Categorie archief: Editie maart 2018

‘Het is ontzettend belangrijk om toezicht in eigen hand te houden’

Nieuwe deken Evert-Jan Henrichs benoemt zijn speerpunten

Met trots stellen we aan u voor: mr. Evert-Jan Henrichs, de nieuwe deken van de ­Amsterdamse Orde van Advocaten. Daags nadat hij officieel is gekozen, spreekt het ABB met hem over zaken als het toenemende belang van zelftoezicht, de ­groeiende negatieve beeldvorming van de advocatuur, de problemen bij de gefinancierde rechtshulp en de stijgende werkdruk bij stagiairs. Henrichs vertelt ook iets over ­zichzelf: ‘Ik fiets ook weleens door rood licht’.

Tekst: Yvette Kouwenberg en Mayk Koria

‘Vanzelfsprekend ben ik verheugd met mijn benoeming. Ik kijk ernaar uit om het werk van mijn voorgangers voort te mogen zetten’, zegt Evert-Jan Henrichs, daags na zijn uitverkiezing als nieuwe deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten. Voor wie zich afvraagt hoe het ook alweer in elkaar steekt of wellicht ambities heeft zich in de toekomst als deken verkiesbaar te stellen: de lokale orden van advocaten – in totaal 11 – staan onder leiding van een raad van de orde. Zo’n raad wordt voorgezeten door de lokale deken, die wordt benoemd door de advocaten in het betreffende arrondissement. Samen met de raad is de deken verantwoordelijk voor het toezicht op de advocaten binnen het arrondissement.

Henrichs is geen onbekende binnen de Amsterdamse orde. ‘Ik ben natuurlijk sinds 2013 lid van de raad en al enige tijd waarnemend deken geweest, naast mijn arbeidsrechtpraktijk bij De Brauw Blackstone Westbroek. Die heb ik inmiddels volledig overgedragen, voor de Amsterdamse balie is deken een fulltime baan.’

Dit moet een bijzonder moment zijn na 35 jaar advocatuur.
‘Dat klopt. Helemaal als je bedenkt dat ik al die tijd aan hetzelfde kantoor verbonden ben geweest. Ik heb aan de UvA gestudeerd. In 1977 ben ik begonnen aan de studie Rechten. Dat was zoals vaak het geval is niet mijn eerste keus. Ik heb namelijk eerst een jaar Theologie gestudeerd, maar ergens halverwege het eerste jaar merkte ik dat dat ik toch liever een praktijkgerichte studie ging doen. Vooral door wat ik zag en hoorde van mijn schoonzus, die toen advocaat was, ben ik de studie Rechten gaan overwegen. Niet direct met de gedachte om advocaat te worden, maar omdat de studie veel mogelijkheden biedt. Wat verder in mijn studie kwam ik erachter dat de advocatuur toch wel eens een goede optie kon zijn. Voordat ik me had kunnen oriënteren op de verschillende kantoren, kwam ik in contact met Blackstone, Rueb en Van Boeschoten en ik heb daar gesolliciteerd voor een plek op het Amsterdamse kantoor. Blackstone is later gefuseerd met De Brauw & Westbroek. Ik ben altijd bij het kantoor gebleven, steeds als Amsterdams advocaat. Ik heb dus maar een keer in mijn leven gesolliciteerd.’

‘Ik heb maar een keer in
mijn leven gesolliciteerd’

Snelheid van handelen
We vragen Henrichs of hij – terugkijkend op 35 jaar advocatuur – vindt dat er in die tijd veel is veranderd. Henrichs: ‘In sommige opzichten is dat absoluut waar. Ik behoor tot het clubje advocaten dat de introductie van de fax nog heeft meegemaakt als versnelling van de praktijk. Dat was destijds een behoorlijk grote verandering. Voordat de fax er was begon je als advocaat de dag met het doornemen van de post. Dan stuurde je bijvoorbeeld een brief van de wederpartij in kopie door aan je cliënt en had je vervolgens twee dagen de tijd om over een concept reactie na te denken. Dat is nu niet meer denkbaar. Dus ja, de snelheid van handelen in het vak heeft de afgelopen decennia een enorme vlucht genomen.’ Henrichs staat daar positief tegenover: ‘Voor cliënten is de komst van e-mail en internet een gunstige ontwikkeling. Zij hebben sneller reactie en bovendien zit daar geen schakel meer tussen. Je hoort wel eens de opmerking dat je als advocaat altijd bereikbaar moet zijn, en dat de digitalisering daardoor een extra belasting is geworden. Soms is dat zo, maar ik denk dat je dat ook anders kunt zien. Het digitaliseringsproces geeft je namelijk de mogelijkheid om veel meer flexibel om te gaan met je tijd. Je kunt bijvoorbeeld in de middag even een uur sporten en daarna weer aan het werk of je uren anders indelen met het oog op een goede balans tussen werk en privé- en/of gezinsleven. Dat was vroeger toch anders; toen waren werktijden gebonden aan kantoortijden.’

Vanwaar de beslissing om zich als deken verkiesbaar te stellen?
Henrichs: ‘Ik heb veel facetten van de advocatuur gezien en kijk met veel plezier terug op mijn tijd bij De Brauw. De advocatuur is en blijft een prachtig beroep. Maar na 35 jaar praktijk uitoefenen ben je ook wel toe aan een nieuwe stap. En dan is het natuurlijk prachtig als je de advocatuur niet hoeft te verlaten, maar juist daarbij betrokken kan blijven, om deze vanuit een andere invalshoek te benaderen en te bedienen. In de taakvervulling van een deken komen die wensen bij elkaar. Je blijft betrokken bij de balie en je blik op de advocatuur is niet beperkt tot een rechtsgebied. Ik hoop mijn kennis en vaardigheden vanuit de advocatuur nu meer in het belang van de Amsterdamse balie in te zetten.’

‘Politiek gezien is toezicht bijna
een soort heilige graal geworden’

Gevraagd of er bijzondere speerpunten zijn waar hij als deken op wil inzetten, geeft Henrichs aan dat het toezicht op de advocatuur veel aandacht zal vergen. Henrichs: ‘Overigens is dat niet zozeer een streven van mij persoonlijk, maar past dat meer in het verlengde van een al lopend proces. Sinds de nieuwe Advocatenwet zijn de lokale dekens bezig het toezicht te harmoniseren en efficiënter te maken. De bedoeling is dat de plaatselijke dekens het toezicht op eenzelfde manier organiseren en uitoefenen. Ook wordt van de lokale dekens verwacht dat zij efficiënter met hun capaciteiten omgaan. Sinds 2015 is er het college van toezicht, dat toezicht houdt op de wijze waarop de lokale dekens het toezicht op de advocaten vormgeven, zonder inzage in de individuele dossiers, het zgn. systeemtoezicht. De geheimhouding en het verschoningsrecht van advocaten is daarmee gewaarborgd. Het college van toezicht ziet dus ook toe op de genoemde harmonisatie- en efficiencyslag. De eindverantwoordelijkheid blijft echter bij de plaatselijke dekens liggen. Het is niet zo dat het college van toezicht op de stoel van de deken gaat zitten.’

Overheid als wederpartij
Henrichs gaat verder: ‘Maatschappelijk en politiek gezien is toezicht wel bijna een soort heilige graal aan het worden. Overal zie je dat toezicht wordt aangescherpt. Zodra er een misstap is, is meer toezicht nodig. Dat is ook merkbaar in de advocatuur. Daar ontkom je niet aan. Een paar jaar geleden, bij de wijziging van de Advocatenwet, zijn we er gelukkig in geslaagd het toezicht in eigen kring te houden. Daar is toen flink over gedebatteerd. Als oplossing is toen het college van toezicht geïntroduceerd. Het is ontzettend belangrijk om toezicht in eigen hand te houden. Daar hebben we ons destijds als lokale ordes, samen met de landelijke Orde, voor hard gemaakt. Het gaat om de eerder genoemde geheimhouding in het algemeen, maar een gegeven is ook dat in een groot deel van de zaken (meer dan 50 procent) de overheid namelijk de wederpartij is. Denk aan strafrecht, bestuursrecht en belastingrecht. Als de overheid dan als wederpartij en toezichthouder twee petten op heeft is de onafhankelijkheid van de advocatuur niet langer gewaarborgd.’
Toezicht draagt bij aan transparantie in de advocatuur en daar is Henrichs voorstander van. ‘Zo benadrukken we door de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en het toezicht daarop een belangrijke kernwaarde van de advocatuur, de integriteit’, aldus Henrichs. Anderzijds ziet hij ook wel dat er een mindere kant is. Henrichs: ‘Het leidt niet zelden tot veel extra werk voor de advocatenkantoren. De Wwft is ook daar een goed voorbeeld van: advocaten die daar veel mee te maken hebben zijn daar behoorlijk wat tijd mee kwijt. Dat is onvermijdelijk, maar we moeten goed blijven kijken naar de balans tussen het doel en het extra werk dat het met zich brengt.’

