tweede deel van onze serie over uitstijgers uit de advocatuur een ontmoeting met een bevlogen aardappelboer.

Tekst: Quirine des Tombe en Nick van den Hoek

Hoewel Arwin Bos is opgegroeid tussen de aardappels, is er door zijn ouders nooit druk op hem uitgeoefend om het familiebedrijf over te nemen. In tegendeel, hij werd gestimuleerd om iets heel anders te gaan doen. Hij was (en is) een echte alfa, maar toen hij rechten ging studeren, had hij niet de intentie om advocaat te worden. Arwin wilde – zoals het gros van ons – gewoon een brede opleiding waarmee je nog alle kanten uit kunt. Door de advocaten van Stibbe die in zijn studentenstad Leiden rondliepen, is hij overgehaald om daar stage te lopen; en werd hem al snel een baan aangeboden. Advocaat worden was zeker geen vooropgezet plan.

‘Als advocaat bij een groot
kantoor leef je in een bubbel’

Combinatie kriebel en kans
Arwin werkte op de sectie bestuursrecht en deed met name (procedures over) milieurecht, omgevingsrecht en grondrechten. Toen hij medewerker werd, begon hij zich af te vragen of hij zichzelf oud zag worden in het vak. Hele dagen achter de computer, veel aandacht voor details en weinig ondernemerschap. In diezelfde tijd besloot zijn vader met pensioen te gaan. Eén en één was twee: Arwin besloot om per 1 januari 2013 – voor een periode van in ieder geval vijf jaar – aardappelboer te worden. In de eerste paar jaar bleef hij wel advocaat om in de rustige periodes van zijn bedrijf wat bij te klussen in de flexibele schil van Stibbe.

Potato pota(h)to?
De voor de hand liggende verschillen tussen de twee beroepen, kunnen wij allemaal bedenken: de plek (binnen/buiten), de sfeer (pak/kloffie), het aandachtsgebied (op de details/het grote geheel), het gereedschap (wetboek/tractor), de sociale omgeving (kantoorgenoten/alleen), we kunnen nog wel even doorgaan. Maar wat is nu hét grootste verschil tussen beide beroepen? ‘De bubbel’, antwoordt Arwin. ‘Als advocaat bij een groot kantoor leef je in een bubbel waar alle randzaken voor je worden geregeld en waarin je uitsluitend samenwerkt met intelligente mensen. Ook krijg je goed betaald en is je inkomen vanzelfsprekend. De advocatuur realiseert zich onvoldoende wat een luxe dat is.’
Als akkerbouwer (naast aardappelen worden er ook andere gewassen geteeld) doe je alles zelf en ligt het uurtarief rond de vijfentwintig euro. Verder zijn de inkomsten in zijn algemeenheid minder zeker omdat je afhankelijk bent van het weer; en van de marktprijs, die bijvoorbeeld het laatste jaar flink is gedaald. Daar moet je tegen kunnen. Een ander groot verschil is dat een boerderij een veel duurzamer commitment vereist dan de advocatuur. Als advocaat kun je betrekkelijk eenvoudig de boel de boel laten, maar een boerderij is zo kapitaalintensief, daar stap je niet zomaar uit.

Maar er zijn ook overeenkomsten. En eigenlijk vormen die het meest opvallende onderdeel van het interview. Wij hadden ons nooit gerealiseerd dat ook een boer jaarlijks opleidingspunten moet halen om zijn licentie (gewasbescherming) te behouden. Of hij dat daadwerkelijk doet, wordt bijgehouden door een soort-van-Orde. Er is misschien geen wekelijks lunchmoment om de laatste ontwikkelingen in het vak te bespreken, maar vaktijdschriften zijn er volop in de agrarische sector.

Gezonde competitie
Ook is er, net als in de advocatuur, sprake van gezonde competitie tussen de beroepsgenoten onderling, ware het niet dat die competitie om iets anders draait. Advocaten willen de meeste kennis hebben, boeren het meeste land. Op een andere manier willen beiden dus de grootste zijn. ‘Potato pota(h)to,  zullen we maar zeggen. Verder kent elk beroep vijanden als het om je eigen agenda gaat. Waar dat in de advocatuur veelal de baas, de wederpartij of de rechtbank is (over de klant komen we zo nog te spreken!), is dat in het boerenbedrijf het weer. Het hollen en stilstaan gaat dus onverminderd door, zij het door een andere factor.

