Categorie archief: Editie december 2018

‘De elite is vergeten het goede voorbeeld te geven’

Quote-hoofdredacteur Sander Schimmelpenninck waarschuwt voor gemakzucht

Op de Zuidas ontdekte Sander Schimmelpenninck dat de advocatuur niets voor hem is. Hij leerde meer van zijn tijd als uitbater van een pizzatent in de Pijp. Sinds november 2016 is hij hoofdredacteur van het zakenblad Quote en hard op weg een Bekende Nederlander te worden. Een interview over advocatuur, ondernemen, vrouwen en politiek.

Tekst: Juliette Daniels en Tomasz Kodrzycki

Als wij Sander Schimmelpenninck (34) ontmoeten op een zonnig terras, is hij nog aan het bijkomen van het Gouden Televizier-Ring- gala van de vorige avond. Maar zodra hij door ons op de praatstoel wordt gezet, steekt hij enthousiast van wal.

Foto: Tom ten Seldam.

Wat houdt je deze dagen bezig?
‘Ik ben een boek aan het schrijven met ­Ruben van Zwieten (de dominee van de Zuidas, red). Bij Quote zien we nu dat het verhaal van Piketty (auteur van het in 2013 verschenen Kapitaal in de 21e eeuw, red.) klopt: het verschil tussen arm en rijk wordt groter en vooral het verschil tussen rijk en exorbitant rijk. De klassieke succesvolle ondernemers uit de maak-industrie, bij wijze van spreken de al dan niet eenvoudige mensen met een goed lopende betonplatenfabriek, worden ook rijker, maar dat volgt de conjunctuur. Aan de andere kant zie je private equity en fintech mensen die er zomaar ineens een miljard bij krijgen. Dat was voorheen niet mogelijk. Bijvoorbeeld Mabel van Oranje die dankzij haar man Friso ineens 240 miljoen krijgt aan aandelen, terwijl de gewone belegger niet kon intekenen op die beursgang. Je ziet dat die financiële elite, die ogenschijnlijk intellectuelere en cultureel interessantere mensen zijn dan die betonplatenboer uit Hengelo, eigenlijk asocialer zijn. Geen belasting willen betalen. Heel meritocratisch denken: ik verdien dit gewoon, want ik ben beter dan de rest, terwijl de betonplatenboer zegt: “Mwahh ik heb gewoon geluk gehad, ik heb met die jongens nog gevoetbald, nu werken ze voor me, nou mooi”.’’

Is dit iets tijdelijks denk je?
‘Nou, ik hoop het wel want ik denk echt dat het een slechte ontwikkeling is. De dividendbelastingdiscussie is natuurlijk wel interessant, want vijf of tien jaar geleden zou die discussie er niet zijn geweest. Jarenlang kwam je weg met zo’n voorstel, het is een pragmatisch argument, goed voor de handel, banen, prima. Maar er verandert echt wel wat in het sentiment: mensen voelen al vijftien jaar dat hun salarissen niet omhoog gaan, terwijl ze wel mensen op Instagram de hele tijd gaaf zien doen en daar goed geld zien verdienen. Het begint te wringen.
De Amerikanen hebben natuurlijk geweldig de leugen verkocht van de Amerikaanse droom terwijl het juist heel moeilijk is om de Amerikaanse droom te verwezenlijken omdat daar een hele kleine groep mensen de boel verdeelt. In Europa moeten we daar ook mee oppassen.’

‘Goed gekwalificeerde mensen hebben
gewoon geen zin meer in de politiek’

Schimmelpenninck vervolgt: ‘Mijn nieuwe boek gaat ook concreet over de situatie in Nederland dat wij een financiële elite hebben die totaal niet verweven is met of geïnteresseerd is in de politieke elite. Tweehonderd jaar geleden als je uit een voorname familie kwam en je had vier slimme kinderen, zoons dan waarschijnlijk, dan gingen er twee in het landsbestuur want dat was het hoogst haalbare. Twee werden er minister of burgemeester en eentje werd dan advocaat en de ander bankier of zoiets. Goed gekwalificeerde mensen hebben gewoon geen zin meer in de politiek. In die tijd was natuurlijk het bestaan van politicus minder vervelend dan nu, je stond hoog in aanzien en je kreeg meer betaald. Toen had de politiek ook al vervelende kanten, mensen die het niet met je eens zijn. Mensen wilden toen ook gewoon aardig gevonden worden en als politicus kun je dat natuurlijk vergeten. Maar deze mensen hadden plichtsbesef. Onze politiek bestaat natuurlijk toch uit omhooggevallen basisschoolleraren. Het is gewoon niet een heel hoog niveau. Onze premier is de HR manager van Unilever, en dat is prima maar….’

Wat verwacht je dan? Homo universalis? Leonardo-Da-Vinci-achtige figuren?
‘We hebben behoefte aan meer voorhoedelopers, mensen die de voortrekkersrol op zich nemen en dus niet uit gebrek aan kansen gewoon maar de politiek in gaan zoals Thierry Baudet. Gewoon goede mensen. Wopke Hoekstra bijvoorbeeld. En Grapperhaus van Allen & Overy, dat is natuurlijk een interessante man. Waarom gaat hij wél de politiek in en veel van zijn vakgenoten niet? De meeste mensen zullen heel anders redeneren: waarom zou je daaraan beginnen? Voor het geld hoef je het niet te doen, terwijl de baan alleen maar gezeik oplevert. Er zijn veel redenen om het niet te doen, die heel valide zijn, maar als iedereen zo denkt krijg je matige kwaliteit. Ik mis de maatschappelijke verantwoordelijkheid die je wel van zo’n elite mag verwachten. Je kunt de vraag stellen: “Waarom heb je eigenlijk een elite nodig?” Nou ja dat is nou eenmaal menselijk. Er is geen maatschappij geweest zonder elite. De Russen hebben ze daar allemaal over de kling gejaagd en toen kwam er gewoon een nieuwe elite die veel slechter was. Er is altijd een elite maar de vraag is: hoe krijgt een elite geloofwaardigheid en vertrouwen? Het lijkt mij dat dat er komt door het goede voorbeeld te geven. Dat is de elite vergeten.’

Foto: Oof Verschuren.

We vragen hem of er in de ondernemerswereld ook dergelijke ‘goede voorbeelden’ te vinden zijn. ‘Binnen de Quote 500 ontstaat er een schisma tussen de “makers en de takers”. Je hebt als ondernemer tonnen opgebouwd en je verkoopt dat aan een Private Equity club. Die trekken de hele tent uit elkaar en binnen drie jaar verdienen ze wat het hele bedrijf in jaren heeft opgeleverd. Gelukkig is de klassieke Quote-500-man de “maker”. Vaak mensen van eenvoudige komaf, in extreme gevallen tegen het analfabete aan – kunnen geen brief schrijven. Bijvoorbeeld de lasser die op zijn 14e van de mavo is getrapt en voor zijn 30e multimiljonair is geworden met het lassen van productielijnen voor kipnuggets. Zo zijn er heel veel bijzondere lui, denk aan types als John De Mol en Frits Goldschmeding, die de uitzendbranche hier in Nederland op poten heeft gezet.’

Wat wil je Quote meegeven tijdens je hoofdredacteurschap?
‘Je moet met je tijd meegaan. Voordat Jort kwam was Quote een soort Economist. Heel saai. Het FD van nu is spannender dan de Quote van toen. Van 1993 tot 2006 is Jort hoofdredacteur geweest, 13 jaar, ik moet er trouwens niet aan denken. Jort was er in de tijd dat het geweldig ging. Het kapitalisme had gewonnen. Het was dus logisch dat in die tijd de focus lag op het plaatje, op het geld, op het bevrijdende gevolg van we mogen eindelijk laten zien dat we geld hebben. Toen ik kwam was het trucje van Jort Kelder heel erg leidend. Deze tijd is weer anders en daar past weer een andere toon bij.’

Waarom is de tijd anders? Oud Zuid is toch gewoon Oud Zuid?
‘Het pronkerige is natuurlijk voorbij. Mensen zijn panisch over hun vermogen. We denken dat de wereld transparanter wordt, maar het tegendeel is waar. De rijken zijn zich steeds meer aan het verstoppen. Mensen vinden het niet nodig om te laten zien wat ze hebben.
Het gaat bij Quote nu meer om het inspireren van jonge ondernemers. Ik ben iets meer moraliserend zou ik zeggen. Dat hele vrijblijvende, dat “lang leve het kapitalisme”, dat gaat niet meer, dat merk je gewoon.’

Waarom ben je eigenlijk de advocatuur ingegaan?
‘Uit luiheid. International Business, dat kwam uit mijn keuzetest, dat vonden mijn ouders toch niet een echt serieuze studie. “IBA, is dat universitair?” was de vraag. Ik ging overstag: “Oké, ik ga wel rechten doen dan”. Nu zou ik dat anders doen. In die tijd zei men, “met rechten kun je alles” maar dat is helemaal niet waar. Met rechten kun je niks. Ik zou altijd mijn kinderen adviseren om economie of liever nog, iets technisch, te studeren.’

‘Ik ben advocaat geworden uit luiheid’

Ben je met opgeheven hoofd weggegaan uit de advocatuur?
‘Nee. terneergeslagen. Nou, ik moet het vooral bij mezelf zoeken. Het is veel te makkelijk om andere mensen de schuld te geven. Ik ben gewoon geen goede advocaat. Een goede advocaat is een specialist in dit tijdsgewricht, ik ben een generalist. Je moet toch wel echt geconcentreerd uitzoekwerk doen en ik ben meer van het macroniveau. Ik denk dat ik het 40 jaar geleden misschien wel leuk had gevonden, maar toen was er nog plek voor generalisten. Dat is er nog steeds wel bij kleinere kantoren, maar goed: ik kwam op de Zuidas terecht, bij Houthoff. Ik zat op corporate litigation en corporate transactions. Bij corporate transactions moest ik bijvoorbeeld werken aan een overname. Dat supergedetailleerde werk, dat vind ik niks. Litigation vond ik boeiender, maar ik heb zo weinig gepleit dat ik niet eens kan zeggen of ik dat leuk vond.’

Heb je nog een boodschap voor advocaten?
‘Haha. Run! Nee, advocaten zijn bijna allemaal superleuke mensen. Ik denk dat je weinig beroepsgroepen tegenkomt waar je zoveel leuke en interessante gesprekspartners vindt als in de advocatuur. Het zijn allemaal welbespraakte mensen. De advocatuur is natuurlijk te divers om er iets heel onaardigs over te zeggen.’

Je hebt de Zuidas wel een biotoop genoemd. Is dat meer dan in andere beroepsgroepen?
‘Ik geloof wel dat die Zuidascultuur bij zeker de helft van de mensen niet het beste naar boven haalt, omdat je toch erg bezig bent met interne politiek en dat soort dingen. Ik denk dat daar met name een bepaald type man bij gedijt en alle andere mensen niet.’

Beschrijf dat archetype eens?
‘Haha, nou ja kijk vroeger waren advocaten natuurlijk corpsballen uit Leiden. Maar de partners van nu zijn toch meer sociale stijgers uit Nijmegen en Maastricht. Die wíllen echt nog. Ik denk dat het hele harde werken, zonder eigenlijk zelf echt ondernemer te zijn, een bepaald type mens aantrekt dat dit mooi vindt. Dat zijn niet de gave gasten van het corps, die zijn er na een jaar wel klaar mee. Die zoontjes van die partners van 50 jaar geleden hebben daar echt geen zin meer in.’