‘Het college van toezicht gaat niet
 op de stoel van de deken zitten’

Met het intensiever worden van toezicht is Henrichs van mening dat je er overigens wel voor dient te waken dat je andere rol als deken – namelijk die van belangenbehartiger en aanpreekpunt – niet in het gedrang komt. Henrichs licht toe: ‘Dat vind ik heel belangrijk. Advocaten moeten tenslotte hun weg naar jou als deken en het bureau van de Orde kunnen blijven vinden en zich daar ook vrij in voelen. Dus zonder dat de advocaat de indruk heeft dat hij daardoor meteen in de spotlight komt voor een kantoorbezoek.’

Kantoorbezoeken
We borduren voort op de kantoorbezoeken. Henrichs vertelt daarover: ‘De kantoorbezoeken zijn een landelijk initiatief. Jaarlijks worden minimaal 10 procent van de kantoren bezocht. In Amsterdam zijn dat ongeveer 100 kantoren per jaar. Dat doet we met alle leden van de raad en de stafmedewerkers van het bureau van de Amsterdamse orde, die allen advocaat zijn. We werken met een landelijk vastgestelde vragenlijst. Je zou misschien verwachten dat we stuiten op veel argwaan, maar het tegenovergestelde is eigenlijk waar. We worden over het algemeen zeer positief ontvangen. Mensen vertellen met trots over hun kantoor en laten graag zien hoe zij het allemaal geregeld hebben en waar ze mee bezig zijn. Zo houden we vinger aan de pols binnen de Amsterdamse orde en daar hecht ik aan. Toezicht op kwaliteit en contact met de balie en waar nodig hulp aanbieden. Er moet een soort laagdrempeligheid blijven bestaan.’

Ook het beeld wat er over de advocatuur bestaat vindt Henrichs een punt van aandacht. De plaatselijke dekens ontvangen iedere maand een persoverzicht van de landelijke orde over hoe advocaten in de publiciteit belanden. Vaak is dat voor meer dan 80 procent negatieve publiciteit. Henrichs vindt dat een zorgelijke ontwikkeling: ‘Je zou willen dat het allemaal positiever is. Er dreigt een negatief beeld te ontstaan van de advocaat, terwijl de advocatuur in Nederland het –  incidenten daargelaten – gewoon goed doet en de zaken goed zijn geregeld.’

Puntenwaardering
Ondanks dat het goed geregeld is in Nederland is Henrichs van mening dat het op bepaalde punten beter kan, met name op het gebied van de gefinancierde rechtshulp. ‘Momenteel maakt de sociale advocatuur, die in Amsterdam gelukkig nog springlevend is, moeilijke tijden mee. Het is jammer dat er niet op een andere manier naar de puntenwaardering wordt gekeken. Als raad proberen wij er aandacht voor te vragen en de problemen van de gefinancierde rechtshulp aan te kaarten. Het zou echt anders moeten, het rapport-Van der Meer is daar heel duidelijk over. Daarom hebben we met een groot aantal leden van de Amsterdamse raad en van het bureau meegedaan aan het togaprotest van 1 februari. Maar overigens is het in het algemeen goed geregeld in Nederland.’
Vanwege onder meer de wijze waarop de advocatuur in de publiciteit staat vindt Henrichs het belangrijk dat advocaten zich er bewust van zijn dat zij tot een beroepsgroep behoren die steeds meer in de schijnwerper komt te staan. Henrichs: ‘Je hebt je te gedragen op een manier die passend is voor een advocaat, juist vanwege de publicitaire aandacht voor onze beroepsgroep. Dat is ook niet voor niets vastgelegd in Gedragsregel 1. Een advocaat moet zich realiseren dat hij, ook als hij niet als advocaat handelt, toch tuchtrechtelijk aangesproken kan worden. Je bent tenslotte 24 uur advocaat.’ Het is zo een globale norm dat je daar als deken niet op kunt gaan sturen, stelt Henrichs. ‘Ik memoreer vaak aan die Gedragsregel. Als ik dat bijvoorbeeld tijdens een praatje bij beëdigingen of tijdens kennismakingsgesprekken met jonge advocaten doe is dat om advocaten te herinneren aan hun vak en het feit dat hun handelingen daar invloed op kunnen hebben. En vanzelfsprekend is het soms een grijs gebied. Ik fiets ook wel eens door een rood stoplicht.’

Werkdruk stagiairs
Henrichs wil zich daarnaast blijven richten op de werkdruk bij stagiaires. Henrichs: ‘We zijn als raad in Amsterdam al begonnen om daarnaar te kijken. Niet alleen bij de grote kantoren op de Zuidas maar ook bij de kleinere kantoren. We vinden dat er zoveel signalen zijn over werkdruk en burn-outklachten en daar is inmiddels aandacht aan geschonken. ‘Zo is er een standaard vragenlijst voor stagiaires die bij het eindgesprek met de mentor wordt doorgenomen. Daarin staan vragen als ‘vind je dat er voldoende begeleiding is, voldoende gelegenheid is om de beroepsopleiding te volgen, hoe ervaar je de werkdruk?’ Henrichs: ‘Het is goed om dergelijke ervaringen van stagiaires te inventariseren. En natuurlijk ligt het allemaal genuanceerd. Er staat nergens geschreven dat je niet meer dan 40 uur kan werken, zo lang je maar plezier hebt in je werk gaat het gelukkig vaak goed, maar er zijn natuurlijk grenzen. We willen er gewoon meer te weten over komen.’

‘Op het verschoningsrecht wordt vanuit onze samenleving en de politiek geloerd’

Wijnspecialist
Bij het bestuderen van het cv van Henrichs viel ons direct iets bijzonders op; Henrichs is niet alleen een arbeidsrechtspecialist, maar ook een wijnspecialist. Daar willen wij meer over weten. Henrichs blijkt een grote passie te hebben voor wijnen en heeft daar ook veel verstand van. Sinds 2007 is Henrichs vinoloog. Hij begon zich in de wijnen die hij lekker vond te verdiepen en wilde zijn smaak ontwikkelen. ‘Je wilt beter leren proeven en meer van de wijn afweten.’ In 2000 behaalde Henrichs zijn wijnbrevet en begon vervolgens aan de intensieve opleiding tot vinoloog bij de Wijnacademie. ‘Daar zitten vooral mensen uit de wijnhandel en de horeca, maar in bescheiden mate laten ze ook hobbyisten zoals ik toe. Door de opleiding zat ik een jaar lang eens in de twee weken een dag in de schoolbanken. Dat vond ik overigens heel erg leuk, vooral dat je weer eventjes in de positie van de onwetende student wordt geplaatst.’ Als vinoloog is Henrichs verplicht permanente educatiepunten te behalen. Meer dan wijnproeven en zichzelf ontwikkelen doet Henrichs niet met zijn titel ‘Vinoloog van de Wijnacademie’.

Vertrouwelijkheid
Op de vraag tot slot wat hij de advocaat kan meegeven, antwoordt Henrichs: ‘Geniet van het mooiste en bijzondere beroep en koester de voorrechten die wij als advocaten hebben. Denk hierbij aan het verschoningsrecht tot en met onafhankelijkheid en vertrouwelijkheid. Wees daar uitermate zuinig op, want met name op het verschoningsrecht wordt vanuit sommige hoeken van onze samenleving en de politiek geloerd. Het is onterecht dat er vanuit die hoeken wordt gedacht dat het verschoningsrecht enkel van belang is voor procesadvocaten. Wij vinden dat een onterechte gedachte: iedereen moet zich tot een advocaat kunnen wenden voor advies zonder vrees dat daarvan iets naar buiten komt. Dat is in het belang van iedereen. Ook moeten wij als advocaten ervan bewust zijn dat wij het in Nederland behoorlijk goed geregeld hebben, denkend aan de advocaten in minder begunstigde landen.’

Borrelpraat – Een gezellige bende

Deze keer zijn we uitgenodigd door AD Advocaten. Op de standaard borreltijd – vrijdagmiddag – openen de deuren tot de borrellocatie, het eigen kantoor op de Roemer Visscherstraat in de Vondelbuurt. We maken haast, want er is bij de uitnodiging ook direct een eindtijd medegedeeld. Mmm, hoe zit dat? Nou ja, eerst maar eens naar binnen.