‘Tijdens het rooien moet
 ik alle zeilen bijzetten’

Arwin Bos: ‘Ik kan me ook nog herinneren dat soms al het werk tegelijk leek te komen. Dat is nu nog steeds zo. Tijdens het rooien moet ik alle zeilen bijzetten om de aardappels op tijd de grond uit te krijgen.’ Waar hij bij Stibbe in rustigere tijden zijn kennis onderhield door te publiceren, pleegt hij nu onderhoud aan zijn machines. De totale hoeveelheid werk is overigens (ook) niet veranderd. Hij werkt nu zelfs misschien wel meer uren dan toen hij nog aan de Zuidas werkte. En dat heeft te maken met – daar hebben we hem – de klant. Die is overal even veeleisend.

Bijzondere aardappelrassen
Wat kunnen de advocatuur en het boerenbedrijf van elkaar leren? Arwin heeft uit de advocatuur twee belangrijke vaardigheden meegenomen: luisteren naar klanten en zich onderscheiden. Door lange tijd in Amsterdam te hebben gewerkt, weet hij waar men naar op zoek is: bijzondere aardappelrassen met veel smaak. Verder heeft hij zich weten te onderscheiden door een andere insteek te hebben. Waar 95 procent  van de aardappelboeren zich met name richt op productie, richt hij zich met name op de verkoop, en dus ook op het vermarkten van de aardappels. In plaats van twee of drie grote afnemers heeft hij meer dan honderd kleinere afnemers. Restaurants en burgerbars uit de Randstad bijvoorbeeld. En een webshop voor directe verkoop aan consumenten. Op die manier haalt Arwin een gelijke omzet met minder productie. Omgekeerd kan de advocatuur ook veel leren van het boerenbedrijf. Boeren innoveren steeds meer. De advocatuur is over het algemeen toch nog redelijk conservatief. Arwin Bos: ‘Ik denk dat advocaten meer vrijheid moet worden gegund om de toekomst van de advocatuur zeker te stellen. Avond na avond doorwerken en elke dag een das om is niet meer van deze tijd.’

‘Elke avond doorwerken
en elke dag een das om
is niet meer van deze tijd’

Vijf jaar later, en nu?
De door Arwin zelf ingelaste proefperiode is net ten einde. Hij geniet van het ondernemerschap, het buiten zijn, en de intellectuele uitdaging die hij vindt in zijn bestuurlijke betrokkenheid bij Royal Cosun (een grote globaal opererende akkerbouw coöperatie; moederbedrijf van onder meer Suikerunie en Aviko met twee miljard omzet). Hij gaat het bedrijf van zijn vader dan ook volledig overnemen. Op de vraag of hij ooit nog terug zou willen naar de advocatuur, antwoordt hij: ‘Ik denk dat ik eerder als generalist zou gaan werken binnen een bedrijf, bestuur of de politiek. Als ik al zou terugkeren naar de advocatuur, zou ik met de kennis van nu in ieder geval anders adviseren. Ik zou minder bezig zijn met het uitsluiten van risico’s, en de nadruk leggen op het geven van een praktisch advies, waar de klant verder mee kan. Je moet de jas van advocaat kunnen uittrekken om ondernemer te worden, maar ook om de ondernemer goed bij te kunnen staan’.

‘Ik ben altijd creatief geweest’

Loes Vrij verruilde toga voor tas

Nadat Loes Vrij haar toga definitief aan de wilgen had gehangen belde de styliste van superster Selena Gomez met het verzoek om een selectie van een aantal tassen op te sturen. Nu paraderen BN’ers over de rode loper met een door haar ontworpen ‘Glorious Gun’-tas onder hun arm. Het antwoord op de vraag in de titel van deze nieuwe rubriek lijkt daarmee gegeven. We leren van Loes dat ze de advocatuur leuk vond, maar haar passie bij het ontwerpen ligt.