Na je kortstondige flirt met de advocatuur opende je een pizzatent in Amsterdam. Pink Flamingo Pizza in de Pijp. Hoe reageerde je vader daarop?
‘Die vond dat prima. De pizzatent kwam op ons pad. Horeca was wel een goede leerschool met personeel, cijfers en al dat gedoe. Het is niet vaag: als het open is, is het open en moet je productie draaien. Ik heb van mijn pizzatent veel meer geleerd dan op die hele Zuidas. Je moet alles zelf doen. Als je afgestudeerd bent in de rechten dan weet je niet eens hoe de BTW werkt. Dat leer je wel als je een pizzatent hebt. Daarnaast nog de druk van geld verdienen en niet de luxe van salaris.’

Toch werd het geen pizza-imperium, maar ging je schrijven. Wanneer kwam je erachter dat je schrijven zo leuk vond?
‘Op de middelbare school wist ik dat al wel. Dan moesten we een betoog schrijven en had ik een 10. Ik las ook gewoon veel, kranten met name. Er was gewoon geen fuck te doen in Twente. Je voetbalde en je las. Ik “spelde” HP-De Tijd en ik las elke dag de NRC en de Tubantia. Die Tubantia is overigens een uitstekende krant.’

Hoe ben je bij Quote terechtgekomen?
‘Vanaf het begin was het plan dat mijn pizza-compagnon Jaap en ik beiden ons eigen ding konden blijven doen. Jaap was zanger en ik kon het schrijven bij Quote gaan oppakken. Ik sprak destijds met iemand die ik nog kende van VJK-kamp (Vrije Jeugdkerk en -kampen, red.) van vroeger en die zei me eens te gaan praten bij Quote, want daar willen ze nog wel eens zo’n rare vogel aannemen. Dat ben ik dan maar gaan doen. Ik las de Quote helemaal niet maar ben daar toen wel gaan werken. Inmiddels weet ik: schijven voor Quote is het leukste dat er is. Elke maand 4000 woorden was de bedoeling. De ene keer een luchtig verhaal over jeugdkampen, de andere keer wat meer diepgang. Voor mij lagen er wel kansen omdat mijn voorganger (Mirjam van den Broeke, red.) niet heel sterk was, met name in de media niet. Mensen verwachten toch dat de hoofdredacteur van Quote een uitgesproken figuur is. Ik heb toen gewoon gezegd tegen mijn baas: ‘Volgens mij moet je Mirjam gewoon vervangen voor mij’.’

Kom je nog aan schrijven toe?
‘Ik maak bijna elke maand nog een verhaal. Mijn eindredactie is niet zo blij want ik ben vaak te laat. Het piept en kraakt aan alle kanten, ik heb net te weinig tijd. De meeste hoofdredacteuren schreven geen verhalen overigens. Ik vind het wel belangrijk voor mijn geloofwaardigheid – ik wil mezelf journalist kunnen blijven noemen. Dat ik ook ergens in kan duiken en kennis kan opdoen, en niet zomaar vanaf macroniveau iets ga roepen.’

Is Quote een apenrots?
‘Het is een klein rotsje. We zijn met 14, 15 man. Het is bij ons eigenlijk een groot studentenhuis. Het is een ontzettende mannencultuur. Er wordt veel geborreld. Constant elkaar afzeiken, snoeihard voor elkaar zijn maar wel heel close, echte vriendschap. Een leuke plek om te werken als je erin meegaat.’

Wat komt er na Quote?
‘Ik denk dat ik over vijf jaar weer wat anders ga doen. Ik weet nog niet wat. Er zijn veel mensen in de tv-wereld die wat van me willen. Ik ben voor van alles en nog wat gevraagd, tot en met het presenteren van RTL Boulevard. Tegen het programma De Opvolgers heb ik ‘ja’ gezegd. Dat ligt in het verlengde van Quote. Het is lastig om je weg in de tv-wereld te vinden. Het is heel oppervlakkig. Wat ik wel weet is dat ik zeker niet van een autocue ga aflezen dat Prins Harry een nieuw hondje heeft gekocht.’

Zou je RTL Boulevard niet kunnen ‘verSanderen’?
‘Nee dat gaat niet: die 100.000 huisvrouwen die willen gewoon het hondje van Prins Harry zien. Presentator zijn lijkt me ook wel minder interessant. Als journalist – en dat ben ik toch – wil je bereik. De tv, althans Hilversum, is wat dat betreft zeker crisisgebied. Netflix, dus consumptie van beeld en geluid natuurlijk niet. Dus daar moet je wat mee. Ik zou liever voorhoedeloper zijn bij Netflix-dingen die ook naar Europa komen dan één van de laatste tv- persoonlijkheden van Hilversum te zijn.’

Wat doe je nog meer, op zakelijk gebied?
‘Ik ben in Kroatië met wat vastgoeddingetjes bezig. In Hvar heb ik een studio en ik vind het heel leuk om in een land dat je niet kent je weg te vinden. In zo’n setting voel ik me, als “generalist”, erg op mijn plek. Je moet goed kunnen babbelen, in het Italiaans, Engels, Kroatisch. Ik pak die mensen in omdat ik heel veel weet van het eiland, soms meer dan die mensen zelf. Dan worden je ineens links en rechts dingen aangeboden. We verhuren de appartementen in een Airbnb-constructie. Voor Amsterdam is dat geen oplossing maar Airbnb is voor die plek een fantastisch systeem, een impuls. Dat appartement van mij stond leeg en dat is nu opgeknapt. In Amsterdam concurreert Airbnb rechtstreeks met jonge mensen die een huis willen kopen, dat is natuurlijk een heel ander verhaal. In Kroatië is het toerisme zo ongeveer de enige inkomstenbron. Airbnb is toch een beetje voor bananenlanden.’

Over Amsterdam: nu wil de gemeenteraad de letters ‘I Amsterdam’ weghalen.
‘Ik vind het prima. Het staat symbool voor iets waar we vanaf moeten. Die Frits ­Huffnagel, die pretbek-VVD’er waar je niks aan hebt – van het kaliber gezellige bierdrinkers die te hard willen rijden op de snelweg – die heeft dat verzonnen, dat was natuurlijk ook in de crisistijd. Toen kwam ook Airbnb op. Al die hipsters die geen baan konden vinden en pappa en mamma die dan een appartement voor ze kopen. Maar nu gaat het economisch goed dus waarom zou je nu nog die paar honderdjes pakken voor een stel smerige toeristen in je appartement?
De toeristen komen nu voor de verkeerde redenen naar Amsterdam, het is een pretpark met hoeren en drugs. Dat is niet Amsterdam. Dat moet veranderen, dat is waardeloos. Dat doe je door hoge toeristenbelasting, je lost het op met duurder maken. Alles is hier zo goedkoop. Ik ben niet tegen prostitutie maar om dat zo’n prominente plek te geven in het centrum: nee.’

Dat “lang leve het kapitalisme”, dat
gaat niet meer, dat merk je gewoon’

In 2016 schreef je in een stukje: ‘Vrouwen, ga eens werken, of trouw een voetballer’. Dat maakte wel wat tongen los. Hoe zit het met het arbeidsethos van de Nederlandse vrouw? En parttime werken in de juridische sector, is dat mogelijk?
‘Het is prima in de juridische sector om parttime te werken. Niet in M&A maar in veel gebieden kan dan prima. De meeste rechters zijn vrouw. Maar de statistieken laten wat anders zien: onze vrouwen staan onderaan qua gewerkte uren. Dat kan ik deels wel verklaren. Financieel is het heel lang niet nodig geweest. Nederland is een goedkoop land om te leven, onze boodschappen zijn hartstikke goedkoop. Woonlasten buiten Amsterdam zijn echt niet hoog, dus alleen met het salaris van je man kun je een gezin draaien. Dat is het Nederlandse model, mogelijk omdat we als land ook bepaalde dingen toevallig mee hebben. Centrale ligging in Europa, grote haven waar we lekker op zeecontainers kunnen afromen. Een mooie gasbel en andere mazzeltjes.’

Zijn we decadent geworden?
‘Nee, dat denk ik niet. Maar de vraag is wel hoe lang we die voorsprong gaan volhouden. Moeten we op tijd beginnen om toch een beetje harder te gaan werken? Ik denk dat het toch wel nodig gaat worden, dat vrouwen zelf een beetje meer gaan werken. En het ís af en toe niet helemaal eerlijk. Ik zie dat bij vrienden van onze leeftijd om mij heen. De vrouw zegt dan “Ik ga drie dagen werken, twee dagen met de kinderen”. Dan gaan ze er van uit dat de man dat heel leuk vindt. Maar dat is voor mannen helemaal niet zo vanzelfsprekend. De grap is dat de financiële druk bij de man komt te liggen: hij voelt zich al snel toch verplicht die promotie te pakken in die baan die hij eigenlijk haat. Het is niet helemaal van deze tijd.’

Moet de overheid er wat aan doen? In Zweden voorbeeld kunnen mensen anderhalf jaar ouderschapsverlof opnemen en dan kun je dat als ouders verdelen. Zou dat werken in Nederland?
‘Ja prima. Maar in Zweden hebben de vrouwen daar voor gevochten. Die wens komt in Nederland niet van de vrouwen, de meesten vinden het prima zo. Twee, drie dagen werken, lekker op het terras zitten. Alleen de vraag is: kunnen we dan als land de welvaart vasthouden als iedereen om ons heen zo hard aan het werk is. En: is het wel een eerlijke deal voor de staat die investeert in al die opleidingen? Als je heel graag arts wilt worden en je wordt uitgeloot voor medicijnen en ziet vervolgens zo’n meisje er al snel mee ophouden, dan voel je je als student wel flink genaaid.’

Komen vrouwen in Zweden op deze manier makkelijker aan de top?
‘Ja dat denk ik wel. In Zweden ben je er een tijdje uit na de geboorte van je kind maar dat is anders dan twintig jaar parttime werken.’

Ik heb zo’n vermoeden dat jij niet in het glazen plafond gelooft?
‘Nee. Ik geloof niet in een glazen plafond. Ik zou zeggen dat heel veel mensen aan de Zuidas staan te springen om meer vrouwelijke topmensen. Vrouwen worden ook specifiek benaderd: zou je niet willen doorstromen of een “traject” in willen? Die vrouwen hoeven dat dan vaak helemaal niet.’

Hebben vrouwen niet gewoon een andere stijl?
‘Sommige eigenschappen die je veel ziet aan de top, liggen vrouwen wellicht niet. Misschien hoeven ze niet zo hard mee te schreeuwen in de board room. Maar goed, je hebt gewoon een aantal eigenschappen nodig om baas te kunnen zijn van een bedrijf. Vrouwen zijn meer gericht op consensus en sfeer. Mannen willen meer leiden. Dat laatste is in het bedrijfsleven toch gewoon nodig. In de juristerij en de politiek zijn vrouwelijke eigenschappen wellicht belangrijker dan de mannelijke eigenschappen. Maar in het bedrijfsleven is dat anders. En dat is ook niet erg. Mannen en vrouwen zijn niet hetzelfde en dat moet je ook helemaal niet willen.’

Lekker dan, denkt die ambitieuze vrouw. Zij wil ook wel CEO worden, maar denkt: ik heb dat setje eigenschappen niet.
‘Dan wil ze het waarschijnlijk ook niet. Een man die helemaal doorgeladen is met testosteron wil ook geen verzorger of kleuterjuf worden.’