Tekst: Marloes van den Eeckhout en Lara Smeets

Bij binnenkomst valt als eerste de kleur van de vloerbedekking op. Het is een wollig felrood tapijt. Het moet je smaak zijn, maar het brengt wel meteen een bepaalde sfeer met zich mee. Een goede sfeer dan welteverstaan, althans voor de borrel waar we voor komen. De borrel zelf vindt plaats in de vergaderzaal van kantoor. Een mooie ruimte met een grote tafel waar iedereen netjes omheen staat.


Vis uit Volendam
Op tafel staat koude vis, nog onaangetast. Maar al snel worden er toastjes gesmeerd en krijgt het ABB van alles toegestopt. De vis komt uit Volendam en smaakt zeer naar behoren! Op de vraag of er een speciale reden is voor vis uit Volendam komt niet echt een specifiek antwoord anders dan dat het lekker is. Eigenlijk is dat ook reden genoeg. Ze doen hier niet zo moeilijk.

Maar de vis moet uiteraard kunnen zwemmen. Het bier en de wijn liggen gekoeld. Echt gretig krijgt de drank geen aftrek. Er wordt genoten van een drankje, maar iedereen houdt het uiterst netjes. Dit is opmerkelijk, want zo her en der worden er best wilde verhalen verteld. De borrels van AD Advocaten blijven namelijk niet beperkt tot de nette vergaderzaal. De favoriete plek bij uitstek blijkt de Bastille te zijn. Na de vraag ‘welke Bastille? ’, werd er zeer vreemd opgekeken. Er is er toch maar één?! Dat klopt, er is maar een echte, althans dat vinden ze hier. Het Leidseplein ligt dan ook niet ver van kantoor en er wordt enthousiast verteld dat ze er vanavond ook heen gaan! Eerst is er een nieuwjaarsdiner. Aha, dat verklaart het nette gedrag wat betreft alcoholconsumptie, hetgeen al niet helemaal te rijmen viel met de Bastille-verhalen. Het verklaart ook direct de eindtijd voor deze borrel. Helaas voor ons.

Rondleiding
Tijdens de borrel krijgen we nog een rondleiding. De tour gaat door mooie kamers, een topplekje op zolder (net alsof je in een schip zit!), een ietwat verontrustend kamertje voor de twee stagiairs, over paars tapijt (ja, paars en rood) en langs een schilderij met de vier partners erop. Het schilderij laat een gezellige bende in de stijl van de dikke dames zien, waardoor het uiteindelijke oordeel luidt dat ze bij AD Advocaten best van een feestje houden.


Langzaamaan druppelen er meer mensen binnen. De founding partners schuiven aan en men maakt zich op voor het Italiaanse diner. Later op avond stuurt AD ons nog een appje. De Bastille blijkt wederom gehaald. Netjes!

Founders – Grote vis in een kleine vijver

Axon

Axon is gespecialiseerd in life sciences – alles dat te maken heeft met geneesmiddelen, biotechnologie, medische technologie en voedsel. Een toekomstgerichte sector waar de ontwikkelingen razendsnel gaan. Het ABB sprak met de oprichters en hun collega’s. ‘2018 wordt het life sciences jaar’.

Tekst: Marloes van den Eeckhout en Lara Smeets

Tijdens de eerste contacten lijken we met twee founding partners om tafel te gaan zitten, maar eenmaal aangekomen op kantoor worden er een paar stoelen meer aangeschoven. ‘Karin en Hanneke schuiven ook aan’, krijgen we te horen. ‘We zijn met z’n vieren (Carine van den Brink, Erik Vollebregt, Karin Verzijden en Hanneke-Laster-Nijland) en maken geen onderscheid in founder of niet.’ De sfeer is ontspannen en ondanks de vroege morgen staan er koekjes op tafel.

Het hele team van Axon bijeen. (foto: Martijn Steiner Lovisa De Beeldunie).

Bij binnentreden van het pand kan de naam van het kantoor je niet ontgaan, althans voor zover je thuis bent in de medische wereld. De ramen zijn voorzien van afbeeldingen van een axon, een dunne uitloper van een neuron, een zenuwuitloper. De keuze voor deze naam is bewust gemaakt. ’Axon is naar onze mening toch een hippe naam! Het begint met A, praktisch, en er zit een X is, waardoor het krachtig overkomt. Verder is het direct herkenbaar voor onze relaties uit de sector, aangezien het de medische achtergrond aangeeft’.

Maar niet alleen over de naam is goed nagedacht. Vanaf de start van kantoor in september 2011 is er gewerkt met een duidelijke visie en is de keuze gemaakt om enkel te opereren in de sector Life Sciences. ‘Onafhankelijk van elkaar hebben we altijd gezegd: we willen in de life sciences. Dat klinkt heel logisch, maar dat is het eigenlijk niet. Want op het moment dat je dat dus doet beperk je je doelgroep heel erg. Ofwel, je kan een kunstje en iedereen die dat wil kan dan bij me komen voor hulp. Of je zegt: ik kijk naar een hele specifieke doelgroep en kijk naar wat die doelgroep nodig heeft. Dat betekent ook dat als iemand niet in die doelgroep zit, die hier niets te zoeken heeft.’

Vier pijlers
Axon kan door de samenstelling van de partners die ieder hun eigen expertise meebrengen een uitgebreid pakket aan diensten leveren. ‘We zijn geen full service kantoor, maar opereren wel op alle gebieden waarvan wij menen die je moet beheersen wil je een rol spelen in de sector life sciences. Er zijn in principe vier pijlers binnen kantoor, te weten het regulatoire stuk, het intellectueel eigendom – met name octrooien – , de farmaceutische contracten en ten slotte de corporate kant met financiering, fusies en overnames. Privacy is ook een belangrijk deelgebied. Dat viel eerder onder het regulatoire deel, maar kan met de aankomende wetgeving ook wel als aparte pijler worden gezien.’ Verder komt goed naar voren dat naast de variëteit in deelgebieden binnen de sector binnen Axon zowel een advies- als procespraktijk wordt gevoerd. ‘We vechten ook redelijk wat op regulatoir gebied, bijvoorbeeld tegen de inspectie voor de gezondheidszorg’.

Tweede basis
Naast de juridische achtergrond hebben eigenlijk alle advocaten van Axon een tweede basis wat betreft studie en ervaring. Dat varieert van een studie geneeskunde of farmacie tot werkervaring bij de Inspectie of het Leids Universitair Medisch Centrum. ‘Wij zijn science based lawyers. Dat is niet alleen window dressing, want wij geven hier daadwerkelijk inhoud aan. Dat is voor ons belangrijk, want als we de taal van de klanten spreken, gaat het allemaal veel makkelijker. We weten veel meer dan enkel het juridische deel. We zijn voor de toekomst bezig om het duale ook steeds meer in te zetten. 90 procent van onze klanten hebben een PhD. Wij hebben te maken met nerds, met wie de communicatie veel makkelijker gaat als je die science based achtergrond hebt’.
Al verder pratend over de sector en de ontwikkelingen daarbinnen komen we dan eindelijk toch toe aan de hamvraag: Wat is life sciences precies? ‘Alle juridische zaken die te maken hebben met geneesmiddelen, biotechnologie, medische technologie en voedsel. Of nog breder: alle juridische zaken die te maken hebben met wetenschap rondom levende dingen. Er is ook geregeld sprake van een overlap op deze gebieden, waardoor we te maken krijgen met kwalificatievraagstukken. Valt het onder geneesmiddelen of voedsel en welke regels zijn dan van toepassing?’

Na een spervuur aan voorbeelden waar de diversiteit vanaf spat komt als afsluitende opmerking nog naar voren dat het dus eigenlijk best wel een vaag begrip is, die life sciences. Maar hoe breed ook, Axon heeft wel duidelijk de keuze gemaakt om enkel de cure-kant aan te bieden en dus niet die van de care. Axon is geen zorgkantoor.
In de diverse voorbeelden die gedurende het gesprek worden genoemd blijkt ook hoe inventief de sector is. Erik vertelt hoe hij in een week werkt met een bedrijf dat zich bezighoudt met op maat gemaakte hartkleppen van varkensbestanddelen tot deep brain stimulation en de mogelijkheid om een chip in iemands hoofd te plaatsen waardoor die persoon in een keer een absoluut geheugen krijgt. ‘Wat tot vijf jaar geleden science fiction was zie ik nu in mijn praktijk voorbij komen’. Dat is ook wat de advocaten van Axon zo mooi vinden aan hun vak en waardoor ze zeggen dat ze een gezamenlijke passie delen die betekent dat er wordt gewerkt voor meer dan het geld. Ze werken in een sector waar het merendeel van hun cliënten echt een visie heeft. ‘Dit zijn nerds die de wereld oprecht een stukje beter willen maken.’