Tekst: Nick van den Hoek en Lara Smeets

Waarom besloot je de overstap te maken?
‘In 2010 heb ik mij ingeschreven voor een aantal modevakken aan de Academie Vogue in Amsterdam. Hoewel ik daar tussen de 20-jarige meisjes zat, vond ik het heel leuk. De liefde voor de mode is iets dat al lang speelt. Ik heb vroeger getwijfeld om naar de kunstacademie te gaan. Ik ben altijd creatief geweest. Toch ben ik rechten gaan studeren. Mijn vader was rechter en vertelde thuis over zijn werk. De advocatuur heeft daarom altijd wel een bepaalde aantrekkingskracht op mij gehad en ik had toen ook niet echt een beeld bij creatieve beroepen. Dat beeld was er eigenlijk ook nog niet helemaal toen ik overstapte. De switch naar het ontwerpen is ook geleidelijk gegaan. In het begin werkte ik nog gewoon als (parttime) advocaat, want geld verdienen deed ik nog niet met de tassen. Ik gebruikte mijn kantoor als opslagruimte en had cliëntbesprekingen tussen de tassen. De tassen stonden ook in de vensterbank bij wijze van etalage. Erg leuk was toen twee Chinese meisjes helemaal ondersteboven waren van een “pink bag” die ik daar had liggen. Toen ik ze binnenliet waren ze hysterisch dat ik de designer was’.

Je vertelde dat je altijd creatief bent geweest. Waar begin je als je een tas wil maken?
‘Ik had ook geen idee! Ik ben thuis aan de slag gegaan met leer en andere materialen vormen gemaakt en dingen uitgeprobeerd. Uiteindelijk kwam hier het grove ontwerp van de voorloper van de “Glorious Gun” uit. Met enige moeite vond ik een tassenmaker in het zuiden van het land – die vind je niet meer zo makkelijk in Nederland – die een prototype heeft gemaakt. Ik ben vervolgens onbevangen naar Parijs vertrokken en ben daar met mijn ontwerp onder de arm een heel hippe winkel binnengestapt. De creatieve man daar vond het een geweldig idee. Hij nodigde mij uit voor Tranoi, dé modebeurs van Parijs, en stimuleerde me verder te gaan met de ontwikkeling. Dat was een super eerste reactie, maar ook het sein voor werk aan de winkel’.

Wie maakt de tas uiteindelijk?
‘Ik heb ervoor gekozen mijn tassen in Italië te laten maken. Ik spreek goed Italiaans, een overblijfsel van mijn Italiaanse advocatenpraktijk die heb ik ontwikkeld op het eerste kantoor waar ik werkte, Van der Steenhoven Advocaten. Maar goed, hoe kom je aan de juiste materialen en waar begin je? Ik ben in 2012 op tour door Italië gegaan en ben met veel tassenmakers gaan praten. De tweede tassenmaker die ik sprak was enthousiast over het ontwerp en ging gelijk aan de slag. Samen hebben we een prototype gemaakt en al vrij snel kwamen we op het eindresultaat uit. Ik liet er honderd maken omdat ik naar de beurs zou gaan en voorraad nodig had’.

‘Ik ben altijd creatief geweest.
Toch ben ik rechten gaan studeren’

Een vliegende start dus?
‘Nou, best wel. De eerste winkel in Bologna waar ik met het eindresultaat binnenliep was direct enthousiast en kocht de tassen in. Zij stuurde me direct door naar een belangrijke winkel in Milaan die de tassen ook direct inkocht. Een half jaar na mijn eerste start met het maken van een tas stond ik met een stand, spiegel en honderd tassen op de modebeurs daar en was de lancering van mijn merk een feit. Na afloop van de modebeurs – waar ik had verkocht aan inkopers uit China, Italië, Canada en meer – zat ik met collega’s in een restaurant en spotte iemand uit mijn gezelschap modeblogger Chiara Ferragni. Mijn collega is met mijn tas op haar afgestormd en heeft die aan haar gegeven. Een dag later publiceerde ze een serie foto’s op haar blog met mijn tas! Mijn mailbox stroomde vervolgens over met geïnteresseerde reacties uit de hele wereld. Dat was wel een gekke ervaring’.

Wat gebeurt er dan?
‘Goeie vraag. Ik dacht nu gaan we het helemaal maken, want alles gaat zo soepel, maar zo werkt het natuurlijk niet. Het is hard werken en best moeilijk. In modeland ben je zo goed als je laatste collectie. In de hectiek van mijn eerste collectie moest ik dus gaan ontwerpen voor de volgende collectie. Nu werk ik aan zeven modellen met steeds andere variaties. De inkopers willen graag twee collecties per jaar. Het ontwerpen doe ik hier in de winkel, thuis en ik ga twee keer per jaar naar Florence. Ik blok dan dagen in mijn agenda om me daar volledig op te kunnen storten, want op gewone dagen ben ik veel tijd kwijt aan zaken buiten het creatieve proces. Daarna ga ik met Barbara, mijn vaste kracht in Italië, samen langs de fabrieken om inkopen te doen en zaken te bespreken en om te zitten met de tassenmakers om problemen te bespreken en nieuwe prototypes te maken. Daarna duurt de productie nog een maand of drie. Mijn tassen worden gemaakt in dezelfde fabriek als waar Chanel haar tassen maakt. Dat vind ik natuurlijk fantastisch. In september (of maart) worden de ontwerpen dan verkocht via de beurs of tijdens een sales-tour die ik in die periode maak in de landen om ons heen’.