Lawyers for lawyers – ‘De advocaten in Colombia rekenen echt op ons’

Juristen terug van indrukwekkende Caravana

Doordrenkt met indrukken, emotioneel geraakt maar vooral geïnspireerd door de bevlogenheid en moed van de mensen die zij hebben ontmoet, zijn Ron Rosenhart en Wout Albers teruggekeerd uit Colombia.

Tekst: Lawyers for Lawyers/ Johan van Uffelen

Als vertegenwoordigers van Lawyers for Lawyers namen de beide juristen deel aan de zesde Caravana Internacional de Juristas, een internationale fact-finding missie naar de situatie van advocaten en andere verdedigers van mensenrechten. De weg naar een rechtsstaat in Colombia is nog lang, concluderen beiden. Toch willen ze optimistisch zijn.
Albers: ‘Vervolging leidt steeds vaker tot bestraffing en erkenning van slachtoffers. Dat is ontzettend belangrijk voor de mensen die willen terugkeren naar de grond waarvandaan ze verdreven zijn. Maar die terugkeer leidt vaak tot bedreigingen en dodelijk geweld. Ook voor degenen die opkomen voor hun rechten’.

Rosenhart: ‘Een vreedzame toekomst is het doel. Maar veel Colombianen strijden tegelijkertijd voor het redden van hun verleden. Het rechtzetten van onrecht. Dat verlangen naar genoegdoening is zowel hartverscheurend als bewonderenswaardig en hoopgevend’.

Twee jaar geleden, op 24 november 2016, sloot de Colombiaanse regering een akkoord met de FARC. Dat had het begin moeten zijn van stabiliteit. De realiteit is anders.
Rosenhart: ‘Toen de FARC zich terugtrok van het platteland, nam de Colombiaanse overheid niet meteen de regie. Daardoor ontstond een machtsvacuüm’. Wout Albers vult aan: ’Gewapende groeperingen zagen kans om deze economisch vaak interessante gebieden over te nemen, waar nodig met grof geweld’.

In de vredesovereenkomst is de teruggave van grond geregeld aan de kleine boeren en etnische groepen die tijdens het conflict van hun land zijn verjaagd.
Albers: ‘Slachtoffers moeten heel hard werken om die erkenning te krijgen. Ze kunnen niet rekenen op steun van de overheid. In de regio waar wij waren, worden wel steeds meer mensen door rechtbanken erkend als slachtoffer. Maar het blijft dan nog levensgevaarlijk om zonder hulp terug te keren’.
Rosenhart: ‘Het aantal zaken is zó groot en de procedures zijn zó complex, dat er onvoldoende tijd en middelen zijn om de slachtoffers te compenseren. Tot grote frustratie van rechters en advocaten’.

Jullie spraken ook met Jorge Molano, die drie jaar geleden de Lawyers for Lawyers Award in ontvangst nam. Hoe is zijn situatie nu?
Rosenhart: ‘Jorge beschikt over een geblindeerde wagen met een bestuurder en een ongewapende lijfwacht die hem door de Colombiaanse overheid zijn toegewezen. Vooralsnog wordt zijn bescherming jaarlijks verlengd, maar dat is voor andere collega-advocaten, die net zoveel gevaar lopen, minder vanzelfsprekend.’
Albers: ’Molano is heel lang mensenrechtenadvocaat. Hij wil rustiger aan doen. Maar dat maakt hem niet minder tot doelwit. Hij staat nog steeds op een dodenlijst.’

Als je jullie blogs leest, heeft de missie diepe indruk gemaakt.
Albers: ‘Het is afschuwelijk te constateren dat doodsbedreigingen aan de orde van de dag zijn. Het is ontzettend belangrijk om te lobbyen voor de veiligheid van onze collega’s. Advocaten als Rommel Duran, Adil Melendez en Jorge Molano zijn voor mij grote inspiratiebronnen.’
Rosenhart: ‘Ik zal dit nooit vergeten. Missies als deze zijn niet alleen goed, maar ook noodzakelijk. De advocaten in Colombia rekenen echt op ons.’

Borrelpraat – ‘Het is een unicum dat alle drank is opgegaan’

Dankzij redactiegenoot Nick van den Hoek waren wij uitgenodigd om de herfstborrel van Jaeger Advocaten-Belastingkundigen bij te wonen. Tout fiscaal-juridisch Amsterdam leek aanwezig te zijn. Natuurlijk werd er ook Jaegermeister ­geschonken en de bubbels vloeiden rijkelijk.

Tekst: Quirine van Voorst en Victor van Campen

Bij aankomst was vanaf de overkant van de Weteringschans was al te horen dat er een grote opkomst was voor dit jaarlijkse evenement. Te zien was dit echter nauwelijks: vanwege een verbouwing bij de buren, stond er pal voor het kantoor een bak voor bouwafval en een hek. Van een nood werd een deugd gemaakt, en daarmee was een privéborrel op de stoep een feit. Verder vormden twee grote kamers en de gang de setting van de herfstborrel van Jaeger. Deze was druk bezocht; tout fiscaal-juridisch Amsterdam leek aanwezig te zijn.

Zo nu en dan rustig een slokje bubbels nemen zat er niet in. Dit was onder andere te danken aan Wiebe de Vries, partner bij Jaeger, die iedereen met grote regelmaat bijschonk. Hij maakte ons al snel deelgenoot van zijn tactiek: door met een fles rond te gaan, zorg je ervoor dat je iedereen ziet en spreekt, en tegelijkertijd ook met goed fatsoen een gesprek weer kan verlaten.

Natuurlijke ballotage
De herfstborrel, zo vernemen wij van één van de advocaten van Jaeger, is ooit begonnen als een borrel voor de advocaten van de Weteringschans. Inmiddels heeft er een natuurlijke ballotage plaatsgevonden, wordt al knipogend toegelicht. Het evenement is uitgegroeid tot een borrel voor alle bevriende collega’s en ‘concullega’s’ van het kantoor. Daar vallen fiscaal advocaten, maar inmiddels ook strafrecht- en andere specialismen onder.


Bezoekers van de borrel werden niet alleen verwend met een grote hoeveelheid champagne, maar er liep ook een heuse ‘Oesterkoning’ rond. Om ervoor te zorgen dat het gespreksniveau op peil bleef, kwam er ook precies vaak genoeg een portie frietjes om de hoek kijken. Over de catering hadden wij dus niets te klagen.
Opvallend was dat er geen muziek werd gedraaid tijdens de borrel. De vraag is of die muziek überhaupt te horen zou zijn geweest boven het lawaai van de ruim honderd advocaten die op de borrel aanwezig waren.

Wat de herfstborrel vooral zo leuk maakte, is dat het door de setting heel gemakkelijk was om een praatje te maken met de andere aanwezigen. Buiten bijna zomers weer, binnen een minimaal net zo vrolijke sfeer. De goede verzorging van de borrel (hadden we al gezegd dat er veel champagne was?) maakte het geheel af. Uiteindelijk is de borrel tot middernacht doorgegaan.
Nick, advocaat bij Jaeger, vertelt ons met een mengeling van trots en schaamte: ‘Het is een unicum dat álle drank is opgegaan.’ Naar de grootte van de voorraad durven wij niet te vragen.

 

The Founders – ‘Als het waait dan ga ik surfen’

Vier advocaten die plezier hebben in wat ze doen en doen waar ze plezier in hebben, dat is de indruk die het bezoek aan de advocaten van LOYR heeft achtergelaten. LOYR is opgericht in 2016 door Floris Havelaar, Jasper van Mens en Zabih Etemadi en staat cliënten bij op het gebied van ondernemingsrecht, vastgoedrecht en sportrecht. Met de recente overstap van Babs Dubois naar LOYR kwam daar arbeidsrecht bij. Wij spraken het vrolijke viertal om er achter te komen wat hen beweegt.

Tekst: Mayk Koria en Victor van Campen

We vragen de advocaten wat hun doel is en wat LOYR volgens hen uit moet uitstralen. Havelaar: ‘We willen uitstralen dat wij een verfrissend kantoor met enthousiaste en betrokken personen zijn. Ons doel is het opbouwen van een lange termijn relatie met cliënten. Wij willen de vrijheid hebben om te ondernemen en ons niet in een keurslijf te wringen van omzet, targets en andere nare verplichtingen’. Van Mens vult aan: ‘Het gaat om plezier hebben in je werk. We zijn met z’n drieën begonnen op 20 vierkante meter, dan zit je bovenop elkaar en leer je elkaar echt kennen. Wij hebben het een jaar lang goed volgehouden met elkaar op die 20 vierkante meter.’ Al snel wordt het ons duidelijk dat de advocaten een hechte band met elkaar hebben. Dat Dubois zich later bij de heren heeft gevoegd is niet te merken. ‘Ik kan hun “intelligente” humor wel waarderen’, vertelt Dubois lachend.

V.l.n.r. Zabih Etemadi, Floris Havelaar, Babs Dubois, Jasper van Mens.

Het begon toen Havelaar en Van Mens, beiden afkomstig van Van Diepen en Van der Kroef, met het idee speelden om samen iets op te zetten, omdat zij op een andere wijze de advocatuur wilden bedrijven. Havelaar: ‘Jasper en ik hadden het plan om met zijn tweeën voor ons zelf te beginnen en waren op zoek naar iemand met ervaring. Zabih en ik kennen elkaar van het voetballen, Zabih is oud-profvoetballer van Cambuur en FC Groningen.’ ‘Dat zeg je nu om jezelf naar een hoger niveau te praten!’, roept Etemadi. Lachend vervolgt Havelaar: ‘Oké, Zabih ging op een veel lager niveau voetballen en daar leerden we elkaar kennen. Ik vroeg aan hem hoe hij het had ervaren om een eigen kantoor op te richten en waar hij tegenaan liep, omdat ik met het idee speelde om dat ook te gaan doen. Zabih stelde voor om een keer te gaan lunchen en het er verder over te hebben. Toen vroeg hij, waarom gaan we niet samen iets beginnen? Dat leek mij een leuk idee. Later heb ik Zabih en Jasper met elkaar in contact gebracht en dat klikte. Nadat Jasper, Zabih en ik samen hadden geluncht is het idee geboren om met zijn drieën te beginnen.’

‘Inmiddels zijn we allemaal zelf ondernemers geworden’

Reclamebureau
De naam LOYR is door de heren samen met een reclamebureau bedacht. Het is geen gemakkelijk proces geweest om de naam te bedenken, gaven de heren toe. Van Mens: ‘We werden helemaal gek van elkaar omdat we er zelf niet uit kwamen. Uiteindelijk hebben we een professioneel bedrijf ingehuurd die de naam voor ons zou bedenken. Die kwamen na een tijdje met de naam LOYR. De woordspeling vinden wij grappig en de naam is op internet uniek.’
Voor de advocaten van LOYR is vrijheid in het werk van groot belang. Van Mens: ‘Je moet de advocatuur echt leuk vinden. Het is belangrijk dat je om die reden met plezier naar het werk gaat. Echter, als je een dag echt geen zin hebt in het werk, dan hoef je niet te werken. Die ruimte geven wij elkaar. Als het waait, ga ik kitesurfen en werk ik zo nodig ‘s avonds nog even. Dat is het idee. We hebben ook voor Babs gekozen omdat zij er hetzelfde in zit. Babs vindt de advocatuur leuk, dat is de basis.’ Dubois bevestigt: ‘Die mindset miste ik in mijn vorige baan. Ik probeer nu zelf die vrijheid te houden. Als het waait, dan gaat het raam open en zie ik Jasper kijken: kan ik al?’. Letterlijk en figuurlijk beoefenen de advocaten van LOYR dus een vrij beroep. ‘En ook wat betreft hoe je je eigen cliënten wil bedienen, ook daarin hebben wij nu meer ruimte. Ik merk aan cliënten dat zij het enorm waarderen dat wij onze dienstverlening aan hun manier van werken aanpassen’, vertelt Dubois.
In ons gesprek komen ook de aspecten van het ondernemen als advocaat aan bod. Etemadi: ‘Inmiddels zijn wij zijn allemaal zelf ondernemers geworden. Wij merken dat cliënten zich door ons beter begrepen voelen omdat wij als ondernemers vaak dezelfde ervaring delen.’ Het ondernemen gaat de advocaten naar eigen zeggen goed af.