Bekende speler
Uit het gesprek komt goed naar voren dat de advocaten van Axon zich thuis voelen in de sector waarbinnen ze opereren. Ze kennen de markt goed en hebben veel persoonlijke contacten. ‘We weten precies wie onze cliënten zijn. Het is een mooie niche en we kunnen onze contacten ook vaak verder helpen door cliënten met elkaar te verbinden’. Axon is inmiddels ook een bekende speler in deze groeimarkt. Preventie begint steeds meer door te dringen en er is technologisch steeds meer mogelijk. Er is een toenemende mens-machine interactie, maar er zijn ook meer geneesmiddelen en hulpmiddelen. ‘Die zijn er om langer te leven, maar ook aan het begin van het leven’. Zo vertelt Erik dat hij te maken heeft gehad met prenatale genetische manipulatie.

Vanwege de bekendheid met de markt gaat het werk van Axon nog een stap verder en wordt er plaats genomen in jury’s, is er een actieve rol op conferenties en worden er lobbyposities ingenomen waarvoor er naar Brussel of de VS wordt afgereisd. ‘We krijgen vaak te horen: Jullie zijn ook overal. Dat maakt ons succesvol. We zijn een grote vis in een kleine vijver.’ Dat die vis met name groot is in reputatie en niet zozeer in grootte komt ook goed naar voren in het gesprek, aangezien er een duidelijke keuze is gemaakt om het aantal advocaten beperkt te houden. De ervaring van sommige partners binnen een groot kantoor is toch dat de focus dan niet volledig meer op life sciences ligt. Bij Axon ligt de focus er duidelijk wel nog. Er wordt zelfs geluncht met alleen maar biologische producten, eens per twee weken krijgt iedereen een stoelmassage van 20 minuten en ze hebben allemaal een statafel of een bal (met schapenkleed).

Als afsluiter vragen we wat 2018 Axon gaat brengen. ‘2018 wordt het life sciences jaar. Er komt een fors aantal producten op de markt, er zijn overnames op handen en uiteraard is de voorbereiding op de Brexit in volle gang. Zo komt het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) naar Amsterdam. Als het aan ons ligt wordt 2018 ook het Axon-jaar.’

Bouwstenen – Rijke geschiedenis en veel spektakel

In het voormalig pand van de eerste liftenfabriek van Nederland aan de Nieuwe Achtergracht is BMZ (Beltman van Marle ­Zoutberg) advocaten gevestigd. Vanuit een van de ruime kamers van het kantoor kijken wij uit over de gracht en de oude Amsterdamse ­brandweerkazerne ‘W’, van 1909 tot 1984 de hoofdkazerne van Amsterdam. Een mooi stukje Amsterdamse historie.

Tekst: Benjamin Bijl en Victor van Campen

Wij schuiven aan bij Nico Beltman, Robert van Marle en Frans Zoutberg, die met z’n drieën als kostenmaatschap het kantoor vormen. De heren voeren ieder een algemene civiele praktijk met enigszins variërende accenten. De verschillende praktijken vullen elkaar in ieder geval goed aan. Hetzelfde geldt overigens voor de persoonlijkheden van de maten, die elk een andere eerste indruk geven. Beltman is het kantoor gestart en vertelt dat hij het pand casco aantrof toen hij zich er in 2003 vestigde. Veel bewijs dat daar ooit een liftenfabriek was gevestigd, is er niet meer. De nabijgelegen gietijzeren brug verbindt de Nieuwe Achtergracht met de Onbekendegracht. Dit gemeentelijke monument is in 1899 gebouwd in het pand waar BMZ nu gevestigd is.

De gietijzeren brug aan de Nieuwe Achtergracht met het pand van Beltman van Marle Zoutberg.

Spektakel
De rust die aan de Nieuwe Achtergracht heerst wordt van tijd tot tijd afgewisseld met heus spektakel, dat deels te danken is aan de ligging nabij Carré en zijn kerstcircus: zo zwom er een tijd terug een walrus in de gracht, deed het gebrul van een leeuw de ruiten trillen en vormde de gracht het decor voor opnames van een Amerikaanse actiefilm, zo vertellen de heren ons. Vanaf het Franse jugendstil-balkon hebben zij een mooi uitkijkpunt over de gracht en alles wat daar gebeurt.
Beltman, van Marle en Zoutberg zijn tevreden over de locatie. Het uitzicht op oude bomen en huizen en de overvloed aan gezellige cafés scheppen een fijne omgeving om in te werken.

Zoals veel Amsterdamse grachtenpanden heeft ook het gebouw waarin BMZ gevestigd is te maken met verzakkingen, al komt hun deel met een enkele klemmende deur en wat scheuren in de muren nog goed weg. Het geheel van het pand hangt als het ware als een hangmat tussen de twee uiterste delen, die het meest te lijden hebben onder het verzakken. Bezien vanaf de gietijzeren brug heeft dit ook wel weer een zekere charme.

Aan historie en entertainment geen gebrek dus. Als deze werkomgeving u aanspreekt, dan heeft u geluk: per 1 juni 2018 komt er een plaats vrij op het kantoor. Frans Zoutberg zal dan namelijk het collectief verlaten om samen met zijn dochter een advocatenkantoor te starten in Almere.

L4L – Dag van de Bedreigde Advocaat vraagt aandacht voor Egyptische confrères in nood

Op de Dag van de Bedreigde Advocaat op 24 januari 2018 namen enkele tientallen advocaten deel aan een manifestatie voor het Paleis van Justitie in Den Haag uit solidariteit met collega’s in het buitenland die worden belemmerd in hun beroepsuitoefening. De focus lag dit jaar op Egypte. Ondanks het gure weer lieten de advocaten hun collega’s in benarde omstandigheden niet in de kou staan.

Tekst: Johan van Uffelen

Wout Albers was een van de aanwezigen die in toga deelnam aan de manifestatie. ‘We hopen op deze manier de aandacht te vestigen op de situatie waarin onze collega’s zich bevinden. Het is voor ons bijna niet voor te stellen in wat voor omstandigheden zij hun werk moeten doen. Solidariteit van andere advocaten is heel belangrijk. Ik hoop dat onze Egyptische collega’s zich hierdoor gesteund voelen en weten dat de wereld ziet wat er in hun land gebeurt.’

Internationaal evenement
De Dag van de Bedreigde Advocaat is een internationaal evenement, een initiatief van de gelijknamige stichting. Dit jaar werd in maar liefst 35 steden aandacht besteed aan de Dag van de Bedreigde Advocaat, waaronder in New York, Taipei en Parijs.
Lawyers for Lawyers organiseert elk jaar in het kader van deze dag een lezing of seminar over het land dat als speerpunt is gekozen. Dat was ditmaal Egypte. In dit door militairen bestuurde land staan de mensenrechten en de onafhankelijkheid van de rechtspraak danig onder druk. De situatie van advocaten daar verslechtert met de dag. Een groot aantal advocaten werd de afgelopen jaren gearresteerd in verband met de uitoefening van hun beroep.

Ongoing crisis
De lezing in een zaal van de Haagse rechtbank werd op uitnodiging van Lawyers for Lawyers gegeven door de Italiaanse advocaat Nicola Canestrini. Hij was afgelopen december nog op een fact-finding missie in Egypte, waar hij meerdere advocaten heeft gesproken. Hij ging tijdens zijn voordracht zeer uitgesproken in op de zorgwekkende situatie in dat land. ‘Human rights lawyers, as other human rights defenders in Egypt, suffer persecutions like arbitrary arrests, forced disappearances, torture, fabricated charges, detention and travel bans. The security forces are not the only party abusing lawyers. The courts, judges and prosecutors are also violating the right of defense, which reveals the depth of the ongoing crisis of the Rule of Law under the present regime. The international community of lawyers and civil society should raise their voice asking for the respect of fundamental rights’, aldus Nicola Canestrini.

Het seminar werd in samenwerking met de Jonge Balie Den Haag georganiseerd en trekt ieder jaar meer belangstellenden. De zaal was tot op de laatste stoel bezet. De net benoemde interim-directeur van Lawyers for Lawyers, Judith Lichtenberg, noemt het ‘inspirererend en motiverend’ dat de activiteiten van haar organisatie steeds meer gehoor vinden. ‘Niet in het belang van onszelf, maar in het belang van de talrijke advocaten elders in de wereld die dagelijks moeten vechten tegen inperkingen van hun beroepsuitoefening.’

Lawyers for Lawyers (L4L) is een onafhankelijke en non-politieke Nederlandse stichting die tot doel heeft het goed functioneren van de rechtsstaat te bevorderen door het nastreven van een vrije en onafhankelijke beroepsuitoefening van de advocatuur. Wij doen dit door advocaten die in hun werk worden bedreigd of onderdrukt, wereldwijd te ondersteunen. Weten wat u kunt doen?
Kijk op onze website www.lawyersforlawyers.org en/of doneer!