Het klinkt allemaal heel goed! Mis je de advocatuur wel eens?
‘Soms mis ik het wereldje en de collegialiteit wel, maar de inhoudelijke kant niet zozeer. Mijn kennis van het recht komt overigens wel nog vaak goed van pas, bijvoorbeeld bij agentuurovereenkomsten, exportcertificaten en inhuren van personeel. Daarnaast is mijn ontwerp een keer gekopieerd. Ik werd in 2014 gebeld dat de Zara mijn ontwerp Glorious Gun had gekopieerd. Toen ging mijn advocatenbloed wel even sneller stromen. Zara ontkende het namaken natuurlijk, maar ik ben de strijd aangegaan en ik heb de zaak gelukkig gewonnen’.

Hoewel een namaken van je ontwerp natuurlijk heel naar en verboden is, is het eigenlijk ook een compliment. Het geeft de populariteit van je ontwerp aan. Heb jij een signature-element in je ontwerpen?
‘Ik maak alles van leer, ook de binnenkant. Daarnaast zorg ik ervoor dat er altijd iets extra’s in de binnenkant zit – dat varieert van een spiegeltje tot een lippenstifthouder – en dat de gebruikers functionaliteit een beetje anders dan anders is, zoals een omgekeerde portemonnee aan de onderkant van een tas. Tot nu toe heb ik kleinere tassen en portemonnees ontworpen, dat vind ik het leukste om te doen’.Komt er ook nog eens een werk-tas, voor de Amsterdamse advocate bijvoorbeeld?
‘Wie weet, het is wel een uitdaging, maar ik vind het dan moeilijker om er een bijzonder item van te maken omdat er zo’n groot oppervlak is en bovendien worden de tassen dan al heel snel heel duur en dat maakt de verkoop moeilijker’.

We zien hier in de winkel een aantal champagneflessen staan. Wanneer trekken jullie hier zo’n fles open?
‘Uiteraard worden de hoogtepunten gevierd. Op de beurs in Parijs met m’n eerste tas staan was wel het ultieme hoogtepunt, net zoals het benaderd worden door de styliste van Selena Gomez. Dat waren de pieken in het begin, maar ik geniet ook heel erg van de expositie in het Tassenmuseum, de pop-up store in de Bijenkorf en de opening van mijn eigen winkel in de Nieuwe Spiegelstraat. Ik heb nu niet meer alleen contact met inkopers, maar juist ook met klanten. Dat vind ik leuk en leerzaam’. Het ABB kan dit laatste overigens beamen, want tijdens ons gesprek werden er drie tassen verkocht, waarvan er een naar Barcelona en een naar Australië moest worden verstuurd! Loes werd steeds weggeroepen omdat de kopers de designer uiteraard graag een handje wilden geven.

Hoe zie je de toekomst?
‘Ik zou graag zo doorgaan, steeds een stapje verder en ik voel dat het gaat lukken, haha. Maar zonder gekheid, ik vind dit heel leuk, maar de ondernemende kant is best zwaar. Ik heb gelukkig een werkende man, waardoor ik me deze ontwikkeling kan permitteren, want ik kan nu nog niet rondkomen van dit bedrijf. Ik wil hier graag aan werken en ben nu ook in gesprek met een investeerder. Dan kan ik een stap maken’.

Waar ligt je ambitie?
‘Meer eigen winkels. Ook zou ik graag samenwerken met andere merken. Diesel heeft een premium lijn, Black Gold, en daar zou ik graag mee samenwerken bijvoorbeeld. Die hebben me een tijd geleden benaderd om iets voor hen te doen. Ik heb vorig jaar ook samengewerkt met het Helmondse stoffenmerk Vlisco, dat veel gedragen wordt in Afrikaanse landen. Die tassen zijn ook onderdeel van de expositie in Tassenmuseum Hendrikje. Daarnaast zou ik nog wel graag iets ontwerpen voor een bijzonder persoon of bijzondere gebeurtenis. Dat zijn toch wel de leuke dingen’.