Stramien
We vragen wat het verschil is tussen het runnen van een eigen advocatenkantoor en werken in een grote organisatie. Dubois: ‘Bij een grote organisatie ben je slechts een onderdeel van het geheel en werk je in een stramien. Hierdoor was ik het soms niet eens met de gang van zaken binnen de organisatie of moest ik dingen doen waar ik zelf niet achter stond. Dat is nu gelukkig voorbij. Wij zitten nu zelf achter de knoppen. Als je iets niet zint dan zet je dat naar eigen hand.’ Havelaar: ‘Verder is het verschil dat ik nu mijn eigen cliënten moet aantrekken. In het verleden kwamen de cliënten binnen via de organisatie. Nu komen cliënten bij mij, omdat ze graag door mij geholpen willen worden. Dat is een fijn begin van de samenwerking. Een deel van het vertrouwen van de cliënt heb je dan al. De uitdaging ligt er dan in om het vertrouwen te behouden.’

‘We zitten nu zelf achter de knoppen. Als je iets niet zint dan zet je dat naar eigen hand’

Hoe ziet de toekomst er volgens de oprichters uit? Havelaar: ‘Babs is er bijgekomen voor de arbeidsrechtszaken die binnenkwamen en die we eerder aan andere kantoren gaven. Wij merken dat er vraag is naar bestuursrecht. Om onze cliënten beter te bedienen zijn wij onder andere op zoek naar een advocaat bestuursrecht. Maar ons doel is niet om te groeien om het groeien.’ Van Mens: ’Tegelijkertijd lopen we er nu al tegenaan dat onze praktijken te groot lijken te worden. Als het zo door gaat, dan werken wij ons over een tijdje een slag in de rondte. De vraag is: moet je meer willen? Wij hebben nu vrijheid, cliënten zijn blij met ons en we gaan met veel plezier naar ons werk. Het klinkt wellicht ambitieloos, maar wat zou je dan nog meer wensen?’ Havelaar: ‘Het is fijn om te kunnen vaststellen dat we gelukkig zijn met hoe het nu gaat. De komende tijd zal het een uitdaging voor ons zijn om verder te bouwen aan LOYR, zonder daarbij onszelf voorbij te lopen.’

Leven na de advocatuur – ‘Ik was advocaat. Nu ben ik mezelf’

Judith Noordzij was drie jaar advocaat op de Zuidas toen ze bezweek onder de werkdruk en de spanning. Na een burn-out begon ze een nieuw leven als coach van millennials die problemen hebben met de steeds toenemende ­prestatiedruk en prikkels van social media. ‘Ik was advocaat. Nu ben ik mezelf’.

Tekst: Nick van den Hoek & Yvette Kouwenberg

Hoe ben je de advocatuur ingerold, wat deed je en wat vond je ervan?
‘Ik heb in Groningen rechten gestudeerd en ik zat bij Vindicat en daar was het eigenlijk niet de vraag óf je de advocatuur in ging, maar bij welk kantoor op de Zuidas je stage ging lopen. Daar ben ik helemaal in mee gegaan. Mijn studie ging goed, ik haalde goede cijfers en je jut elkaar allemaal wel een beetje op om 8’en te halen zodat je bij een gerenommeerd kantoor aangenomen wordt. Daar deed ik dus ook aan mee. Ik ging vervolgens stage lopen bij De Brauw. Mijn omgeving reageerde heel positief op het feit dat ik bij een groot kantoor stage liep. Het was een soort roze wolk waar ik op zat. Vervolgens werd ik benaderd door Stibbe om daar mijn scriptie te schrijven. Opnieuw zat ik op die roze wolk. Ik was enorm gevleid dat al die kantoren mij wilden hebben. Na mijn studie ben ik bij Stibbe gebleven om met de beroepsopleiding te starten.
Nu terugkijkend weet ik dat het werk me vanaf het begin niet bijzonder aansprak. Dat kwam mede door de werkdruk. Ik dacht dat als ik er langer zou zitten, het allemaal wat makkelijker zou worden en dat ik het dan ook leuker zou gaan vinden.’

Je hebt het over werkdruk. Hoe ervoer je die?
‘Tijdens een student stage word je nog een beetje in de watten gelegd en valt de werkdruk reuze mee. Toen ik echt als advocaat aan de slag ging verwachtte ik dat je wat meer tijd kreeg om het vak te leren. Misschien is het mijn perfectionisme en wilde ik meteen alles goed doen, wat natuurlijk niet mogelijk is als je net begint. Dat maakte dat ik soms moeite had met de uren in een werkdag.
Ik werkte eerst op de sectie arbeidsrecht. Daar was het constant druk, maar heel geleidelijk. Na mijn overstap naar M&A werd dat anders. Het was hollen of stilstaan. Er waren hele rustige periodes, afgewisseld met periodes waarbij je keihard moest werken – soms zelfs ‘s nachts. Dat paste niet bij mij. Na een hele drukke periode van drie maanden was de koek op en ben ik uitgevallen.’

Je hebt uiteindelijk besloten iets heel anders te gaan doen. Hoe ging dat?
‘Dat ging niet van de ene op de andere dag. Twaalf maanden heb ik niet gewerkt. De eerste drie maanden lag ik alleen maar op de bank en kon ik niets. Op een gegeven moment begon mijn energie weer wat beter te worden en ging ik heel bewust nadenken over hoe het zo ver had kunnen komen. Toen kwam ik tot het besef dat het werk me meer energie kostte dan opleverde. Absoluut niets ten nadele van het kantoor of de advocatuur, maar ik moest gewoon erkennen dat het niet mijn ding was. Het werk was natuurlijk ook niet het probleem, het was een symptoom van een dieperliggende oorzaak. Ik heb vier maanden bij een psycholoog gelopen, die heeft me helpen inzien dat ik mijn keuzes tot dan toe vooral had gemaakt op basis van de mening van anderen.’

Zo te horen heb je best wel veel signalen in jouw omgeving steeds ter harte genomen en je daardoor laten leiden, meer dan je lief was.
‘Ja, dat is ook dé conclusie die ik kon trekken uit mijn burn-out, wat tegelijkertijd heel pijnlijk was. Ik heb geen keuzes gemaakt op basis van mijn eigen gevoel, maar op basis van wat mijn omgeving vindt, of wat ik denk dat ze vinden. Die burn-out is dan ook niet gekomen door het werken in de advocatuur, maar omdat ik vond dat ik in een bepaald plaatje moest passen terwijl dat plaatje helemaal niet bij mij bleek te passen.’

‘Na een hele drukke periode van drie maanden was de koek op’

Was het moeilijk om tot die conclusie te komen?
Ja, zeker, je vraagt je dan af, wie ben ik dan eigenlijk al die tijd geweest? Je hele wereld stort in. Dat maakte het herstelproces ook best moeilijk voor me. Ik kon namelijk niet goed bij familie en vrienden terecht met mijn probleem, want zij waren zogezegd juist onderdeel van het probleem. Mijn omgeving vond dat ik terug moest om te re-integreren en de beroepsopleiding af te maken. Op papier was dat natuurlijk de meest verstandige keuze, maar ik wist zeker dat ik niet terug wilde. Ik wilde iets anders. De vraag was alleen wat.
Ik ben toen zelf aan de slag gegaan met hoe ik mijn leven wilde inrichten, zoals ik dat wil en niet hoe anderen dat willen. Ik stelde me bij alles heel bewust de vraag of het me energie zou kosten of zou opleveren. In het eerste geval deed ik het niet, in het tweede geval wel. Het was een behoorlijk eenzaam proces, omdat ik voor het eerst mijn eigen koers ging varen.
Sporten heeft me daar heel erg bij geholpen. Mentaal voelde ik me niet goed en had ik een lange weg te gaan. Fysiek kon ik eenvoudig aan de slag. Ik begon met krachttraining, waar ik heel veel energie van kreeg en even niet met mijn hoofd bezig hoefde te zijn. Ik voelde me steeds fitter en ik kreeg weer een beetje grip op mijn lichaam en daardoor ook mijn gedachten. Het sporten gaf me letterlijk de kracht om mentaal voor mezelf te kiezen.

Op een gegeven moment merkte ik dan ook dat ik weer wilde gaan werken. Ik wist nog niet precies wat maar ik wilde in ieder geval een baan waar ik met plezier naartoe kon fietsen, in casual kleding, maximaal van 9 tot 5 en met jonge collega’s. Via via ben ik toen bij een leuk bedrijf aan de slag gegaan in HR. Uiteindelijk heb ik er twee jaar gewerkt. Het was een ontzettend leuke tijd. Het bedrijf was enorm in ontwikkeling en is van 1 medewerker naar 50 medewerkers gegroeid, met allemaal jonge mensen. Het viel me op dat ook zij worstelden met het aangeven van grenzen. Dat heeft mij getriggerd om voor mezelf te beginnen als coach gericht op de millennial.

Als burn-out coach kom je in aanraking met veel persoonlijke en wellicht precaire zaken van anderen. Je bent daarvoor destijds bij een psycholoog geweest. Heb je zelf ook een opleiding gevolgd om dit soort werk te doen?
‘Nee, dat heb ik niet. Ik heb het wel overwogen toen ik begon. Maar ik wilde eerst beginnen en kijken waar ik tegenaan zou lopen. Ik merkte dat ik met mijn eigen ervaring en visie de meeste mensen kan helpen zonder bepaalde methodes op ze toe te passen. Dat vinden mensen heel fijn, maar als ik merk dat mensen echt met psychische problemen zitten dan verwijs ik ze wel door en vertel ik ze dat ik ze niet kan helpen. Heel veel mensen komen bij mij naast hun psycholoog, Ik kan ze helpen met een visie, op hoe we op dit moment in het leven zouden kunnen staan.’

Je geeft daarnaast workshops. Hoe ziet zo’n workshop er uit?
‘Ik deel mijn eigen verhaal en mijn visie op hoe het komt dat veel millennials te maken hebben met een burn-out, stressklachten en overspanning. En ik deel hoe je in deze maatschappij bij jezelf kunt blijven. Wie ben ik, wat wil ik, wat past bij mij? Ook doen we gezamenlijke opdrachten. Een workshop duurt vier uur en de meeste mensen gaan met een eigen plan naar huis om hun leven goed in te richten.’