Vakantieverhuur aan banden in huisvestingsverordening

Met meldplicht en een verkorting van de toegestane termijn van 60 naar 30 dagen probeert de gemeente Amsterdam greep te krijgen op de ­explosief stijgende vakantieverhuur van woonruimte. Via platforms als Airbnb, Wimdu, HomeAway en Booking.com maakte het toeristisch verhuren van de eigen woning de afgelopen jaren een sterke groei door. De gemeente trapt nu gesteund door een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam op de noodrem.

Tekst: Benjamin Bijl en Marloes van den Eeckhout

In 2013 werden ongeveer 4.500 woningen verhuurd in Amsterdam, terwijl dit aantal in 2017 is gestegen naar maar liefst 22.000. Op grond van een deal tussen de gemeente Amsterdam en Airbnb konden Amsterdamse huizenbezitters vanaf 1 januari 2017 hun woningen maximaal 60 dagen per jaar aanbieden voor de verhuur. Met deze maatregel probeerde de gemeente de overlast van toeristen terug te dringen. Een dergelijke deal is ook gesloten met Booking.com. Direct na het nemen van de maatregel bleven overlast en kritiek hierop onverminderd aan. Individuele verhuurders hielden zich niet aan de termijn van 60 dagen en de gemeente beschikte over te weinig juridische middelen om tegen Airbnb op te treden. De gemeente Amsterdam zocht daarom naar mogelijkheden de Airbnb-verhuur aan te pakken.

Ook bij incidentele verhuur is er
sprake van woningonttrekking

Vanaf 1 oktober 2017 geldt een meldplicht vakantieverhuur om de negatieve gevolgen van toeristische verhuur van woningen te beperken in de gemeente Amsterdam. Deze meldplicht wordt vastgelegd in de Huisvestingsverordening. De gemeente verwacht dat deze meldplicht het aantal woningen dat langer dan 60 dagen wordt verhuurd beperkt en bovendien dat overtredingen effectiever kunnen worden gehandhaafd.

Termijn verkort
Bovendien besloot het college van B&W de termijn voor vakantieverhuur per 1 januari 2019 te halveren naar 30 dagen. Het college van B&W voelt zich eindelijk gesterkt door een recente uitspraak van de Rechtbank Amsterdam om deze maatregel door te zetten. Waar draaide het om in deze procedure?

De gemeente had diverse klachten ontvangen over het gebruik van een woning, als gevolg waarvan de gemeente in maart 2016 een onderzoek heeft ingesteld. De gemeente constateerde dat de eigenaar zijn woning voor kort gebruik verhuurde aan toeristen via Airbnb. De gemeente legde aan de eigenaar vervolgens een boete op van 13.500 euro. De eigenaar is daartegen in beroep gegaan.

Krijgt de gemeente de geest van de verhuur van eigen woonruimte weer in de fles?
(Shutterstock).

De rechtbank vond het aannemelijk dat de eigenaar, hoewel hij veel in het buitenland verbleef, de woning als zijn eigen woning was blijven gebruiken. Zo stond hij op dat adres ingeschreven in de basisregistratie en lagen er verschillende persoonlijke spullen in het appartement. De vraag was vervolgens of de woning, die permanent wordt bewoond maar verhuurd aan toeristen, door die verhuur aan de bestemming tot bewoning is onttrokken.
De rechter overweegt vervolgens: ‘Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), blijkt dat uit de verhuur van een woning aan en het gebruik van een woning door toeristen volgt dat deze niet beschikbaar is voor bewoning en dus is onttrokken aan de bestemming tot bewoning, ook als het gaat om incidentele verhuur. Incidentele verhuur laat, aldus de Afdeling, namelijk onverlet dat een woning gedurende die verhuur niet als woning kan worden gebruikt. De rechtbank leidt uit deze uitspraken af dat er – ook in het geval van permanente bewoning – tijdens de perioden dat de woning verhuurd wordt, sprake is van onttrekking van woonruimte aan de bestemming tot bewoning. Door de verhuur van de woning aan toeristen is immers sprake van een wijziging van de functie van het gebruik. De woning kon gedurende die verhuur aan toeristen niet voor bewoning worden gebruikt.’

Wanneer is er sprake van woning-
onttrekking en waar ligt de grens?

Boete
Doordat de woning aan toeristen was verhuurd, was de woning illegaal onttrokken aan de woonfunctie. De boete van 13.500 euro bleef daarmee in stand. Kortom: ook bij incidentele verhuur aan toeristen is er sprake van woningonttrekking. Deze uitspraak biedt het college voldoende basis om de termijn voor vakantieverhuur te verkorten naar 30 dagen vanaf 1 januari 2019. De termijn van 30 dagen per kalenderjaar wordt opgenomen in de Huisvestingsverordening, deze dient nog te worden vastgesteld door de Amsterdamse gemeenteraad.

Waar ligt grens?
Het is de vraag of de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam stand zal houden. Critici stellen zich op het standpunt dat voorbij wordt gegaan aan de vraag of de bewoner de bewoning door hem in persoon daadwerkelijk had prijsgegeven door deze tevens – bij eigen verblijf in het buitenland – voor korte duur aan toeristen te verhuren. Immers, wanneer is sprake van woningonttrekking en waar ligt de grens? Anderzijds geldt dat gemeenten regels mogen stellen aan onder andere de duur van de verhuurtermijn. Dat doet de gemeente Amsterdam immers ook al jaren bij Bed & Breakfast verhuur. Bovendien is de vakantieverhuur van woningen in duur ook sterk beperkt in andere grote steden. Wordt vervolgd!

Van procedures naar piepers

Leven na de advocatuur

Op 1 januari 2013 maakte Arwin Bos de overstap van de Zuidas naar het platteland. Van procedures naar piepers: een groter contrast bestaat niet, zo is de eerste indruk. Maar er zijn ook opvallend veel gelijkenissen. In het tweede deel van onze serie over uitstijgers uit de advocatuur een ontmoeting met een bevlogen aardappelboer.

Tekst: Quirine des Tombe en Nick van den Hoek

Hoewel Arwin Bos is opgegroeid tussen de aardappels, is er door zijn ouders nooit druk op hem uitgeoefend om het familiebedrijf over te nemen. In tegendeel, hij werd gestimuleerd om iets heel anders te gaan doen. Hij was (en is) een echte alfa, maar toen hij rechten ging studeren, had hij niet de intentie om advocaat te worden. Arwin wilde – zoals het gros van ons – gewoon een brede opleiding waarmee je nog alle kanten uit kunt. Door de advocaten van Stibbe die in zijn studentenstad Leiden rondliepen, is hij overgehaald om daar stage te lopen; en werd hem al snel een baan aangeboden. Advocaat worden was zeker geen vooropgezet plan.

‘Als advocaat bij een groot
kantoor leef je in een bubbel’

Combinatie kriebel en kans
Arwin werkte op de sectie bestuursrecht en deed met name (procedures over) milieurecht, omgevingsrecht en grondrechten. Toen hij medewerker werd, begon hij zich af te vragen of hij zichzelf oud zag worden in het vak. Hele dagen achter de computer, veel aandacht voor details en weinig ondernemerschap. In diezelfde tijd besloot zijn vader met pensioen te gaan. Eén en één was twee: Arwin besloot om per 1 januari 2013 – voor een periode van in ieder geval vijf jaar – aardappelboer te worden. In de eerste paar jaar bleef hij wel advocaat om in de rustige periodes van zijn bedrijf wat bij te klussen in de flexibele schil van Stibbe.

Potato pota(h)to?
De voor de hand liggende verschillen tussen de twee beroepen, kunnen wij allemaal bedenken: de plek (binnen/buiten), de sfeer (pak/kloffie), het aandachtsgebied (op de details/het grote geheel), het gereedschap (wetboek/tractor), de sociale omgeving (kantoorgenoten/alleen), we kunnen nog wel even doorgaan. Maar wat is nu hét grootste verschil tussen beide beroepen? ‘De bubbel’, antwoordt Arwin. ‘Als advocaat bij een groot kantoor leef je in een bubbel waar alle randzaken voor je worden geregeld en waarin je uitsluitend samenwerkt met intelligente mensen. Ook krijg je goed betaald en is je inkomen vanzelfsprekend. De advocatuur realiseert zich onvoldoende wat een luxe dat is.’
Als akkerbouwer (naast aardappelen worden er ook andere gewassen geteeld) doe je alles zelf en ligt het uurtarief rond de vijfentwintig euro. Verder zijn de inkomsten in zijn algemeenheid minder zeker omdat je afhankelijk bent van het weer; en van de marktprijs, die bijvoorbeeld het laatste jaar flink is gedaald. Daar moet je tegen kunnen. Een ander groot verschil is dat een boerderij een veel duurzamer commitment vereist dan de advocatuur. Als advocaat kun je betrekkelijk eenvoudig de boel de boel laten, maar een boerderij is zo kapitaalintensief, daar stap je niet zomaar uit.

Maar er zijn ook overeenkomsten. En eigenlijk vormen die het meest opvallende onderdeel van het interview. Wij hadden ons nooit gerealiseerd dat ook een boer jaarlijks opleidingspunten moet halen om zijn licentie (gewasbescherming) te behouden. Of hij dat daadwerkelijk doet, wordt bijgehouden door een soort-van-Orde. Er is misschien geen wekelijks lunchmoment om de laatste ontwikkelingen in het vak te bespreken, maar vaktijdschriften zijn er volop in de agrarische sector.

Gezonde competitie
Ook is er, net als in de advocatuur, sprake van gezonde competitie tussen de beroepsgenoten onderling, ware het niet dat die competitie om iets anders draait. Advocaten willen de meeste kennis hebben, boeren het meeste land. Op een andere manier willen beiden dus de grootste zijn. ‘Potato pota(h)to,  zullen we maar zeggen. Verder kent elk beroep vijanden als het om je eigen agenda gaat. Waar dat in de advocatuur veelal de baas, de wederpartij of de rechtbank is (over de klant komen we zo nog te spreken!), is dat in het boerenbedrijf het weer. Het hollen en stilstaan gaat dus onverminderd door, zij het door een andere factor.

‘Tijdens het rooien moet
 ik alle zeilen bijzetten’

Arwin Bos: ‘Ik kan me ook nog herinneren dat soms al het werk tegelijk leek te komen. Dat is nu nog steeds zo. Tijdens het rooien moet ik alle zeilen bijzetten om de aardappels op tijd de grond uit te krijgen.’ Waar hij bij Stibbe in rustigere tijden zijn kennis onderhield door te publiceren, pleegt hij nu onderhoud aan zijn machines. De totale hoeveelheid werk is overigens (ook) niet veranderd. Hij werkt nu zelfs misschien wel meer uren dan toen hij nog aan de Zuidas werkte. En dat heeft te maken met – daar hebben we hem – de klant. Die is overal even veeleisend.

Bijzondere aardappelrassen
Wat kunnen de advocatuur en het boerenbedrijf van elkaar leren? Arwin heeft uit de advocatuur twee belangrijke vaardigheden meegenomen: luisteren naar klanten en zich onderscheiden. Door lange tijd in Amsterdam te hebben gewerkt, weet hij waar men naar op zoek is: bijzondere aardappelrassen met veel smaak. Verder heeft hij zich weten te onderscheiden door een andere insteek te hebben. Waar 95 procent  van de aardappelboeren zich met name richt op productie, richt hij zich met name op de verkoop, en dus ook op het vermarkten van de aardappels. In plaats van twee of drie grote afnemers heeft hij meer dan honderd kleinere afnemers. Restaurants en burgerbars uit de Randstad bijvoorbeeld. En een webshop voor directe verkoop aan consumenten. Op die manier haalt Arwin een gelijke omzet met minder productie. Omgekeerd kan de advocatuur ook veel leren van het boerenbedrijf. Boeren innoveren steeds meer. De advocatuur is over het algemeen toch nog redelijk conservatief. Arwin Bos: ‘Ik denk dat advocaten meer vrijheid moet worden gegund om de toekomst van de advocatuur zeker te stellen. Avond na avond doorwerken en elke dag een das om is niet meer van deze tijd.’

‘Elke avond doorwerken
en elke dag een das om
is niet meer van deze tijd’

Vijf jaar later, en nu?
De door Arwin zelf ingelaste proefperiode is net ten einde. Hij geniet van het ondernemerschap, het buiten zijn, en de intellectuele uitdaging die hij vindt in zijn bestuurlijke betrokkenheid bij Royal Cosun (een grote globaal opererende akkerbouw coöperatie; moederbedrijf van onder meer Suikerunie en Aviko met twee miljard omzet). Hij gaat het bedrijf van zijn vader dan ook volledig overnemen. Op de vraag of hij ooit nog terug zou willen naar de advocatuur, antwoordt hij: ‘Ik denk dat ik eerder als generalist zou gaan werken binnen een bedrijf, bestuur of de politiek. Als ik al zou terugkeren naar de advocatuur, zou ik met de kennis van nu in ieder geval anders adviseren. Ik zou minder bezig zijn met het uitsluiten van risico’s, en de nadruk leggen op het geven van een praktisch advies, waar de klant verder mee kan. Je moet de jas van advocaat kunnen uittrekken om ondernemer te worden, maar ook om de ondernemer goed bij te kunnen staan’.

Rechtshulp aan cliënten psychiatrie komt onder steeds grotere druk

Deel 1: Vereniging van Psychiatrisch Patiëntenrecht Advocaten Nederland (vPAN)

De Nederlandse Orde van Advocaten heeft 29 specialisatieverenigingen geregistreerd, waarvan vijf een keurmerk van de NOvA dragen. In deze nieuwe rubriek neemt het ABB een kijkje achter de schermen bij een aantal van deze verenigingen. We beginnen met de Vereniging van Psychiatrisch Patiëntenrecht Advocaten Nederland (vPAN).

Tekst: Victor van Campen en Annelies van Ochten

De vPAN is de specialisatievereniging voor advocaten die rechtsbijstand verlenen aan cliënten die met een gedwongen opname in de psychiatrie belanden of aan mensen die te maken krijgen met een storing in de geestvermogens maar onder voorwaarden thuis kunnen blijven wonen. De vPAN is opgericht vanwege de wens van de overheid en de Raad voor Rechtsbijstand om verdere specialisatie van advocaten te bevorderen, dus ook (misschien wel juist) die van advocaten die kwetsbare cliënten bijstaan in zaken die raken aan de Bopz (Bijzondere opname psychiatrisch ziekenhuis).

De vereniging organiseert werkgroepen, lezingen en voorziet haar leden van relevante informatie en nieuws over wat er landelijk ter zake dit rechtsgebied speelt. Daarnaast worden intervisie-bijeenkomsten voor de aangesloten advocaten opgezet, waarbij geleerd kan worden van elkaars ervaringen en wordt feedback gegeven bij concrete praktijkvragen.

Peervisie
Speerpunt is Peervisie, het peer review-project van de vPAN waarbij advocaten met elkaar meelopen en elkaar feedback geven, hetgeen zeer positief wordt ontvangen door de betrokken advocaten, zo vertelt Marjolein Verkijk, voorzitter van de vPAN. Dit project bevindt zich momenteel in de pilotfase in het arrondissement Alkmaar.
In totaal telt de vereniging 471 leden (op zo’n 600 Bopz-advocaten in heel Nederland), van wie maar liefst 42 uit het arrondissement Amsterdam. De ledenvergaderingen (waarbij ook PO-punten te behalen vallen) worden goed bezocht – doorgaans zijn er gemiddeld zo’n 100 leden aanwezig en bij de laatste vergadering,  waar het vijfjarig bestaan van de vereniging werd gevierd,  maar liefst 150. De vPAN behartigt de belangen van de leden en treedt ook op als spreekbuis van de gespecialiseerde advocaten. Zo adviseerde de vPAN de commissie-Van der Meer over de gevolgen van de bezuinigingen op de gefinancierde rechtsbijstand. Verkijk vertelt dat die ontwikkelingen er toe kunnen leiden dat de psychiatrische patiënt straks zonder advocaat komt te zitten: ‘Daar rennen we nu heel hard op af, terwijl het juist een taak voor de overheid is om ook te zorgen voor de meest kwetsbaren.’ Als de bezuinigingen doorgaan, ziet Verkijk de toekomst van de specialisatie somber in.

Lichtpunten
Maar er zijn ook lichtpunten. Recent vierde de vPAN haar lustrum en daarbij was volgens Verkijk merkbaar dat de leden een hechte club mensen zijn die serieus genomen wordt. Een wapenfeit van de vPAN is het behoud van de BOPZ-advocaat als stamadvocaat, wat betekent dat een cliënt gedurende langere tijd één advocaat heeft die ook betrokken is bij de behandeling. Dat wordt door cliënten op prijs gesteld en zorgt dat iemand beter geholpen wordt, aldus Verkijk.
Afsluitend vragen we Verkijk naar een tip voor andere verenigingen: Kom vooral voor jezelf  op  en laat je niet tegen elkaar uit spelen, bijvoorbeeld in de gesprekken over bezuinigingen op de gefinancierde rechtsbijstand!

Lid worden?  Uiteraard dien je als advocaat te voldoen aan de eisen die de Raad voor Rechtsbijstand stelt aan de Bopz-advocaat en dien je mee te draaien in de piket-regeling. Zodra aan deze voorwaarden voldaan is, kan het bestuur van de vPAN worden verzocht om toetreding tot de vereniging. Zie: www.vpan.nu.