Waarom hebben zoveel millennials volgens jou burn-out klachten?
‘Het is lastig om dit in een korte tijd uit te leggen, maar het komt, denk ik, door de maatschappij waarin we opgroeien. Die is gericht op prestatie en prestige. We leren allemaal dat als je hard je best op school doet, dat je later een goede baan zult krijgen en dat doen we dan allemaal. Vervolgens begin je met werk, merk je dat het hard werken is en dat je vervangbaar bent.
En dan zijn er natuurlijk de telefoon en social media, waardoor we elke dag een overvloed aan prikkels binnen krijgen. We hebben nooit geleerd hiermee om te gaan. We zijn ons bovendien met andere mensen gaan vergelijken op basis van social media terwijl dat niet reëel is.’

Je zit zelf ook op social media en bent daarmee in feite ook verantwoordelijk voor die prikkels?
‘Ja, deze vraag krijg ik vaak. Social media zijn voor mij iets waar ik bewust mee om moet gaan, maar ik gebruik ze vooral voor mijn werk. Ik kijk niet naar andere profielen. Het scheelt volgens mij heel erg of je zelf deelt of juist naar andere mensen kijkt. Wat prikkels betreft leg ik ’s avonds mijn telefoon weg, zodat ik niet overprikkeld raak. Dat adviseer ik anderen ook.’

‘Ik heb geen keuzes gemaakt op basis van mijn eigen gevoel’

Je gebruikt onder meer Instagram. Op je account staat iets over ijs met heel weinig calorieën?
‘Ja, dat klopt. Af en toe werk ik samen met merken. Als merken mij benaderen die ik ook leuk en lekker vind dan deel ik een foto en krijg ik daar wat voor. Maar ik gebruik instagram vooral als marketingtool voor mijn eigen werk.’

Betrap je jezelf er nog weleens op dat je je keuzes laat leiden door anderen?
‘Ik heb elke maand een evaluatie met mezelf over waar ik nu sta, wat er is gelukt en wat niet is gelukt en waarom. Soms voel ik nog wel een bepaalde druk van buitenaf, maar ik herken het nu en weet hoe ik ermee om moet gaan.’

Heb je nog een gouden tip voor (beginnende) advocaten om niet in een burn-out terecht te komen?
‘Het is zo’n dooddoener, maar blijf bij jezelf. Als je op zondag met hoofdpijn op de bank zit en opkijkt tegen de maandag die er weer aankomt, dan moet je je afvragen of dit is wat je echt wilt. Luister naar dat stemmetje. Ook als je het werk leuk vindt, maar is je even allemaal te veel, geef het aan. Neem de regie! ‘

Judith Noordzij op instagram: https://www.instagram.com/junoordzij

Actualiteiten – Stand van zaken debat gefinancierde rechtsbijstand

Wie juridisch advies of bijstand nodig heeft in een procedure en geen advocaat of mediator kan betalen, is aangewezen op de gesubsidieerde rechtsbijstand. Recente ontwikkelingen in het debat over van overheidswege gefinancierde rechtshulp zetten de uitvoering hiervan onder druk. Wie echter probeert de laatste stand van zaken te vinden, stuit op een wirwar aan voorstellen, aanbevelingen, reacties en sub-discussies. De actuele ontwikkelingen op een rij.

Tekst: Yvette Kouwenberg en Victor van Campen

Wij nemen 20 januari 2015 als startpunt van het huidige debat, ofschoon het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand al vele jaren te maken heeft met bezuinigingsrondes en maatregelen om de kosten van het stelsel voor de overheid te beperken.

Op 20 januari 2015 werden door de Eerste Kamer de moties van Scholten (D66) c.s. en Franken (CDA) c.s. aangenomen. Deze moties riepen op tot het doen van onderzoek naar de oorzaak van de kostenstijgingen in de gesubsidieerde rechtsbijstand, respectievelijk tot het afzien van de stelselvernieuwing gesubsidieerde rechtsbijstand en op zoek te gaan naar alternatieve financiering.

Rapporten
Op 30 november 2015 is naar aanleiding van voornoemde moties het rapport Herijking rechtsbijstand – Naar een duurzaam stelsel voor de gesubsidieerde rechtsbijstand aangeboden aan de Tweede Kamer. Dat rapport is uitgebracht door de Commissie Onderzoek oorzaken kostenstijgingen stelsel gesubsidieerde rechtsbijstand en vernieuwing van het stelsel onder voorzitterschap van Aleid Wolfsen (hierna: de commissie-Wolfsen).

Op hoofdlijnen kwam de commissie-Wolfsen tot de volgende bevindingen:

  • Er is voldoende rechtsbijstand beschikbaar voor alle type zaken en voor mediation, maar het stelsel kan op onderdelen doelmatiger;
  • Het ontbreekt binnen het stelsel aan een goede coördinatie tussen de eerstelijns rechtsbijstand (het Juridisch Loket) en tweedelijns rechtsbijstand (de rechtsbijstandverleners die bij de Raad voor Rechtsbijstand zijn ingeschreven);
  • Het stelsel stimuleert momenteel onvoldoende kostenbewust gedrag van rechtzoekenden en rechtsbijstandverleners;
  • Een goede toetsing op de doelmatigheid van de bestede extra uren bij strafzaken ontbreekt; en
  • De inning van de aan rechtzoekenden opgelegde eigen bijdrage blijft vaak achterwege waardoor een wezenlijke doelmatigheidsprikkel feitelijk wordt uitgeschakeld.

Kort na het instellen van de commissie-Wolfsen heeft de Nederlandse orde van advocaten (hierna: de NOvA) een eigen commissie ingesteld met de opdracht mogelijke noodzakelijke vernieuwingen in het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand te onderzoeken. Deze Commissie Duurzaam stelsel gefinancierde rechtsbijstand onder voorzitterschap van professor Tom Barkhuysen (hierna: de commissie-Barkhuysen) heeft op 2 december 2015 haar eindrapport uitgebracht.

Knelpunten
De commissie-Barkhuysen constateerde een aantal knelpunten in het huidige stelsel van gefinancierde rechtsbijstand, waaronder:

  • achterstallig onderhoud van het forfaitaire puntensysteem, zowel op gebied van het aantal punten per zaak als op gebied van de vergoeding per punt;
  • problematiek bij extra uren;
  • incassorisico van inning eigen bijdrage bij de advocaat;
  • achterblijvend aanbod van rechtsbijstandverleners in sociale advocatuur; en
  • onvoldoende intensief toezicht op inhoudelijke kwaliteit van de toevoegingszaken.

Kabinetsreactie
Op 31 mei 2016 zond (destijds) minister van Veiligheid en Justitie Ard van der Steur aan de Tweede Kamer de kabinetsreactie op het rapport van de Commissie Wolfsen en de Commissie Barkhuysen en presenteerde het kabinet maatregelen die ‘het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand toekomst- bestendig maken.’ De maatregelen zagen onder meer op verbetering c.q. herinrichting van de eerste lijn rechtshulp, een mogelijkheid tot herijking van de puntenaantallen, het organisatorisch onderbrengen van het juridisch loket bij de raad voor rechtsbijstand en een gewijzigde vermogenstoets. Verder wordt er volgens de maatregelen een onafhankelijke commissie in het leven geroepen die de puntenaantallen per zaakscategorie evalueert.

Wetsvoorstel duurzaam stelsel rechtsbijstand
In navolging op de kabinetsreactie van 31 mei 2017 is op 16 februari 2017 het wetsvoorstel duurzaam stelsel rechtsbijstand in consultatie gegeven. Met dit wetsvoorstel worden diverse volgende maatregelen getroffen, waaronder:

  • het invoeren van een versterkte eerstelijnsvoorziening rechtsbijstand, belast met de verlening van aanvullende rechtshulp aan rechtzoekenden;
  • het betrekken van het gezinsinkomen in echtscheidingszaken bij het vaststellen van de draagkracht van de rechtzoekende en de invoering van kostendekkende eigen bijdrage;
  • het betrekken van de overwaarde van de eigen woning bij het vaststellen van de draagkracht van de rechtzoekende en de invoering van kostendekkende eigen bijdrage;
  • het invoeren van een trajecttoevoeging voor de verlening van rechtsbijstand in meer dan een zaak en meer dan een instantie voor echtscheiding en multiproblematiek;
  • het beperken van de ambtshalve toevoeging verdachten;
  • het invoeren van kwaliteitstoetsen voor rechtsbijstandverleners;
  • het innen van de eigen bijdrage door de raad voor rechtsbijstand;
  • het schrappen van de uitzondering met betrekking tot de relatieve competentie van de rechtbank in geschillen over besluiten van de raad voor rechtsbijstand.

Na ontvangst van 18 reacties, onder andere van het College voor de Rechten van de Mens, het Juridisch Loket, de Nederlandse orde van advocaten en de Raad voor Rechtsbijstand, is de consultatie op 14 april 2017 gesloten. De NOvA formuleerde in zijn advies onder meer de volgende kernpunten:

  • In de Memorie van Toelichting klinkt het uitgangspunt door dat rechtsbijstand door advocaten duur is en dat voorkomen zou moeten worden dat zaken bij de advocatuur terecht komen. In zijn algemeenheid ademt het wetsvoorstel een sfeer van wantrouwen tegen de advocatuur;
  • De NOvA is voorstander van een generieke versterking van de eerste lijn ten behoeve van de rechtzoekende, maar niet als filter met het voornaamste doel zaken bij de advocatuur vandaan te houden. De nu al aanwezige kennis bij de advocatuur zou eerder en beter kunnen worden ingezet in de eerstelijnsrechtsbijstandverlening;
  • Een grootschalig gebruik van oriëntatiegesprekken en -toetsen introduceert via een omweg alsnog een verplichte poortwachter vanuit de overheid in de vorm van het Juridisch Loket;
  • Voor kwaliteitstoetsen vindt de NOvA dat de Raad voor Rechtsbijstand aansluiting moet zoeken bij artikel 26 Advocatenwet. Dat ligt ook voor de hand nu de NOvA de wettelijke taak heeft gekregen tot het uitvaardigen van kwaliteitstoetsen;
  • De NOvA stelt dat het voldoende is wanneer bij echtscheidingen een gespecialiseerde advocaat wordt benaderd en dat daarmee een verplicht oriëntatiegesprek bij het Juridisch Loket niet meer aan de orde is;
  • De voorgestelde trajecttoevoeging bij echtscheiding zal in de toekomst tot negatieve prikkels in het stelsel leiden. De rechtzoekende zal er vanuit gaan dat hij in het kader van de traject­toevoeging het recht heeft om meerdere procedures aanhangig te maken;
  • De NOvA is van mening dat eerst het eindrapport van de Commissie van der Meer dient te worden afgewacht, voordat er door het departement verdere stappen worden ondernomen ten aanzien van de trajecttoevoeging, aanpassing van het punttarief, vervallen van de administratieve vergoeding en een verlaagde puntengrens.

Regeerakkoord
Op 10 oktober 2017 is het huidige regeerakkoord gepresenteerd. Daarin staat onder meer: ‘Het stelsel van rechtsbijstand wordt herzien langs de lijnen van het rapport Commissie Herijking Rechtsbijstand en het tussenrapport van de commissie Evaluatie puntentoekenning rechtsbijstand binnen de bestaande budgettaire kaders. Er worden geen rechtsgebieden uitgezonderd waarvoor rechtsbijstand kan worden aangevraagd.’

De tekst van het regeerakkoord vervolgt: ‘Conform het advies van het eerstgenoemde rapport worden de Raad voor de Rechtsbijstand en het Juridisch Loket juridisch samengevoegd. Door deze intensieve samenwerking kan de eerstelijnshulp beter worden gestroomlijnd en kunnen meer eenvoudige zaken door het Juridisch Loket worden afgedaan. De griffierechten worden, behoudens indexatie, niet verhoogd.’