Van de Deken – Gedragsregels en gedagregel

Het is zover. Op 14 februari jl. heeft de Algemene Raad de nieuwe gedragsregels voor de advocatuur vastgesteld. De eerdere versies dateerden uit 1968, 1980 en 1992 zodat de houdbaarheidstermijn van 12 jaar van de eerste twee versies met 26 jaar voor de versie uit 1992 meer dan verdubbeld is. En toch betekent de nieuwe versie geen revolutie ten opzichte van 1992. Het is een herijkingsoperatie waarmee vooral de jurisprudentie van de raden en het Hof van discipline tot uitdrukking is gebracht.

Voor de raden en het Hof van discipline is de herijking ook niet ingrijpend; de norm voor de beoordeling van het handelen blijft artikel 46 Advocatenwet. Wel blijkt in de praktijk dat de tuchtrechter steeds meer niet alleen aan artikel 46 Advocatenwet refereert, maar ook aan de sinds 1 januari 2015 in artikel 10a Advocatenwet opgenomen vijf kernwaarden, waarvan het integer handelen –  naar mijn mening de basis, het uitgangspunt, voor de goede uitoefening van het vak – de vierde in het rijtje in artikel 10a Advocatenwet is. De overige vier kernwaarden  –  onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid en vertrouwelijkheid –  zijn daar voorwaarden voor en daarom ook een logisch gevolg van de integere beroepsuitoefening.

Provisieverbod
Dat de nieuwe gedragsregels dicht bij de oude blijven blijkt bijvoorbeeld bij vergelijking van het in de gedragsregels opgenomen provisieverbod. Gedragsregel 2, lid 2 van de gedragsregels 1992 bepaalde: het is de advocaat niet geoorloofd een beloning of provisie toe te kennen of te ontvangen voor het aanbrengen van opdrachten. De lokale dekens die op grond van die gedragsregel in 2016 uniform optraden tegen advocaten in hun arrondissement die bemiddelingssites een vergoeding betaalden voor via hen verkregen opdrachten werden – overigens meer door de exploitanten van de sites dan de aangesloten advocaten – geduid als een soort ontdooide dinosaurussen die zich aan de belangen van de rechtzoekende in de 21e eeuw weinig gelegen lieten liggen.
Toch is het provisieverbod in de nieuwe gedragsregels 2 gehandhaafd: het is de advocaat niet toegestaan een beloning toe te kennen of te ontvangen voor het verkrijgen of aanbrengen van opdrachten, tenzij hij kan aantonen dat hij daarbij niet handelt in strijd met de kernwaarden en voorts dat hierbij slechts het belang van de rechtzoekende bepalend is. Dat is precies het beleid dat de lokale dekens bij hun toezicht op de naleving van het provisieverbod aanhouden. De commerciële bemiddelaars zullen wel ongenoegen blijven ervaren maar verliezen dan uit het oog dat zij wel degelijk een rol van betekenis kunnen hebben, zij het dat zij daarvoor de aangesloten advocaten geen hoge vergoeding of een deel van het honorarium kunnen vragen. Wellicht is het een idee wanneer zij aan de rechtzoekenden een redelijke vergoeding vragen voor hun bemiddeling. Daar kan voor de rechtzoekenden zeker een meerwaarde in zitten.

Zo gek is dat ook niet; niet voor niets heeft de wetgever de beloning van bemiddelaars bij de contacten tussen aanbieders en afnemers van financiële diensten door provisiestelsels recent in beginsel verboden en moeten de afnemers van financiële diensten, dus de consumenten, daarvoor zelf betalen in plaats van de aanbieders als banken en verzekeraars. De reden voor de wetgever: de waarborg van de onafhankelijkheid van het advies van de bemiddelaar en de transparantie ten opzichte van de afnemer. Dat klinkt ook voor de advocatuur bekend; een juridische dienst is tenslotte meer te vergelijken met een financiële dienst dan met een taxirit of een aan huis afgeleverde gemaksmaaltijd.

Weerbarstige regeling
De in de praktijk weerbarstige regeling van het verbod op belangenverstrengeling en het optreden tegen (ex-)cliënten, gedragsregel 7 oud en gedragsregel 15 nieuw, is inhoudelijk niet gewijzigd. Dat verbaast niet nu deze regel de uitwerking is van de kernwaarden partijdigheid en vertrouwelijkheid bij het optreden als advocaat. Ook de regeling van de mogelijke uitzonderingen is inhoudelijk ongewijzigd en de toelichting is niet zeer uitvoerig. In het bijzonder de derde van de cumulatieve voorwaarden waaraan voldaan moet zijn voor een uitzondering –  dat niet van redelijke bezwaren tegen het optreden tegen van de cliënt of voormalig cliënt gebleken is –  is niet verder uitgewerkt. Daardoor houdt de cliënt, of voormalig cliënt, dus een zeer belangrijke stem. Het blijft uiteindelijk aan de tuchtrechter om over de zwaarwegendheid van die stem te beslissen, maar net zoals onder de oude regeling zal de deken daaraan voorafgaand al vaak om advies gevraagd zijn.

Echt nieuw is de regeling van het beroep op confraternele mededelingen en correspondentie bij de rechter die over de zaak zal beslissen, gedragsregel 12 oud. Over de houdbaarheid daarvan was al veel debat in het College van Afgevaardigden in het kader van de herziening in 1992. Toen al werd het verbod door velen uit de tijd bevonden.

In de nieuwe gedragsregel 26 wordt aanknopingspunt gezocht bij de gedragscode voor Europese advocaten, die bepaalt dat een advocaat die een advocaat mededelingen wenst te doen die hij als ‘vertrouwelijk’ of als ‘without prejudice’ beschouwd wil zien, dit voornemen duidelijk kenbaar moet maken voor de verzending van de eerste mededeling waarbij de toekomstig geadresseerde die aan deze mededelingen geen karakter van ‘vertrouwelijkheid’ of ‘without prejudice/sans préjudice’ kan verlenen, de afzender daarover onverwijld dient te informeren. Die regeling is behoorlijk digitaal: afspraak is afspraak. Dat bevordert de duidelijkheid, daarmee de nakoming en vermindert dus de kans op geschillen over de naleving.

Gedragsregel 26 laat het niet bij deze simpele en goed handhaafbare regeling, maar knoopt daar in de eerste plaats als het ware de oude gedragsregel 12 weer aan vast. De nieuwe regel laat uitzondering toe op de afspraak dat op vertrouwelijke mededelingen geen beroep mag worden gedaan indien het belang van de cliënt dat bepaaldelijk vordert, maar dan niet zonder voorafgaand overleg met de advocaat van de wederpartij. Net zoals in gedragsregel 12 oud geldt ook in de nieuwe regel 26 dat indien het overleg niet tot een oplossing leidt, advies van de deken moet worden ingewonnen. In de tweede plaats leidt de hoofdregel in gedragsregel 26 dat een afspraak moet worden gemaakt waaraan advocaten zich vervolgens moeten houden uitzondering in gedragsregel 27, waarin gedragsregel 13 oud is herhaald, dat omtrent de inhoud van schikkingsonderhandelingen tussen advocaten aan de rechter die over de zaak oordeelt niets mag worden meegedeeld zonder toestemming van de advocaat van de wederpartij. Volgens gedragsregel 13 oud en ook gedragsregel 27 nieuw adviseert de deken daar niet over, het is een absoluut verbod.

Europese gedragscode
In de praktijk is dat wel anders. Er wordt veel advies gevraagd over geschillen over de vraag of een mededeling vertrouwelijk is, of sprake is van schikkingsoverleg, of sprake is van overeenstemming tussen advocaten over een schikking of nog van schikkingsoverleg, of sprake is, of sprake geweest is, van toestemming, of het belang van de cliënt bepaaldelijk vordert dat in weerwil van het ontbreken van toestemming toch informatie met de rechter wordt gedeeld etc. etc. De simpele regel in de Europese gedragscode dat afspraak afspraak is, is in mijn visie, een betere regel, eigenlijk ook een uitwerking van de kernwaarde integriteit en de consequentie van het handelen als een behoorlijk advocaat volgens artikel 46 Advocatenwet. Ik ben benieuwd hoe de praktijk zich zal ontwikkelen. Makkelijker is het er niet op geworden. Zo bezien is niet uitgesloten dat in de praktijk de afspraak vertrouwelijkheid te betrachten tussen advocaten maar snel gemaakt wordt. Dan blijft het zoals het was. De nieuwe gedragsregel 26 en 27 maken de uitvoeringspraktijk voor de lokale dekens ook niet gemakkelijker, integendeel, zij zullen afgezien van de huidige vragen ongetwijfeld ook regelmatig de vraag voorgelegd krijgen of de afspraak de communicatie vertrouwelijk te houden nu wel of niet gemaakt is.

Dank
Er is geen causaal verband. Wanneer u dit leest ben ik geen deken meer. Mijn opvolger is dan gekozen en wordt in dit nummer voorgesteld. De vier en een half jaar waarin ik deze functie vervuld heb zijn voorbij gevlogen. Dit niet zozeer omdat de Advocatenwet per 1 januari 2015, ruim een jaar na mijn aantreden, bepaalde dat niet langer de lokale raad van toezicht maar de lokale deken alleen en persoonlijk verantwoordelijk is voor het toezicht op de naleving van de voor de advocatuur geldende wet- en regelgeving en het toezicht op de naleving van de Wwft, maar omdat de Amsterdamse advocaten zich doorgaans goed aan deze regels houden en omdat het werk in Amsterdam niet zozeer door de deken gedaan wordt maar ook door alle leden van de raad van de orde en vooral door alle medewerkers van het Bureau van de Amsterdamse orde. Dank dus aan de Amsterdamse advocaten, het Bureau van de Amsterdamse orde, de Amsterdamse raad en uiteraard ook de redactie van het ABB die mij de ruimte voor deze, veelal nogal belerende, column geboden heeft.

Edward Brans over de strijd voor goede lucht

Vereniging Milieudefensie en Stichting Adem tegen de Staat: doet de Staat voldoende om een goede kwaliteit van onze lucht te behouden? De Jonge Balie nodigde mr. Edward Brans van landsavocaat Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn uit voor een toelichting.

Tekst: De Jonge Balie Amsterdam

De Jonge Balie Amsterdam organiseert elke laatste donderdag van de maand een lezing in de Roeivereniging De Amstel over wisselende onderwerpen van toonaangevende sprekers uit verschillende juridische disciplines. Zo hebben wij lezingen georganiseerd over privacy en lifestyle apps, Aerospace law, draagmoederschap en zal er deze maand op aankomende lezingen gesproken worden over de Netherlands Commercial Court en TBS.

Op 25 januari 2018 stond de eerste lezing na het winterreces gepland met als spreker mr. Edward Brans van Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn. De lezing werd erg goed bezocht, zo goed zelfs dat De Amstel tjokvol stond. Onze leden luisterden aandachtig naar de spreker. De lezing stond namelijk in het teken van de recente zaak die Vereniging Milieudefensie en Stichting Adem hebben aangespannen tegen de Staat der Nederlanden. In deze procedure staat ter discussie of de Nederlandse Staat wel voldoende doet om de luchtkwaliteit in Nederland te verbeteren.

De zaak en de hoofdvragen
Bij vonnis van 27 december 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:15380) heeft de rechtbank Den Haag de collectieve actie van Milieudefensie, de Stichting Adem Rotterdam en 57 individuele eisers afgewezen. Alhoewel de procedure gaat over stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5 en PM10) was niet in geschil dat deze stoffen de lucht vervuilen en risico’s voor de volksgezondheid met zich brengen. Waar het in deze zaak om ging, is onder te verdelen drie hoofdvragen, te weten:

  1. Zijn Stichting Adem Rotterdam en Milieudefensie (en de personen wiens belang door hen wordt behartigd, hierna gezamenlijk genoemd: eisers) ontvankelijk? Dit ziet op de taakverdeling tussen de bestuursrechter en de burgerlijke rechter: had niet door de inzet van het bestuursrecht eenzelfde of een vergelijkbaar resultaat kunnen worden bereikt als met deze civielrechtelijke procedure?
  2. Mag van de Staat worden verwacht dat deze voldoet aan de strengere waarden voor luchtkwaliteit die volgen uit Richtlijn 2008/50/EG, geïmplementeerd in de Wet milieubeheer?
  3. Wat zijn de consequenties van het feit dat niet overal in Nederland wordt voldaan aan de Richtlijn 2008/50/EG, met name bij hardnekkige knelpunten in de binnensteden van Nederland?

Het oordeel van de rechtbank
Allereerst het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de eerste vraag. De rechtbank overwoog dat een deel van de eisers niet ontvankelijk was omdat eenzelfde of een vergelijkbaar resultaat kan worden bereikt in een procedure bij de bestuursrechter, die de verwijten exceptief kan toetsen. De rest van de eisers werd wel ontvankelijk verklaard.

Vervolgens gaat de Staat in op de tweede vraag. Van de Staat kan niet worden verwacht dat nu al of op korte termijn aan strengere waarden wordt voldaan en er is ook geen verdragsbepaling die de Staat daartoe verplicht. Ook artikel 2 en 8 EVRM en het voorzorgbeginsel bieden geen voldoende grondslag om dit van de Staat te kunnen verwachten. Het voorzorgbeginsel is een moreel en politiek principe. Kort samengevat houdt dit principe in dat als een ingreep of een beleidsmaatregel ernstige of onomkeerbare schade kan veroorzaken aan de samenleving of het milieu, de bewijslast ligt bij de voorstanders van de ingreep of de maatregel als er geen wetenschappelijke consensus bestaat over de toekomstige schade. Het voorzorgsprincipe is vooral van toepassing in de gezondheidszorg en het milieu; het gaat daar in beide gevallen over complexe systemen waar ingrepen resulteren in onvoorspelbare effecten.
De rechtbank constateerde verder dat de Staat de uiterste data voor het voldoen aan de grenswaarden uit de richtlijn niet heeft gehaald en die verplichtingen dus heeft geschonden. Dit leidt echter niet tot een veroordeling van de Staat, omdat het niet vaststaat dat de personen en eisers wiens belang Milieudefensie en Stichting Adem zeggen te behartigen, door de schendingen van de Staat daadwerkelijk schade hebben geleden.

Wat mag nu worden verwacht van de Staat nu geconstateerd is dat niet overal in Nederland wordt voldaan aan de grenswaarden? Volgens de rechtbank kan niet worden vastgesteld dat de Staat onvoldoende heeft gedaan en doet om de periode van overschrijding zo kort mogelijk te houden en deze overschrijdingen zijn de afgelopen jaren juist teruggedrongen. In de drukke steden Amsterdam en Rotterdam is een beperkt aantal hardnekkige knelpunten die van belang zijn voor de bereikbaarheid van deze steden. Het aanpakken van deze knelpunten is een complexe aangelegenheid vanwege de aard van de problematiek en het risico van verschuiving van de problemen. De rechtbank besluit daarom de vordering van eisers om op de kortst mogelijke termijn te voldoen aan Richtlijn 2008/50/EG, af te wijzen.

De lezing van Mr. Brans
Mr. Brans vergeleek bovenstaande zaak, in eerste aanleg gewonnen door de Staat, met de uitspraak van 24 juni 2015 in de Urgenda-zaak (ECLI:NL:RBDHA:2015:7145), waarin de rechtbank Den Haag had geoordeeld dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld en meer moet doen om de uitstoot van broeikasgassen in Nederland te verminderen. Stichting Urgenda is een burgerplatform dat zich bezig houdt met de ontwikkeling van plannen en maatregelen ter voorkoming van klimaatverandering en treedt in deze zaak op namens 886 personen. Partijen zijn het erover eens dat de ernst en omvang van het klimaatprobleem het noodzakelijk maken om maatregelen te nemen ter vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. Op basis van het huidige beleid van de Staat zal Nederland in 2020 een vermindering van ten hoogste 17 procent bereiken. Dat is onder de norm van 25 tot 40 procent die in de klimaatwetenschap en het internationale klimaatbeleid noodzakelijk wordt geacht voor de geïndustrialiseerde landen.

De rechtbank oordeelde in de Urgenda-zaak dat de Staat moet meer doen om het dreigende gevaar veroorzaakt door de klimaatverandering te keren, gegeven ook zijn zorgplicht voor de bescherming en verbetering van het leefmilieu. De effectieve controle op het Nederlandse emissieniveau is een taak van de Staat. Daarnaast zijn de kosten van de door de rechtbank bevolen maatregelen niet onaanvaardbaar hoog. De Staat kan zich niet verschuilen achter het argument dat de oplossing van het wereldwijde klimaatprobleem niet alleen afhangt van Nederlandse inspanningen. Elke vermindering van uitstoot draagt namelijk bij aan het voorkomen van een gevaarlijke klimaatverandering. Nederland zou als geïndustrialiseerd land hierin voorop moeten lopen.

Ter afronding
Zoals gebruikelijk werd de lezing afgesloten met een borrel waarin de toehoorders nog uitgebreid hun vragen voorlegden aan mr. Brans. De Jonge Balie Amsterdam kan opnieuw terugkijken op een zeer geslaagde avond!