Commissie Van der Meer
De commissie die in de kabinetsreactie van 31 mei 2016 werd aangekondigd is de Commissie evaluatie puntentoekenning gesubsidieerde rechtsbijstand geworden, onder voorzitterschap van Herman van der Meer. Op 25 oktober 2017 bracht deze commissie haar rapport uit onder de titel Andere Tijden.
De belangrijkste conclusie? De vergoedingen die rechtsbijstandverleners ontvangen voor door hen aan on- en minvermogenden geleverde rechtsbijstand, voldoen in de loop van de tijd niet meer aan hun doelstelling, ‘namelijk het ontvangen van een redelijke bijdrage voor de in een onder het stelsel vallende zaak geleverde rechtsbijstand.’
Iets verderop vervolgt voornoemde commissie: ‘Onderdeel van de opdracht aan de commissie was dat de voorstellen niet mochten leiden tot hogere kosten, maar evenzeer was het punttarief (=uurtarief) gegeven en het redelijkerwijs voor een rechtsbijstandverlener te verwerven norminkomen ook. De commissie constateert in haar rapport dat de uitkomst van het onderzoek naar de tijdsbesteding geen andere conclusie toelaat dan dat de aan de commissie meegegeven uitgangspunten niet met elkaar verenigbaar zijn. In die zin is er derhalve sprake van een (achteraf gebleken) onmogelijke opdracht.’

Omineuze zin
Het voorwoord van het rapport van de commissie wordt afgesloten met de omineuze zin: ‘Het is nu aan de beleidsverantwoordelijken om op basis van dit rapport de noodzakelijke scherpe keuzes te maken zodat de vergoeding voor gesubsidieerde rechtsbijstand duurzaam en evenwichtig zal zijn’.

2018: Scherpe keuzes
In 2018 is het debat over de gefinancierde rechtsbijstand zeer regelmatig in het nieuws.

Op 25 januari 2018 hield de Vaste Kamercommissie van Justitie & Veiligheid op initiatief van de SP, GroenLinks en PvdA een rondetafelgesprek over de gefinancierde rechtsbijstand. Op 1 februari 2018 volgde een Tweede Kamerdebat over het rapport van de commissie Van der Meer. Diezelfde dag protesteerden circa 350 advocaten in toga bij het Tweede Kamergebouw voor extra overheidsgeld voor de gesubsidieerde rechtsbijstand.

Op 16 mei 2018 weigerden strafrechtadvocaten en sociaal advocaten nog langer deel te nemen aan gesprekken met minister Dekker over de toekomst van de rechtsbijstand, zolang daar geen extra geld voor komt. De NOvA steunt de beslissing van de advocaten maar neemt nog we deel aan de gesprekken over de andere rechtsgebieden. Een woordvoerder geeft aan dat Minister Dekker het betreurt dat de advocaten zich hebben teruggetrokken uit de gesprekken maar dat de gesprekken wel onverkort doorgaan.

Op 24 september 2018 publiceerde NRC Handelsblad het artikel ‘Dekker overweegt drastische hervorming rechtsbijstand’. Uit uitgelekte concept-plannen blijkt dat minister Dekker een groot aantal rechtsgebieden in de toekomst wil uitsluiten van door de overheid gesubsidieerde rechtshulp. Deze laatste zou dan alleen nog in het strafrecht en asielzaken blijven bestaan. De concept plannen stuiten op felle kritiek, zowel in de politiek als in de praktijk. De concept-plannen van Dekker staan tenslotte haaks op het regeerakkoord waarin juist is bepaald dat gesubsidieerde rechtshulp voor alle rechtsgebieden toegankelijk blijft. Daarnaast wil minister Dekker de eigen bijdrage verhogen en ziet hij een kleinere rol weggelegd voor advocaten door ‘meer probleemoplossend vermogen’ van de rechtszoekende te verlangen. De gedachte van minister Dekker is dat mensen voortaan hun heil zoeken in bijvoorbeeld online websites en begeleiding door mediators. Ook zouden voorschotten of een rechtsbijstandverzekering voor een grotere financiële verantwoordelijkheid moeten zorgen. Dat laatste is een doorn in het oog voor een toch al financieel kwetsbare groep en zorgt voor tweespalt in de maatschappij. Als de plannen van minister Dekker doorgaan blijft de rechtsbijstand maar voor een beperkte groep toegankelijk.

Volgens minister Dekker zouden de plannen echter noodzakelijk zijn omdat de kosten voor de sociale advocatuur fors zouden zijn gestegen. Dat blijkt iets genuanceerder te liggen. Trouw schreef in het artikel: ‘Het verontrustende vasthouden aan de ideologie van zelfredzaamheid bij de VVD’ van 18 oktober jl. dat de kosten voor de sociale advocatuur de afgelopen 10 jaar maar licht zijn gestegen, te weten van 417 naar 433 miljoen (in 2017). Vooruitlopend op de Algemene Politieke Beschouwingen die op 30 oktober 2018 in de Eerste Kamer gehouden werden, zond de NOvA op 15 oktober 2018 een brief aan de voorzitter en de leden van de Eerste Kamer. In deze brief worden namens de advocatuur de grote zorgen met betrekking tot de toegang tot het recht overgebracht.

De NOvA schrijft: ‘Ten aanzien van de toegang tot het recht is uitvoering van de aanbevelingen van de door de regering aangestelde commissie-Van der Meer noodzakelijk. Investeren in de rechtsstaat is cruciaal om de toegang tot het recht en onafhankelijke rechtshulp voor minder draagkrachtige rechtzoekenden te garanderen.’

Verwijzend naar voorstellen die de NOvA in mei 2018 heeft gedaan om het stelsel te verbeteren, vervolgt de brief: ‘In september komt in de media naar buiten dat minister Dekker plannen heeft die haaks staan op het regeerakkoord: het stelsel gaat geheel op de schop en er wordt een groot aantal rechtsgebieden uitgesloten van gefinancierde rechtsbijstand. Met de voorstellen van de NOvA is niets gedaan.’

Geschokt
Ook de Vereniging Sociale Advocatuur Nederland (VSAN) reageerde eerder geschokt op de plannen van minister Dekker. Op de website van de VSAN valt te lezen: ‘De VSAN heeft, samen met diverse andere partijen waaronder de Orde van Advocaten (NOvA), de afgelopen jaren meerdere keren de noodklok geluid. De VSAN heeft het manifest “Red de rechtshulp” gepresenteerd, met daarin concrete plannen om een goed stelsel overeind te houden. Deze alarmsignalen hebben niet geleid tot juiste beleidskeuzes van de kabinetten Rutte I, II en III. Integendeel: er wordt elk jaar weer opnieuw beknibbeld op het budget van de gefinancierde rechtsbijstand. Er is geen oog voor het maatschappelijk belang van goede rechtshulp en de mensen voor wie deze hulp vaak het laatste redmiddel is.’ De VSAN doet vervolgens een oproep om de plannen van minister Dekker te passeren: ‘De gevolgen van de plannen van minister Dekker kunnen niet door de sociale advocatuur worden gedragen. De VSAN roept de politiek en alle organisaties die betrokken zijn bij de gefinancierde rechtsbijstand op om de voorstellen van Dekker in de huidige vorm niet te steunen.’

Er is dus nog een lange weg te gaan. Minister Dekker wil zijn voorstel echter al deze maand af hebben. We blijven de ontwikkelingen voor u op de voet volgen!

Bouwstenen – Een tikje eigenzinnig

Voor de Bouwstenen-rubriek een bezoek aan Ovidius Law in het pand ‘The Bell’, het voormalig Rijks Magazijn van Kleding uit 1874 en ooit kantoor van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD). De drie enthousiaste oprichters van Ovidius, Jessica Niezen, Bram de Haas van Dorsser en Sjoerd van der Velde, zijn goed voorbereid om ons allerlei weetjes over het gebouw te vertellen.

Tekst: Benjamin Bijl & Mayk Koria

Bij binnenkomst in The Bell begrijpen we het enthousiasme. Een grote entree dat ruime, industriële en toch zakelijke uitstraling heeft. The Bell wordt een ‘bedrijfsverzamelgebouw’ genoemd, wat duidelijk wordt door het grote bord met verschillende bedrijfsnamen dat naast de receptie hangt. Altijd aardig om te zien dat er op zo’n mooie locatie veel advocatenkantoren zijn gehuisvest, waarbij overigens Ovidius Law een van de eerste was.

‘Rijksmagazijn voor Kleeding en Uitrusting’
The Bell heeft een rijke historie. Het is gebouwd tussen 1873 en 1875 in opdracht van het toenmalige Departement van Oorlog voor militaire opslag en distributie van kleding en andere uitrusting van het Nederlands leger. Het gebouw heeft heel lang een soortgelijke functie gehad totdat het in 1970 werd gebruikt door de Binnenlandse Veiligheidsdienst. In 1974 werd het gebouw vol gezet met kleine cellenkantoren. De ruimte werd namelijk tot 2008 gebruikt als politiebureau. In het, geheel in de stijl van The Bell, aangebouwd nieuwbouwgedeelte is de woningcorporatie Stadgenoot gevestigd. Stadgenoot is tevens eigenaar van het gebouw.

Palimpsest
De door Time Magazine als ‘America’s best architect’ uitgeroepen Steven Holl heeft de leiding over de volledige renovatie van The Bell in 2010. Holl is een architect uit New York en bekend van het ontwerpen van onder andere Bellevue Arts Museum in Washington en Princeton University. Daarnaast ontwierp hij in 2000 al het bekende ‘groenkoperen paviljoen’, gelegen naast The Bell.

Holl kreeg de opdracht om de historie van het gebouw zichtbaar te laten, maar tevens elementen te verwerken die de nieuwe bestemming van het gebouw goed zouden weergeven. Het thema dat Holl hiervoor gebruikte is het mooie woord ‘Palimpsest’. Dit bijzondere begrip staat voor een hergebruikt stuk perkament. Maar wat heeft dit in vredesnaam met het ontwerpen van een gebouw te maken? Bij het gebruik van Palimpsest werd de bovenste laag (met de tekst erop) afgeschraapt zodat het perkament opnieuw kan worden beschreven. De mooie eigenschap van Palimpsest is dat doorgaans het oorspronkelijke document (inclusief) tekst bewaard werd gebleven en daarbovenop het nieuwe stuk alsnog goed zichtbaar was. Daar is de koppeling terug naar Holl: het oorspronkelijke karakter van het gebouw bleef bewaard, maar werd overgoten met een compleet nieuw sausje.

Stephen Holl kreeg opdracht de historie
van het gebouw zichtbaar te laten

Die oude kenmerken zijn volop zichtbaar in het gebouw; houten en gietijzeren balken zijn weer tevoorschijn gehaald en aangebrachte bouwsels in het gebouw zijn weggehaald. Lange hoge gangen met aan weerszijden kamers (de oude cellen) die de basis van The Bell vormen. De kamers zijn los en in clusters te huren. Zo heeft Ovidius een aantal kamers naast elkaar op een gedeelte van de gang waar ook andere bedrijven kamers hebben. De bedrijven die hier zijn gehuisvest zitten bij elkaar op de gang, maar hinderen elkaar niet. Ook de buitenkant is overigens compleet in de originele staat teruggebracht. Een neoclassicistische bouwstijl, voor de liefhebber. Na de renovatie heeft het gebouw de chique naam The Bell – Office Suites gekregen en was het klaar voor verhuur.
Toen Niezen net voor zichzelf begon, kwam ze het gebouw op internet tegen en wilde ze hier dolgraag haar intrek nemen. Licht, hoge muren en symmetrie gaven hierbij de doorslag. Het bleek echter niet makkelijk. Het pand stond nog grotendeels leeg, maar op de vele telefoontjes en e-mails kwam geen gehoor. Omdat de aanhouder wint werd Stadgenoot uiteindelijk bereikt en kon Niezen haar intrek nemen. Toen samen met Van der Velde en De Haas van Dorsser het huidige Ovidius werd opgericht is besloten op deze mooie plek te blijven. De advocaten, gespecialiseerd in arbeidsrecht, contractrecht, privacy en ondernemingsrecht, zijn nog steeds dolblij. Iedereen bij Ovidius gaat begrijpelijk met veel plezier naar hun kantoor in The Bell. Ovidius heeft er ook bewust voor gekozen om niet in het centrum te gaan zitten, maar wel in een mooi historisch pand dat goed bereikbaar is. Het gebouw past ook bij het karakter van Ovidius: professioneel en een tikje eigenzinnig.

Oude bel
De oplettende lezer vraagt zich natuurlijk nog af waarom een oud, gerestaureerd kledingmagazijn van het leger eigenlijk ‘The Bell’ heet? Het is geen knipoog naar de historie van het gebouw. Toen het pand werd omgedoopt naar een bedrijfsverzamelgebouw kon er beneden bij de receptie op een oude ‘bel’ gedrukt worden, waarna de receptionistes klaarstaan. Het staat voor het hoge serviceniveau dat wordt geboden. Hoewel de oorspronkelijke bel weg is, werden we bij binnenkomst alsnog direct door de receptionistes geholpen.

Specialisatievereniging – Stichting Landelijk Advocaten Netwerk Gewelds- en Zeden Slachtoffers (LANGZS)

De Stichting Landelijk Advocaten Netwerk Gewelds- en Zeden Slachtoffers (LANGZS) is in 2007 opgericht om de positie van het slachtoffer in het strafproces te verbeteren. Sindsdien zijn er aanzienlijke resultaten geboekt. Bekend voorbeeld daarvan is de uitbreiding van het spreekrecht voor slachtoffers in 2016. Toch valt er volgens LANGZS nog veel te verbeteren. Wij spraken LANGSZ-bestuursleden Richard Korver en Marianne Kubatsch.

Tekst: Nick van den Hoek en Victor van Campen

Waarom is LANGZS opgericht en wanneer kan je lid worden?
Richard Korver: ‘LANGZS beoogt de kwaliteit van slachtofferadvocatuur te bevorderen in de meest brede zin van het woord, om daarmee de positie van slachtoffers van ernstige misdrijven te verstevigen. LANGSZ is ooit begonnen als een informeel overleg tussen een groep advocaten die veel zedenzaken deden voor slachtoffers. Toen heette het LANZS, zonder g. Op enig moment werd de positie van slachtoffers verstevigd en toen hebben we gezegd we moeten ook de ernstige geweldzaken erbij grijpen, zodat de positie van slachtoffers überhaupt steviger wordt.’

Richard Korver

: ‘Als advocaat kun je lid worden van LANGSZ als je vijf jaar aantoonbare ervaring hebt in de slachtofferpraktijk, bij voorkeur met verschillende type zaken. Daarnaast moet je minstens vijf nieuwe slachtofferzaken per jaar binnenkrijgen en moet je een specialisatiecursus hebben gevolgd. We hebben ook een eigen specialisatiecursus, die zwaarder is dan de specialisatiecursus die de Raad voor Rechtsbijstand voorschrijft. De specialisatiecursus organiseren we samen met het Ministerie van Justitie en het Pompe-instituut, natuurlijk ook om een vinger in de pap te hebben wat er in zo’n cursus aan bod komt.’

Je moet dus specialisatie-opleiding en dan zou je dus kunnen beginnen als slachtofferadvocaat?
Korver: ‘De Raad stelt ook nog wel een eis dat je een aantal keer moet hebben meegelopen, eigenlijk zoals dat voor de strafrechtadvocatuur ook geldt. Als je dat wilt doen, moet je ook eerst een aantal keren meelopen met een collega, voordat je zelfstandig zaken mag doen. En je moet vervolgens per jaar een bepaald aantal punten halen en een bepaald aantal zaken doen. Bij dat laatste ligt wel echt een ernstig probleem, want wij merken dat er volstrekt onvoldoende wordt doorverwezen door politie en Slachtofferhulp Nederland en dat maakt dat wij ook van onze LANGZS-advocaten horen dat sommigen echt grote moeite hebben om aan die zaakseis te voldoen.’

Omdat er niet genoeg zaken binnenkomen?
Korver: ‘Ja, zeker als je kijkt naar het aantal ernstige geweld- en zedenzaken dat voor de rechter wordt gebracht. Gezien de aard van de delicten is daar altijd een slachtoffer dan wel een nabestaande van een slachtoffer. Er komt maar een fractie van die zaken bij de advocatuur terecht. Dat is toch op zijn zachtst gezegd curieus te noemen.’

Korver: ‘Een beetje advocaat probeert de lijntjes op te rekken’

Het slachtoffer wordt dus niet gewezen op het feit dat hij ook een advocaat in de arm kan nemen?
Korver: ‘Het slachtoffer wordt gewezen op het bestaan van slachtofferhulp en slachtofferhulp is een organisatie die voor een heel groot deel bestaat uit vrijwilligers, die natuurlijk graag hun ding willen doen en een zaak dus niet zo snel afstaan. En dat is een zeer hardnekkig probleem, waar wij al jaren over klagen en waar we nu ook mee naar buiten treden. We hebben lang geprobeerd om in overleg met slachtofferhulp dat zelf op te lossen. Dat heeft geleid tot een lichte verbetering, maar meer dan dat kan je het ook niet noemen. Wij vinden dat dat toch echt veel actiever moet. Slachtofferhulp is een organisatie die gefinancierd wordt door het Ministerie van Justitie en die loopt keurig binnen te lijntjes. Een beetje advocaat probeert de lijntjes op te rekken.’

Marianne Kubatsch

Hoe geeft LANGZS invulling aan het verstevigen van de positie van slachtoffers?
Korver: “Op allerlei manieren. Ik denk dat de belangrijkste manier is dat alle LANGZS-advocaten in hun praktijk proberen om in de rechtszaal die positie zo stevig mogelijk te krijgen. Maar ook door met het Ministerie te spreken, door met de Kamer te spreken over de wetgeving, met andere groepen of organisaties die daar van belang zijn en door zwartboeken uit te brengen. Dat hebben we een tijd lang gedaan om misstanden te vermelden en die te publiceren. Dat heeft een heel goed effect gehad, want er zijn allerlei organisaties die naar aanleiding van die zwartboeken ons belde van ‘goh mogen wij met u aan tafel?’. Met name het Openbaar Ministerie is daar heel actief in geweest en wij konden ook merken dat dat daadwerkelijk tot resultaat leidde. Als je mij vraagt, wat heeft nou het sterkst gewerkt, dan denk ik dat het die zwartboeken zijn.”

Die zwartboeken, hoe moeten we dat zien?
Korver: ‘Wij hebben een apart mailadres – zwartboek@langzs.nl – en daar kunnen slachtoffers maar ook advocaten dingen naartoe mailen waarvan zij vinden dat die niet goed zijn gegaan. Wij vragen wel om dat zo te doen dat het traceerbaar en controleerbaar is, dus bijvoorbeeld door een parketnummer mee te geven. En als wij zelf vinden dat dat inderdaad verkeerd is gegaan, dan nemen we dat op in dat zwartboek. Soms stonden daar wel honderd incidenten in en dat ging variërend van “de zitting is al geweest, ik ben nooit uitgenodigd als slachtoffer” tot “ik krijg het dossier niet” of “de politie weigert een aangifte op te nemen”. Maar ook dingen waar advocaten tegenaan lopen: “De Raad voor Rechtsbijstand weigert een toevoeging” of “dat men bij het Openbaar Ministerie bij de ene officier wel heel makkelijk iets krijgt en bij de andere officier niet”. Allemaal van dat soort verschillende dingen en de ene organisatie pakt dat sneller op dan de ander, maar wij zien wel dat dat effect heeft.’

Wat is de meerwaarde voor advocaten om lid te zijn van LANGZS?
Korver: ‘Een belangrijke motivatie voor mensen is om met collega’s te spreken die dit soort zaken doen. Ik heb gisteren nog iemand aan de lijn gehad van een gerenommeerd strafrechtkantoor die met de handen in het haar zat. zo van: “Help, ik heb hier een slachtoffer en ik weet eigenlijk niet wat ik moet doen”. En dat is ook helemaal niet zo gek, want het is wel echt werken vanaf een andere kant en vanuit een andere positie dan die van de verdachte. Ik merk ook dat sommige rechtsbijstandsverzekeraars, als ze uitbesteden, dat bij voorkeur doen aan advocaten waarvan zij weten dat ze gespecialiseerd zijn, dus daar wordt ook al weleens naar doorgevraagd. Wij verwijzen natuurlijk ook zelf. Op het moment dat wij een verzoek krijgen van slachtoffers, kijken we gewoon heel simpel waar komt die meneer of mevrouw vandaan en dan krijgt diegene een lijstje met advocaten in zijn of haar omgeving die aangesloten zijn.’

Kan iedere strafpleiter slachtofferadvocaat worden?
Kubatsch: ‘Bij het werk als slachtofferadvocaat komt een hoop peptalk te pas. Niet iedere advocaat is daar geschikt voor of vindt dat leuk. Het is een heftig rechtsgebied en het bestaat niet simpelweg uit het voegen in de strafzaak.’

Korver: ‘Ik denk niet dat iedere advocaat slachtoffers kan bijstaan. Natuurlijk, je zou kunnen zeggen dat als iemand een cursus doet, dan voldoet diegene in formeel opzicht misschien aan de eisen. Maar je hebt daar ook wel wat vaardigheden voor nodig. Je moet in staat zijn om gesprekken te voeren met slachtoffers op zo’n wijze dat die slachtoffers daar wat aan hebben en dat je het zelf niet mee naar huis neemt. En ik hoor wel van collega’s dat er mensen zijn die zeggen: “Ja, ik kan dit niet allebei, ik kan niet én verdachten bijstaan én slachtoffers”. Ongeveer de helft van de LANGZS-advocaten staat zowel verdachten als slachtoffers bij. En ja, je moet ook nog wel enig gevoel hebben voor civiel recht, want de vordering benadeelde partij is natuurlijk toch een belangrijk deel van ons werk en dat houdt ook in dat je dat ook moet bijhouden. Dus er wordt nogal wat van je verlangd als je slachtoffers bijstaat als het gaat om het bijhouden van je vakkennis, want je kunt je sinds juli 2016 ook nog uitlaten over het bewijs en de eventuele straf. Een goede slachtofferadvocaat heeft een heel gedegen kennis van strafrecht, maar ook een heel gedegen kennis van het civiel recht.’

Het slachtoffer bijstaan is dus een brede opdracht met meerdere aspecten?
Korver: ‘Ja, bijvoorbeeld bij een gerelateerde zaak waarbij er risico is dat de verdachte uit voorlopige hechtenis gaat, dan moeten er wel dingen geregeld zijn op het gebied van contactverbod, straatverbod, eventueel contact met stelsel bewaken en beveiligen. Daar zal je over na moeten denken. De gemiddelde strafrechtadvocaat denkt dan al snel ‘help, waar zijn de civilisten.’ Maar dat hoort wel bij het werk. Je kunt niet denken: “Ik ben slachtofferadvocaat, dus ik doe alleen de strafzaak”.’

Wat moet er nog verbeteren aan de positie van het slachtoffer in het strafproces?
Kubatsch: ‘Wij willen graag dat het slachtoffer een vaste plek krijgt in de rechtszaal, net als de verdachte. Bij sommige rechtbanken zit het slachtoffer helemaal achterin weggestopt en je merkt dat slachtoffers dat niet prettig vinden. Op de iets lange termijn zien wij graag dat de rol van het slachtoffer verandert van procesdeelnemer naar procespartij, met meer in de wet verankerde rechten. Om te voorkomen dat het slachtoffer bij de ene rechtbank minder ruimte krijgt om zijn verhaal te doen dan bij een andere rechtbank, wat nu het geval is, moeten de rechten van het slachtoffer concreter in de wet worden opgenomen.’

Kubatsch: ‘Bij dit werk komt een hoop peptalk te pas’

Korver: ‘Het spreekrecht is zoiets. De ene rechter vindt het prima dat je twee keer spreekt, de ander zegt “nee, nee, het mag maar één keer”. Het zijn er gelukkig veel die zeggen het mag na pleidooi van de verdachte, maar er zijn er ook die zeggen “nee, nee, het moet voor requisitoir”. En dat brengt rechtsongelijkheid met zich. Het is heel raar dat je bij de ene rechter dat wel twee keer mag en bij de andere niet. Er wordt regelmatig aan LANGZS-advocaten gevraagd daarover te komen praten op de rechtbank, dus daar ontstaat wel wat. Minister Dekker heeft aangekondigd dat hij binnenkort met een wetsvoorstel komt en wij hopen dat hij daarin gewoon zegt dat het spreekrecht moet worden uitgeoefend na pleidooi van de verdachte.’

Heeft de stichting LANGSZ een bijzondere link met Amsterdam?
Korver: ‘In Amsterdam vinden relatief veel zaken plaats. Er gebeurt hier toch heel erg veel. Niet alleen in de zin van delicten, maar ook in de opsporing. Men probeert voorop te lopen en met nieuwe dingen te komen, dat maakt het interessant om hier te zitten. De Amsterdamse Rechtbank heeft vooralsnog de regel dat als de advocaat van het slachtoffer vraagt om na pleidooi te mogen spreken over bewijs en straf, dat in beginsel wordt toegewezen. Dat is prettig, als ik slachtoffers krijg hier in Amsterdam dan kan ik in redelijke mate voorspellen hoe een zitting verloopt. Er zijn andere rechtbanken waarbij dit op de dag zelfs nog anders kan zijn. Denk dan bijvoorbeeld aan Rotterdam. Het is fijn dat de rechtbank in Amsterdam bezig is met de veranderende posities.’

‘De CAO is zeker ook een instrument voor werkgevers’

Lezing Niels Jansen bij Jonge Balie Amsterdam over het afnemende draagvlak van vakbonden

Tijdens de Jonge Balie lezing van 25 oktober 2018 sprak Niels Jansen, universitair docent arbeidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam, over overgang van onderneming en ontslag van werknemers op grond van eto-redenen (economisch, technische en organisatorische redenen). Na afloop van de lezing mocht Charlotte Waterman, bestuurslid van de Jonge Balie, hem nog een aantal vragen stellen over zijn promotieonderwerp: de representativiteit van vakbonden in het arbeidsvoorwaardenoverleg.

Tekst: Charlotte Waterman

Kunt u kort iets over uzelf en uw werk vertellen?
‘Ik woon in Haarlem met mijn vrouw en twee kinderen. Ter ontspanning doe ik naast golfsurfen aan de vechtsport Braziliaans Jiu Jitsu. Ik werk als universitair docent arbeidsrecht aan de rechtenfaculteit van de Universiteit van Amsterdam en in januari 2019 promoveer ik op een onderzoek naar de representativiteit van vakbonden in het arbeidsvoorwaardenoverleg. Voordat ik bij de UvA ging werken heb ik bijna negen jaar als arbeidsrechtadvocaat gewerkt en in 2008 rondde ik de (Grotius) specialisatieopleiding arbeidsrecht cum laude af. Je mag zeggen dat arbeidsrecht een van mijn grote passies is en ik ben een groot fan van het werk van wijlen hoogleraren Levenbach en Sinzheimer.’

De voorzitter van de Algemene Werkgeversvereniging Harry van de Kraats) riep werkgevers in het FD van 1 oktober 2018 op om vakbonden te steunen bij het werven van nieuwe leden, omdat hij zich zorgen maakt over het afbrokkelende draagvlak van vakbonden. Wat vindt u van zijn oproep?
‘Harry van de Kraats is fan van het poldermodel en dat begrijp ik wel. De CAO is niet meer alleen een instrument voor werknemers, maar zeker ook voor werkgevers. Met een cao kun je verschillende doelen bereiken. Via de cao kunnen werkgevers kosten besparen, maar het kan ook bijdragen aan arbeidsrust. De CAO biedt bovendien een mogelijkheid om af te wijken van de wet, daar waar het gaat om driekwart dwingend recht. Verder kun je door middel van een cao per sector verschillen in de relevante regelgeving aanbrengen, wat via een wetgevingstraject lastiger is en langzamer gaat. De CAO is bovendien niet alleen een overeenkomst waarin arbeidsvoorwaarden worden geregeld, maar het is ook steeds meer een beleidsinstrument geworden. Op het moment dat de overheid in wil zetten op bijvoorbeeld scholing en duurzame inzetbaarheid, dan vindt dat veelal plaats door middel van het maken van afspraken in cao’s. Een cao is daarom ook met het oog op het algemeen belang nuttig en belangrijk. Als vakbonden verdwijnen, verdwijnt ook het instrument van de CAO. En vakbonden hebben weer leden nodig, van wie de vakbond de belangen behartigt. Om die reden is ook een (representatieve) vakbond nodig, naast de verschillende vormen van wetgeving. In het licht hiervan snap ik de oproep van Van de Kraats heel goed.’

Vindt u dat vakbonden op dit moment nog voldoende representatief zijn?
‘Die vraag is lastig te beantwoorden. Als je kijkt naar algemene cijfers van de vakbeweging, dan is het inderdaad zo dat vooral oudere werknemers en een groot deel van de gepensioneerden lid zijn. Jongeren zijn dat veel minder en duidelijk ondervertegenwoordigd. Daarnaast is er een opvallend verschil tussen werknemers met vaste contracten en flexibele contracten in het ledenbestand van de vakbeweging. Je ziet dat de vakbeweging moeite heeft flexwerkers te organiseren. Dit zijn echter algemene cijfers van vakbeweging. Als je specifieker kijkt naar vakbonden in verschillende sectoren, zie je weer dat er grote verschillen zijn. Zo zijn en sommige vakbonden in bepaalde sectoren juist zijn weer wel heel heel representatief.’

Men ziet ook dat vakbonden steeds minder leden hebben (in 2007 waren het er 1,9 miljoen en in 2017 nog 1,5 miljoen leden). Heeft u een verklaring voor de teruglopende ledentallen van vakbonden?
‘Er worden in de literatuur verschillende redenen genoemd. De eerste is dat mensen meer individualistisch worden en minder geneigd zijn lid te worden van verenigingen. Dat is dus meer een maatschappijbeeld. Een andere reden kan zijn dat het Nederlandse CAO recht (bijvoorbeeld de Wet CAO) meebrengt dat ook niet-leden profiteren van de CAO via artikel 14 Wet CAO en het daarom niet per se loont om lid te worden. Een andere reden die genoemd kan worden is dat met name jongeren het gevoel hebben dat de vakbond er niet voor ze is en dat ze de vakbond niet nodig hebben. Dat lijkt voort te komen uit de omstandigheid dat het beleid van de vakbond door de meerderheid van de leden wordt bepaald en dat zijn nog steeds in grote mate oudere werknemers en gepensioneerden.’

Is het ‘nodig’ dat vakbonden voldoende representatief zijn? Vakbonden zijn immers ledenorganisaties en dienen de belangen van alle leden te behartigen.
‘Uiteraard is het waar dat vakbonden ledenorganisaties zijn en dat zij opkomen voor hun leden. In principe zijn ook alleen leden gebonden aan de cao. Maar dat neemt niet weg dat in praktijk de cao voor een veel grotere groep werkenden geldt; dus ook voor niet-leden (via artikel 14 Wet CAO). Voor 80 procent van de werkenden geldt om die reden een CAO. Daarentegen is 60 procent van de werkenden niet lid en op die 60 procent is wel een CAO van toepassing waarin voor de werknemers (belangrijke) arbeidsvoorwaarden worden afgesproken. Op het moment dat de vakbond niet representatief is en dus met de belangen van die 60 procent geen of onvoldoende rekening wordt gehouden bij het arbeidsvoorwaardenoverleg, dan bestaat het risico dat die groep werknemers zich gaat verzetten tegen de cao en de toepasselijkheid daarvan. Het draagvlak verdwijnt onder die akkoorden en daarmee nemen ook de nuttige effecten van COA’s af.’

Wanneer kan men zeggen dat een vakbond voldoende representatief is?
‘Het gaat niet om absolute ledentallen, maar veel meer om spreiding van ledentallen over verschillende groepen werkenden die ook onder de cao vallen. Op die manier kan met alle verschillende belangen rekening houden gedurende arbeidsvoorwaardenoverleg.’

IN – Annette de Bruijne

Wanneer bent u beëdigd?
Ik ben op 22 augustus 2018 beëdigd als advocaat.

Wat heeft u hiervoor gedaan?
Op dat moment werkte ik al bijna een jaar als officier van justitie in opleiding in Rotterdam. In het kader van die opleiding loop ik momenteel een half jaar stage als advocaat met bijzonder verlof van het OM. In de tweejarige opleiding tot officier van justitie zit bijna altijd een buitenstage. Omdat ik al veel werkervaring had in de Rechtspraak, waren de stage-opties voor mij de politie of de advocatuur.

Waarom heeft u voor de advocatuur gekozen?
Ik heb bewust gekozen voor de advocatuur. In mijn OM-tijd heb ik al veel met de politie te maken gehad en heb ik al enkele korte stages gelopen. Ervaring opdoen als advocaat leek mij bovendien zinvoller voor het functioneren als officier. Allereerst om strafzaken vanuit het perspectief van de verdediging te zien en verweren te voeren, maar ook om de omgang met cliënten te ervaren.

Waarom heeft u voor uw huidige kantoor gekozen?
Ik heb voor FZKC gekozen omdat het een kantoor is met zeer ervaren en juridisch inhoudelijk sterke advocaten. Mijn huidige collega’s houden zich bezig met zowel commune strafzaken als fraudezaken, en ik hoop op beide terreinen veel van hen (bij) te leren. Een ander pluspunt van FZKC is dat veel zaken door twee advocaten worden gedaan. Daardoor ben ik ook in de gelegenheid om in grote strafzaken met een ervaren collega samen te werken.

Waar gaat u zich mee bezighouden?
Bij FZKC word ik als advocaat op grote én kleine zaken ingezet, en ga ik eigen piketdiensten draaien.

Annette de Bruijne is werkzaam bij Franken Zuur Van Kampen Croes Advocaten.